Handelingen 14:1-7
In deze verzen hebben wij:
I. De prediking van het Evangelie te Iconium, werwaarts de apostelen gedwongen waren zich van Antiochië heen te begeven. Evenals "het bloed der martelaren het zaad der kerk is geweest", zo heeft de verbanning van de belijders er toe bijgedragen om dat zaad uit te strooien. Merk op:
1. Hoe zij de eerste aanbieding van het Evangelie hebben gedaan aan de Joden in hun synagogen. Dáár gingen zij heen, niet als tot ene plaats van bijeenkomst, maar met het doel hen te ontmoeten, tot wie zij, overal waar zij kwamen, zich in de eerste plaats moesten wenden. Hoewel de Joden te Antiochië hen barbaars hadden behandeld, hebben zij daarom toch niet geweigerd het Evangelie te prediken aan de Joden te Iconium, die wellicht beter gezind waren. Gene gemeenschap, welke het ook zij, moet zo maar in het algemeen veroordeeld worden, en niemand moet lijden om de schuld van anderen, maar laat ons goed doen aan hen, die ons kwaad hebben gedaan.
Bloedgierige lieden haten den vrome, maar de oprechten zoeken zijne ziel, Spreuken 29:10, zoeken haar heil, en zij zoeken ook het heil der zielen van hun haters en vervolgers.
2. Hoe de apostelen hierin samen stemden, er wordt nota van genomen, dat zij te zamen gingen in de synagoge der Joden, om van hun eenstemmigheid en wederzijdse genegenheid te getuigen, opdat men zou kunnen zeggen: Zie, hoe lief zij elkaar hebben, en er des te beter van het Christendom om zou denken, alsmede, om elkanders handen te sterken, en elkanders getuigenis te bevestigen, en opdat uit den mond van twee getuigen alle woord besta. Zij gingen niet, de een den een dag en de ander op een anderen dag, of de een aan het begin, en de ander ene poos daarna, neen, zij gingen beiden te zamen.
II. Den zegen op hun prediking aldaar, het geschiedde te Iconium, dat zij te zamen gingen in de synagoge der Joden, en alzo spraken, dat ene grote menigte, enige honderden misschien, zoal niet enige duizenden, beiden van Joden en Grieken, dat is: van de Heidenen, geloofde. Merk hier op:
1. Dat nu het Evangelie aan Joden en Heidenen te zamen gepredikt werd, en diegenen uit iedere gemeenschap, die geloofden, kwamen te zamen ter Godsverering. Aan het einde van het vorige hoofdstuk werd eerst gepredikt tot de Joden, en sommigen van hen geloofden, daarna tot de Heidenen, en sommigen uit hen geloofden, maar hier zijn zij samengevoegd, worden zij op dezelfden rang geplaatst. De Joden hebben hun voorrang niet dermate verloren, dat zij achteraan komen, maar de Heidenen worden hun gelijk gesteld, beiden zijn met God in een lichaam verzoend, Efeze 2:16, en beiden te zamen worden zonder onderscheid in de gemeente toegelaten.
2. Er schijnt in de wijze van prediken van de apostelen aldaar iets merkwaardigs te zijn geweest, dat bijgedragen heeft tot hun succes, zij spraken alzo, dat ene grote menigte geloofde, zo duidelijk, zo overtuigend, met zulk ene blijkbaarheid en betoning des Geestes en der kracht, zij spraken met zoveel warmte, met zo hartelijke liefde, met zulk een blijkbare zorge over, en belangstelling in, de zielen der mensen, zij spraken alzo, dat men kon bemerken, niet alleen, dat zij overtuigd waren van, maar vervuld waren met, de dingen, waarvan zij spraken, en dat hetgeen zij spraken uit het hart kwam, en dus waarschijnlijk tot het hart zou komen, zij spraken alzo, zo vurig en ernstig, zo vrijmoedig en zo stoutmoedig, dat zij, die hen hoorden, niet anders konden zeggen dan: Waarlijk, God was met hen! Toch moet de voorspoed, de zegen, niet toegeschreven worden aan hun wijze van prediken, maar aan den Geest van God, die van dat middel gebruik heeft gemaakt.
III. Den tegenstand, die hun prediking aldaar ontmoet heeft, en den last die hun daardoor veroorzaakt werd. Opdat zij zich door de menigte hunner bekeerlingen niet zouden verheffen, was hun deze doorn in het vlees gegeven.
1. Ongelovige Joden waren de eerste oorzaak van hun moeilijkheid, hier, zoals elders, vers 2. Zij verwekten de Heidenen. Gelijk de invloed, dien het Evangelie op vele Heidenen uitoefende, zodat zij het aannamen, sommigen van de Joden tot ene heilige jaloersheid heeft verwekt, en hen bewoog het Evangelie ook aan te nemen, Romeinen 11:14, zo heeft dit bij anderen ene boze jaloersheid verwekt, en hen in toorn ontstoken tegen het Evangelie. Zo zijn goede leringen, evenals goede voorbeelden, voor sommigen ene reuke des levens ten leven, en voor anderen ene reuke des doods ten dode. Zie 2 Corinthiërs 2:15, 16.
2. Ongenegene Heidenen, geprikkeld door ongelovige Joden zijn waarschijnlijk de werktuigen geweest om hun deze moeite aan te doen. Door leugenachtige ideeën, die zij den Heidenen voortdurend toefluisterden, verbitterden zij hun zielen tegen de broeders, van wie zij zelven genegen waren gunstig te denken. Zij gingen overal heen, bij allen, met wie zij slechts enigszins bekend waren, om alles tot hen te zeggen wat hun vernuft of hun kwaadwilligheid kon bedenken, om hun niet alleen een gering, maar een slecht denkbeeld te geven van het Christendom, hun zeggende, dat het voorzeker verderfelijk zou zijn voor hun Heidense godenleer en eredienst, en dat zij voor zich, liever Heidenen dan Christenen zouden zijn. Aldus verzuurden en verbitterden zij hun geest beide tegen de bekeerders en de bekeerden. Door hun giftige tongen heeft de oude slang zijn venijn tegen het zaad der vrouw in het hart dezer Heidenen doen doordringen, en dit werd een wortel der bitterheid in hen, die gal en alsem droeg. Het is niet te verwonderen, dat zij, die vrome mensen kwalijk genegen zijn, hun kwaad toewensen, kwaad van hen spreken, en kwaad tegen hen beramen, het komt alles voort uit kwaadwilligheid. Ekakoosan, zij kwelden den geest der Heidenen, vielen hen lastig, zoals sommigen van de critici het opvatten, zij vielen hen voortdurend lastig met hun ongepaste aanzoeken. Zij, die zich als werktuigen van vervolgers laten gebruiken, leiden een hondenleven, zij worden voortdurend aangehitst.
IV. Hun voort arbeiden aldaar in weerwil van dezen tegenstand, en hoe God hun getuigenis gaf, vers 3. Wij zien hier:
1. Hoe de apostelen arbeidden voor Christus, naarstig en getrouw, naar de opdracht, die hun gegeven was. Daar de Heidenen tegen hen verbitterd waren, zou men denken, dat zij zich teruggetrokken zouden hebben, en hun spoedig uit den weg zouden gegaan zijn, of, zo zij al predikten, toch grote omzichtigheid daarbij zouden hebben in acht genomen uit vreze van diegenen nog meer te prikkelen, die reeds zo zeer in toorn tegen hen waren ontstoken. Maar neen, juist daarom verkeerden zij aldaar een' langen tijd, vrijmoediglijk sprekende in den Heere. Hoe meer zij de spijt en wrok van de stad bespeurden tegen de nieuw bekeerden, hoe meer zij zich voelden gedrongen om voort te gaan met hun werk, en hoe nodiger zij het vonden om in hun midden te blijven, ten einde hen te bevestigen in het geloof en hen te ver- troosten. Zij spraken vrijmoediglijk, en waren niet bevreesd om hierdoor ergernis te geven aan de ongelovige Joden. Wat God gezegd heeft tot den profeet in betrekking tot de ongelovige Joden van zijn tijd, werd nu vervuld aan de apostelen: Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hun aangezichten, Ezechiël 3:7-9. Doch let op hetgeen hen kloekmoedig maakte: Zij spraken vrijmoediglijk in den Heere, in Zijne kracht, op Hem vertrouwende om hen door te helpen, en niet steunende op iets in hen zelven.
Zij waren krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.
2. Christus heeft medegewerkt met de apostelen, overeenkomstig Zijne belofte: Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen. Toen zij voortgingen in Zijn naam en Zijne kracht, heeft Hij niet gefaald getuigenis te geven aan het woord Zijner genade. Het Evangelie ís een woord van genade, de verzekering van Gods welbehagen in ons, en het middel van Zijn goed werk in ons. Het is het woord van Christus, genade, want het is alleen in Hem, dat wij gunst vinden bij God. Christus zelf heeft getuigd van dit woord, Hij, die de Amen, de getrouwe Getuige is, Hij heeft ons verzekerd, dat het het woord is van God, en dat wij er onze zielen op kunnen wagen. Gelijk het in het algemeen van de eerste predikers van het Evangelie gezegd werd, dat de Heere met hen mede wrocht, en het woord bevestigde door tekenen, die daarop volgden, Markus 16:20, zo wordt het in het bijzonder gezegd van de apostelen hier, dat de Heere hun getuigenis bevestigde, en gaf dat tekenen en wonderen geschiedden door hun hand, wonderen, die zij wrochten in het rijk der natuur, en wonderen, gedaan door hun woord, en nog grotere wonderen, in het hart, het gemoed der mensen, gedaan door de kracht der Goddelijke genade. De Heere was met hen, wijl zij met Hem waren, en zo werd zeer veel goed gedaan.
V. De verdeeldheid, welke hierdoor teweeggebracht werd in de stad, vers 4. De menigte der stad werd verdeeld in twee partijen, beiden zeer werkzaam en krachtig. Onder de oversten en personen van rang en onder het gewone volk waren er sommigen, die het hielden met de ongelovige Joden, en anderen, die het hielden met de apostelen. Barnabas wordt hier een apostel geacht, hoewel niet een der twaalven, en niet op zo buitengewone wijze geroepen als Paulus, maar omdat hij door bijzondere aanwijzing des Heiligen Geestes tot den dienst onder de Heidenen was afgezonderd. Deze prediking van het Evangelie schijnt zo zeer de algemene aandacht te hebben getrokken, dat iedereen, zelfs onder de menigte der stad, er belang in stelde, en er of voor, of tegen was, niemand bleef onzijdig of onverschillig. "Of voor ons, of voor onze tegenstanders, voor God, of voor Baäl, voor Christus of voor Beëlzebub,'.
1. Wij kunnen hier de betekenis zien van Christus, voorzegging, dat Hij niet gekomen was om vrede te geven op de aarde, maar veeleer verdeeldheid, Lukas 12:51-53. Indien allen eenstemmig Zijne maatregelen hadden willen aannemen, dan zou er ene algemene eensgezindheid zijn geweest, en, zo de mensen hierin overeen hadden kunnen komen, er zou gene gevaarlijke verdeeldheid of onenigheid onder hen hebben geheerst in andere dingen, maar door verschil ten opzichte van die dingen werd de breuke zo wijd gemaakt als de zee. Toch moeten de apostelen er niet om gelaakt worden, dat zij te Iconium gekomen zijn, wijl voor hun komst de stad verenigd was, terwijl er nu verdeeldheid heerste: want het is beter dat een deel der stad naar den hemel gaat, dan dat allen naar de hel gaan.
2. Hieruit kunnen wij afleiden wat wij te verwachten hebben. Laten wij het dus niet vreemd vinden, als de prediking van het Evangelie verdeeldheid teweegbrengt, en er niet aan geërgerd worden. Het is beter gesmaad en vervolgd te worden als zaaiers van verdeeldheid, omdat wij tegen den stroom op zwemmen, dan ons door den stroom te laten medevoeren, die ten verderve voert. Laat ons het houden met de apostelen, en hen niet vrezen, die het met de ongelovige Joden houden.
VI. Den aanslag tegen de apostelen beraamd door hun vijanden. Hun kwaadwilligheid openbaarde zich ten laatste in gewelddadigheid, vers 5. Merk op,
1. Wie er de ontwerpers van waren: beiden de Heidenen en de Joden met hun oversten. De Heidenen en de Joden waren in vijandschap met elkaar, maar toch verenigd tegen de Christenen, zoals Herodes en Pilatus, d e Sadduceeën en de Farizeeën tegen Christus waren verenigd, en gelijk van ouds Gebal en Ammon, en Amalek tegen Israël. Indien de vijanden der kerk zich aldus verenigen tot haar verderf, zullen dan niet hare vrienden, alle persoonlijke veten ter zijde leggende, zich verenigen tot haar behoud?
2. Wat het plan was, dat zij beraamd hadden. Daar zij nu de oversten op hun zijde hadden, twijfelden zij er niet aan, of zij zouden hun doel bereiken, en hun doel was, den apostelen smaadheid aan te doen, hun openlijk schande aan te doen, en hen dan te stenigen, hen ter dood te brengen, en zo hoopten zij hun zaak ten gronde te doen gaan. Hun bedoeling was hen zowel van hun goeden naam als van hun eer te beroven, en dat was alles wat zij hadden te verliezen, want zij bezaten noch akkers noch goederen, die hun konden ontnomen worden.
VII. De verlossing der apostelen uit de handen van deze ongeschikte en boze mensen, vers 6, 7. Op het bericht, dat hun gegeven werd van den aanslag, die tegen hen werd gesmeed, of bij het begin der uitvoering er van, dat zij spoedig bemerkten, gingen zij weg, hebben zij zich op eervolle wijze teruggetrokken, (want het was gene schandelijke vlucht) naar Lystra en Derbe, en daar
1. Vonden zij veiligheid. Hun vervolgers in Iconium waren voor het ogenblik tevreden gesteld, daar zij uit hun landpalen verdreven waren, en zo hebben zij hen dan niet verder vervolgd. God heeft veilige toevluchtsoorden voor Zijn volk in een storm, ja Hij is zelf hun Verberging, en zal dit altijd voor hen blijven.
2. Zij vonden werk, en dat was het, waarvoor zij er heen zijn gegaan. Toen de deur des woords voor hen gesloten was te Iconium, werd zij hun geopend te Lystra en Derbe. Naar deze steden zijn zij heengegaan, en dáár en in het omliggende land hebben zij het Evangelie verkondigd. In tijden van vervolging kunnen de Evangeliedienaren wel eens reden vinden om ene plaats te verlaten, zonder daarom van hun arbeid af te laten.