Ruth 4:1-8
1. Hier roept Boaz terstond een vergadering samen ter rechtszitting. Waarschijnlijk was hijzelf een van de oudsten van de stad, want hij was een man geweldig van vermogen. Misschien was hij de vader van de stad, en zat hij als voornaamste, want hij schijnt hier naar de poort te zijn opgegaan als gezaghebbende, en niet als een gewoon burger, zoals Job, Hoofdstuk 29:7 en verv. Wij kunnen ons hem niet minder voorstellen dan als een magistraat van de stad, die een kleinzoon was van Nahesson, overste van Juda, en dat hij de nacht tevoren aan het einde van een korenhoop zijn legerstede had, was in die dagen van eenvoud volstrekt niet onbestaanbaar met de eer van als rechter in de poort te zitten. Maar waarom heeft Boaz zo'n haast gemaakt, waarom was hij zo gesteld op dat huwelijk? Ruth was niet rijk, maar leefde van aalmoezen, niet in eer of aanzien, maar een arme vreemdelinge. Er wordt nergens gezegd dat zij schoon was, en al is zij het geweest dan kunnen wij wel onderstellen, dat door het vele wenen, het moeizame reizen, het werk van aren op te lezen, de lelies en rozen op haar gelaat verdord waren. Maar wat Boaz in haar liefhad en hem deed verlangen om de zaak te bespoedigen, was dat al haar naburen het er over eens waren dat zij een deugdzame vrouw was, dat maakte haar waardij voor hem ver boven de robijnen, Spreuken 31:10. En. daarom denkt hij dat, indien hij haar door haar te huwen een wezenlijke vriendelijkheid bewees, hij er zichzelf ook een zeer grote vriendelijkheid mee bewees, en daarom wil hij de zaak terstond tot een einde brengen. Het was geen rechtsdag, maar hij kreeg tien mannen uit de oudsten van de stad bij elkaar in de rechtszaal aan de poort, waar de openbare aangelegenheden behandeld werden, vers 2. Waarschijnlijk werd door dit getal een volledig hof gevormd. Hoewel Boaz een rechter was, wilde hij toch geen rechter zijn in zijn eigen zaak maar verlangde hij de medewerking en instemming van andere oudsten. Eerlijke bedoelingen schromen geen openbare kennisneming.
2. Hij roept zijn mededinger om te komen en het voorstel te horen dat hij ging doen, vers 1. "Gij zulk een, zet u hier." Hij heeft hem ongetwijfeld bij zijn naam genoemd, maar de gewijde geschiedschrijver achtte het niet gepast hem te vermelden, want, daar hij geweigerd heeft de gestorvene zaad te verwekken en dus diens naam in wezen te houden, was hij niet waard dat zijn naam voor de toekomende eeuwen en geslachten in deze geschiedenis bewaard zou blijven. Gods voorzienigheid begunstigde Boaz, door het zo te beschikken dat deze nabestaande juist voorbij kwam, toen de zaak gereed was om hem voorgesteld te worden. Grote zaken worden soms door kleine omstandigheden in de hand gewerkt, waardoor zij vergemakkelijkt en bespoedigd worden.
3. Hij stelt de anderen nabestaande de lossing voor van Naomi's land, dat waarschijnlijk verpand was voor geld om er brood voor te kopen toen de hongersnood in het land was, vers 3. "Naomi verkoopt een stak lands namelijk het recht om het te lossen uit de hand van de pandhouder, waarvan zij afstand wil doen. Of, zoals sommigen denken, het was haar weduwgift gedurende haar leven, en geld nodig hebbende, zou zij haar deel er in goedkoop aan de wettigen erfgenaam willen verkopen, die de geschiktste koper er voorwas.
Hiervan geeft hij wettelijk kennis aan de nabestaande, vers 4, teneinde hem de keus te geven om dit aanbod aan te nemen of af te slaan. Wie het verkreeg, moest er voor betalen en Boaz had kunnen zeggen: "Mijn geld is zo goed als dat van mijn bloedverwant, waarom zou ik, als ik er zin in heb, het niet in stilte kunnen kopen, daar er mij toch het eerst het aanbod van is gedaan, en er aan mijn bloedverwant niets van zeggen?" Neen, hoewel Boaz het wel gaarne zou willen kopen, wil hij toch niets doen, dat als een verkorten van eens anders recht aangemerkt zou kunnen worden en door dit voorbeeld wordt ons geleerd, niet slechts rechtvaardig en eerlijk te zijn, maar ook billijk te zijn in onze handelingen, en niets te doen dat het licht niet mag zien
4. De bloedverwant scheen wel gaarne het land te willen lossen, totdat hem gezegd werd dat, zo hij dit deed, hij ook de weduwe moest huwen, maar toen weigerde hij het. Hij wilde wel gaarne het land hebben, en ging er misschien te gereder op in om het te lossen omdat hij hoopte dat de arme weduwe, die in de noodzakelijkheid was om het te verkopen het hem zeer goedkoop zou afstaan. "Ik zal het lossen, zei hij, "ik zal het van ganser harte lossen," denkende dat het een goede aanwinst zou zijn bij zijn eigen bezitting, vers 4. Maar Boaz zei hem dat er ook een jonge weduwe bij was betrokken, en zo hij het land nam, moest hij haar er bij nemen. "Terra transit cum onere-De bezitting gaat over met de daaraan verbonden verplichting." Of de Goddelijke wet, of het gebruik des lands, zou hem er toe verplichten, of wel Naomi wilde het land alleen onder deze voorwaarde verkopen, vers 5.
Sommigen denken dat dit geen betrekking heeft op de wet voor het huwen van de weduwe eens broeders (want die schijnt slechts verplichtend voor de kinderen van eenzelfden vader, Deuter. 25:5, tenzij het later door het gebruik ook uitgestrekt werd tot de naasten bloedverwant) maar dat het betrekking heeft op de wet voor het losser. van een erfdeel, Leviticus 25:24, 25, want het is een goel, een losser, die hiervoor vereist wordt, en indien dit zo is, dan was het niet door de wet, maar door Naomi's besluit, dat de koper de weduwe moest huwen. Hoe dit nu zij, toen deze nabestaande de voorwaarde van de verkoop hoorde, weigerde hij hem, vers 6. "Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, ik wil er mij op deze voorwaarde niet mee inlaten, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve," het land, dacht hij, zou een verbetering kunnen zijn voor zijn erfdeel, maar niet het land met de vrouw dat zou het schaden. Misschien dacht hij dat het een verkleining voor hem zou wezen om zo'n arme weduwe te huwen, die van een vreemd land was gekomen en schier van aalmoezen moest leven, hij verbeeldde zich dat het een blaam zou wezen voor zijn geslacht het zou zijn bloed verderven en zijn nageslacht onteren, in zijn oog konden haar grote deugden daar niet tegen opwegen. De Chaldeeuwse paraphrast geeft als reden voor zijn weigering dat hij al een andere vrouw had, en als hij Ruth er bij zou huwen, dan zou dit slechts twist en onenigheid brengen in zijn gezin, en dat zou het lieflijke van zijn erfdeel verderven. Of hij dacht dat zij hem veel kinderen zou schenken, en dat deze allen een deel van zijn erfenis zouden verwachten, waardoor zij over te veel handen verstrooid zou worden, zodat zijn geslacht dan veel minder aanzien zou hebben. Dit maakt velen bevreesd voor de grote verlossing, zij willen de Godsdienst niet omhelzen, zij hebben er veel goeds van gehoord, en hebben er niets tegen te zeggen, zij hebben er zelfs een goed woord voor over, maar terwijl zij er hun goed woord aan geven, zijn zij toch bereid om er van te scheiden, en kunnen er zich niet aan gebonden houden, uit vrees van hun eigen erfdeel in deze wereld te verderven. Zij zouden wel gaarne in de hemel willen komen, maar heiligheid kunnen zij wel missen, die zou toch ook niet overeenkomen met de lusten, die zij reeds omhelsd hebben, en dus: laat wie wil de hemel kopen op die voorwaarden, zij kunnen het niet.
5. Het recht om te lossen is nu duidelijk aan Boaz afgestaan. Indien deze opgenoemde nabestaande een goeden koop verloor, een goede bezitting en ook een goede huisvrouw, dan heeft hij dit zichzelf te danken, daar hij er niet beter over nagedacht heeft, en Boaz zal hem dankbaar zijn, omdat hij de weg voor hem geëffend heeft tot datgene, wat hij boven alles waardeerde en begeerde. In die oude tijden was het niet, zoals later, de gewoonte om de overdracht van goederen in geschrifte te doen plaatshebben, Jeremia 32:10. en verv., maar het geschiedde door het een of andere teken, de een of andere plechtigheid, zoals bij ons door inbezitstelling, zoals wij dit gewoonlijk noemen dat is: door overgave van het bezit het bezit van een huis door de sleutel er van te geven, van land door het "even van een zode en een takje. De ceremonie, die hier gebruikt werd, bestond daarin dat hij, die de zaak overgaf, zijn schoen uittrok, (de Chaldeer zegt: het was de handschoen van zijn rechterhand.) en hem gaf aan de persoon, aan wie hij het land afstond, hiermede te kennen gevende dat, welk recht hij ook had om op dit land te gaan of het te betreden, hij het hiermede voor de bepaalden prijs aan de koper afstond.
Dit was tot een getuigenis in Israël, vers 7, en het werd ook hier in deze zaak gedaan, vers 8. Indien deze nabestaande door de wet verplicht was Ruth te huwen, en zijn weigering een minachting ware geweest van die wet, dan had Ruth hem zijn schoen moeten uittrekken en in zijn aangezicht moeten spuwen, Deuter. 25:9. Maar hoewel zijn bloedverwantschap hem enigermate hiertoe kon verplichten. kon toch de verre graad dier bloedverwantschap hem van die straf ontheffen, of Ruth kon er zeer gaarne van afzien, daar zijn weigering alles was wat zij van hem begeerde. Maar bisschop Patrick, en met hem de beste Schriftuitleggers, denkt dat dit geen betrekking had op die wet, en dat het uittrekken van de schoen hier niet, zoals daar, een schande was, maar een teken tot bevestiging van de afstand en een bewijs dat het land niet door bedrog of op slinkse wijze was verkregen. Het rond en open handelen in alle zaken van contract of koophandel is hetgeen door allen betracht moet worden, die zich willen betonen als ware Israëlieten, in wie geen bedrog is. Hoeveel meer eerlijk komt Boaz nu aan deze koop, dan wanneer hij zijn bloedverwant had zoeken te onderkruipen, of buiten hem om heimelijk met Naomi de koop had gesloten. Eerlijkheid zal bevonden worden de beste staatkunde te zijn.