Spreuken 1:20-33
Salomo had aangetoond hoe gevaarlijk het is om naar de verzoekingen van Satan te luisteren, en nu toont hij aan hoe gevaarlijk het is om niet te luisteren naar de roepstem van God, waarvan de veronachtzaming ons voor eeuwig zal berouwen.
Merk op:
I. Door wie God ons roept: door de wijsheid. Het is de wijsheid, die buiten roept. Het woord staat in het meervoud, wijsheden, want, gelijk er oneindige wijsheid is in God, zo is er ook de veelvuldige wijsheid Gods, Efeziers 3:10. God spreekt tot de kinderen van de mensen door al de soorten van wijsheid, en gelijk in iedere wil, zo is er ook in ieder woord van God raad.
1. Het menselijk verstand is wijsheid, het licht en de wet van de natuur, de krachten en vermogens van de rede, en het ambt van het geweten, Job 38:36. Door deze spreekt God tot de kinderen van de mensen, en redeneert met hen. De ziel des mensen is een lamp des Heren en waarheen de mensen ook gaan, overal kunnen zij een stem, die achter hen is, horen, zeggende: Dit is de weg, en de stem van het geweten is de stem van God, niet altijd een zachte, stille stem, maar soms roept zij.
2. De burgerlijke regering is wijsheid, zij is de instelling Gods, magistraten zijn Zijn plaatsvervangers. Door David had God tot de onzinnigen gezegd: Weest niet onzinnig, Psalm 75:4. Aan de deuren van de poorten, in het voorste van het gewoel, waar de gerechtshoven hun zittingen hielden, roepen de rechters, de wijsheid des volks, in de naam van God tot de goddelozen, om zich te bekeren en hun leven te beteren.
3. Goddelijke openbaring is wijsheid, al haar voorschriften, al haar wetten zijn zo wijs als de wijsheid zelf. Door het geschreven Woord, door de wet van Mozes, die ons de zegen voorstelt en de vloek, door de lippen van de priesters, die wetenschap bewaren, door Zijn dienstknechten, de profeten, en al de bedienaren van dit Woord maakt God Zijn wil bekend aan de zondaren, waarschuwt Hij hen even duidelijk als hetgeen op de straten of in de gerechtshoven geroepen wordt door de omroepers. In Zijn Woord legt God niet alleen de zaak bloot, meer bespreekt haar met de kinderen van de mensen. Komt dan, en laat ons tezamen richten, Jesaja 1:18.
4. Christus zelf is wijsheid, is wijsheden, want in Hem zijn al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen, en Hij is het middelpunt van alle goddelijke openbaring. Hij is niet slechts de essentieële wijsheid, maar het eeuwige Woord door wie God tot ons spreekt, en aan wie Hij al het oordeel heeft overgegeven, Hij is het dus, die beide bij zondaren pleit, en het vonnis over hen uitspreekt, Hij noemt zichzelf de wijsheid, Lukas 7:35.
II. Hoe en op wat wijze Hij ons roept.
1. Zeer openlijk, opdat allen, die oren hebben om te horen, zullen horen, daar allen welkom zijn om het voordeel voor zich te nemen van hetgeen gezegd is, en allen er belang bij hebben om er acht op te geven. De regelen van de wijsheid worden buiten op de straten bekend gemaakt, niet alleen in de scholen, of in de paleizen van de vorsten, maar in het voorste van het gewoel, onder het gewone volk, dat voorbijgaat aan de deuren van de poorten en in de stad. Het is kostelijk om het net des Evangelies uit te werpen, waar zeer vele vissen zijn, in de hoop dat er dan sommigen in het net besloten zullen worden. Dit werd vervuld in onze Heere Jezus, die openlijk in de tempel heeft geleerd en onder de scharen des volks, en in het verborgen niets heeft gesproken, Johannes 18:20, en Zijn dienaren bevolen heeft om Zijn Evangelie te verkondigen van de daken Mattheus 10:27. God zegt: Ik heb niet in het verborgen gesproken, Jesaja 45:19. Geen spraak of taal is er, waar de stem van de wijsheid niet wordt gehoord. De waarheid zoekt geen hoeken, de deugd schaamt zich niet over zichzelve.
2. Zeer nadrukkelijk en aandoenlijk. Zij roept en roept, als een wie het menens is, Jezus stond en riep. Zij verheft haar stem, laat haar woorden horen met alle mogelijke duidelijkheid en liefde. God begeert gehoord te worden, begeert dat men acht op Hem zal slaan.
III. Waarin de roepstem van God en Christus bestaat.
1. Hij bestraft zondaars wegens hun dwaasheid en hun hardnekkig volharden er in, vers 22.
Merk op:
A. Wie het zijn, die de wijsheid hier bestraft. In het algemeen zijn het onverstandigen, die daarom met recht veracht konden worden, dezulken, die de dwaasheid liefhebben en aan wie men dus met recht zou kunnen wanhopen, maar zelfs bij hen, voor wie wij zo weinig hoop hebben, moeten wij de middelen gebruiken, omdat wij niet weten wat de Goddelijke genade doen zal. Tot drie soorten van personen wordt hier geroepen:
a. Onverstandigen, die het onverstand beminnen. Zonde is onverstand, en zondaren zijn onverstandigen, zij handelen onverstandig, zeer onverstandig, en de toestand van de zodanigen is zeer slecht, die het onverstand beminnen, verzot zijn op hun onverstandige begrippen omtrent goed en kwaad, hun onverstandige vooroordelen tegen de wegen Gods en in hun element zijn als zij iets onverstandigs doen, zich verlustigen in hun eigen misleiding, en zich vleien in hun goddeloosheid.
b. Spotters, die voor zich de spotternij begeren. Hoogmoedige mensen, die er behagen in scheppen om allen te dreigen, die rondom hen zijn, vrolijke lieden, die met de gehele wereld de draak steken, en van alles dat hun voorkomt een grapje maken. Maar het zijn inzonderheid spotters met de Godsdienst, die bedoeld worden de ergsten van de zondaars, die het verachten om zich aan de waarheden en wetten van Christus te onderwerpen en aan de bestraffingen en vermaningen van Zijn Woord, en er trots op zijn, dat zij alles wat heilig en ernstig is ternederwerpen.
c. Zotten, die de wetenschap haten, alleen diegenen zijn vijanden van de Godsdienst, die hem niet recht begrijpen. En het zijn de ergste dwazen, die het haten om onderricht en verbeterd te worden, en een ingewortelde afkeer hebben van ernstige Godsvrucht.
B. Hoe de bestraffing is uitgedrukt. "Hoe lang zult gij dit doen?" Dit geeft te kennen dat de God des hemels de bekering en verbetering van de zondaren begeert, en niet hun verderf, dat Hem hun hardnekkigheid en traagheid zeer mishaagt, dat Hij wacht om genadig te zijn, en bereid is om de zaak met hen te bespreken. 2. Hij nodigt hen om zich te bekeren en wijs te worden, vers 23. En hier:
A. Is het voorschrift duidelijk: Keert u tot Mijn bestraffing. Wij maken geen goed gebruik van de bestraffing, die ons gegeven wordt om hetgeen kwaad is, indien wij er ons niet van afwenden tot hetgeen goed is, want daarvoor werd de bestraffing gegeven. Keert terug tot uw rechte gezindheid, keert terug tot God, keert terug tot uw plicht, bekeert u en leeft.
B. De beloften zijn zeer aanmoedigend. Zij die het onverstand beminnen, bevinden zich onder de zedelijke onmacht om van zin en weg te veranderen, zij kunnen door hun eigen kracht zich niet bekeren, en daarop antwoordt God:
Zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloedig uitstorten, begeeft u er toe om te doen wat gij kunt, en de genade Gods zal met u medewerken, in u werken beide het willen en het doen van hetgeen goed is, en dat gij zonder die genade niet zoudt kunnen doen. Help uzelf en God zal u helpen, strek uw verdorde hand uit, en Christus zal haar versterken en genezen.
a. De werker van deze genade is de Geest, en deze is beloofd: Ik zal ulieden Mijn Geest uitstorten, als olie, als water, gij zult de Geest overvloedig hebben, stromen van levend water, Johannes 7:38. Onze hemelse Vader zal de Heiligen Geest geven aan hen, die er Hem om bidden.
b. Het middel van deze genade is het Woord, dat ons, zo wij het op de rechte wijze aannemen zal bekeren, daarom is er beloofd: Ik zal Mijn woorden u bekend maken, ze niet slechts tot u spreken, maar ze u bekend maken u geven dat gij ze verstaat. Voor een oprechte bekering is bijzondere genade nodig. Maar die genade zal nooit ontzegd worden aan hen, die haar in oprechtheid zoeken en er zich aan onderwerpen.
3. Hij spreekt het vonnis uit over hen, die zich verharden tegen alle middelen en methodes van de genade. Het is zeer vreeslijk, vers 24-32. De opperste wijsheid, de zondaren tot bekering hebbende geroepen, wacht een wijle om te zien welke uitwerking deze roeping zal hebben, Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken niet wat recht is, Jeremia 8:6, en daarom gaat zij er nu toe over om hun te zeggen, wat er het einde van zal wezen.
A. De misdaad wordt opgesomd, en zij is ten hoogste tergend.
Zie wat het is, waarvoor het oordeel tegen onboetvaardige zondaars wordt uitgesproken, in de grote dag, en gij zult zeggen dat zij het verdienen, en dat de Heere er rechtvaardig in is. Het is, in korte woorden, het verwerpen van Christus en van de aanbiedingen van Zijn genade, de weigering om zich te onderwerpen aan de voorwaarden van Zijn genade, aan de voorwaarden van Zijn Evangelie, dat hen verlost zou hebben beide van de vloek van de wet Gods en van de heerschappij van de wet van de zonde.
a. Christus riep tot hen, om hen te waarschuwen voor hun gevaar, Hij heeft Zijn handen tot hen uitgestrekt om hun genade aan te bieden, ja om hen uit hun ellendige toestand te verlossen, Zijn hand uitgestrekt tot hen, opdat zij haar zouden aangrijpen, maar zij weigerden, daar was niemand, die opmerkte. Sommigen waren zorgeloos en onverschillig, sloegen er geen acht op, letten niet op hetgeen tot hen gezegd werd. Anderen waren eigenzinnig, en hoewel zij het niet konden vermijden om de wil van Christus te horen hebben zij toch ronduit geweigerd, vers 24. Zij waren verzot op hun onverstand, en wilden niet verstandig gemaakt worden. Zij waren hardnekkig tegen alle methodes, die aangewend werden om hen van hun boze weg te doen wederkeren. God strekte Zijn hand uit in goedertierenheden, die hun geschonken werden, en als deze niets op hen vermochten, in tuchtigingen, maar het was alles tevergeefs, zij sloegen even weinig acht op de werkingen van Zijn hand als op de. verklaringen van Zijn mond.
b. Christus bestrafte hen en gaf hun raad, bestrafte hen niet slechts voor hetgeen zij verkeerd hadden gedaan, maar ried hen aan om beter te doen (dat zijn bestraffingen van de tucht en blijken van liefde en welwillendheid) maar zij hebben al Zijn raad verworpen, als niet waardig om ter harte genomen te worden, en hebben Zijn bestraffing niet gewild, alsof het beneden hen was om door Hem bestraft te worden, en alsof zij nooit iets gedaan hadden, dat verdiende bestraft te worden, vers 25. Dit wordt herhaald in vers 30. "Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd, maar hem met minachting verworpen. Bestraffing noemden zij smaad, en namen haar verkeerd op, Jeremia 6:10, ja zij hebben al Mijn bestraffingen versmaad, alsof het alles maar scherts was en niet de moeite waard om opgemerkt te worden." Diegenen zijn getekend voor het verderf, die doof zijn voor bestraffing en goede raad.
c. Zij werden vermaand om zich te onderwerpen aan de heerschappij van rede en Godsdienst, maar zij hebben tegen beide gerebelleerd.
Ten eerste. De rede kon hen niet regeren, want zij hebben de wetenschap gehaat, vers 29, het licht van de Goddelijke waarheid gehaat, omdat het hun het kwaad hunner werken toonde Johannes 3:20. Zij haatten het, dat hun gezegd werd hetgeen zij niet dragen konden om te weten.
Ten tweede. De Godsdienst kon hen niet regeren, want zij hebben de vreze des Heeren niet verkozen, maar verkozen liever te wandelen in de weg van hun hart en in het gezicht hunner ogen. Zij werden er toe vermaand om zich God steeds voor ogen te stellen, maar ze gaven er de voorkeur aan, om Hem en Zijn vreze achter hun rug te werpen. Zij, die de vreze des Heeren niet verkiezen, tonen dat zij geen kennis hebben.
B. Het vonnis wordt uitgesproken, en het is voorzeker ten verderve. Zij, die zich niet willen onderwerpen aan Gods regering, zullen gewis omkomen onder Zijn toorn en vloek, en het Evangelie zelf zal hen niet helpen. Zij wilden de weldaad van Gods genade niet aannemen, toen zij hun werd aangeboden, en daarom vallen zij als slachtoffers van Zijn gerechtigheid, Hoofdst. 29:1. Deze bedreigingen zullen ten volle vervuld worden in het oordeel van de grote dag en de eeuwige rampzaligheid van de onboetvaardigen, waarvan echter reeds enige voorproeven zijn in tegenwoordige oordelen.
a. Thans zijn de zondaren in voorspoed en gerust, zij leven op hun gemak, en trotseren de smart. Maar,
Ten eerste. Hun verderf, hun vrees, komt, vers 26. Er zal ziekte komen, de kwalen die zij als de voorboden van de dood zullen vrezen. Andere rampen zullen komen, rampen betreffende hun geest, hun bezittingen, die hen zullen overtuigen van hun dwaasheid om God op een afstand van hen te houden. Ten tweede. Hun rampen zullen hen zeer verschrikken. Zij worden aangegrepen door vrees, en zij denken dat het kwaad nog erger zal worden. Als openbare oordelen uitgaan dan zijn de zondaren te Zion verschrikt, beving heeft de huichelaars aangegrepen, de dood is voor hen de koning van de verschrikking, Job 15:21 en verv., 18:11 en verv., deze vrees zal hun voortdurende kwelling zijn.
Ten derde. Naar hun vrees zal het hun wezen. Hun vrees komt, de zaak, Waarvoor zij bevreesd waren, zal hun overkomen, zij zal komen gelijk een verwoesting, als een geweldige vloed, alles voor zich heen wegvagende, het zal hun verderf, hun algeheel verderf wezen, en het zal komen als een wervelwind, die plotseling en met geweld alles als kaf voor zich henen drijft. Zij, die de vreze Gods niet tot zich willen toelaten, zijn open en bloot voor alle andere vrees, en hun vrees zal blijken niet zonder oorzaak te wezen.
Ten vierde. Hun vrees zal dan overslaan in wanhoop, benauwdheid en angst zullen hun overkomen, want, gevallen zijnde in de put, waarvoor zij bevreesd waren, zullen zij geen weg ter ontkoming zien, vers 27. Doodsbenauwdheid heeft mij aangegrepen, roept Saul, 2 Samuël 1:9, en in de hel is wening en knersing van de tanden van angst en benauwdheid, verdrukking en benauwdheid over de ziel van de zondaar, de vrucht van de verbolgenheid en toorn van de rechtvaardigen God, Romeinen 2:8, 9.
b. Thans heeft God nog medelijden met hun dwaasheid, maar dan zal Hij lachen in hun verderf, vers 26. "Ik zal lachen in uw verderf, zoals gij gelachen hebt om Mijn raad. Zij, die spotten met de Godsdienst, zullen zich daardoor slechts voor geheel de wereld bespottelijk maken, de rechtvaardigen zullen over hen lachen, Psalm 52:8 want God zelf zal het doen. Het geeft te kennen dat zij voor eeuwig buitengesloten zullen zijn van Gods ontfermingen, zij hebben zolang tegen de genade gezondigd, dat zij haar nu weggezondigd hebben, Zijn oog zal niet verschonen en niet sparen. Ja meer, Zijn gerechtigheid verheerlijkt zijnde in hun verderf, zal Hij er een welgevallen aan hebben, hoewel Hij thans zou willen dat zij zich bekeren en leven. O wee! Ik zal Mij troosten over Mijn wederpartijders.
c. Thans is God nog bereid om hun gebed te horen, en hun genade te betonen, indien zij er Hem slechts voor wilden zoeken maar dan zal de deur gesloten zijn en zullen zij tevergeefs roepen, vers 28. Dan, als het te laat is, zullen zij tot Mij roepen: Heere, Heere, doe ons open. Dan zouden zij gaarne de genade aannemen, die zij nu verwerpen en gering achten, maar Ik zal niet antwoorden, omdat zij, toen Ik riep, niet geantwoord hebben, al het antwoord dat zij dan ontvangen, zal slechts wezen: Wijkt van Mij, Ik ken u niet. Dit is het geval geweest van sommigen, zelfs in dit leven, zoals van Saul, die God niet antwoordde door de urim, noch door de profeten, maar gewoonlijk is er, zolang er nog leven is, plaats voor het gebed en hoop op verhoring, en daarom moet dit zien op de gedenkwaardige gerechtigheid van het laatste oordeel. Dan zullen zij, die God veronachtzaamd hebben, Hem vroeg zoeken, Hem ernstig zoeken, maar tevergeefs, zij zullen Hem niet vinden, omdat zij Hem niet zochten, terwijl Hij te vinden was, Jesaja 55:6. De rijke man in de hel bad, maar werd afgewezen.
d. Nu zijn zij zeer belust op hun eigen weg en hun eigen raadslagen, maar dan zullen zij er genoeg van hebben, vers 31, naar het spreekwoord: Laat de mensen drinken wat zij gebrouwen hebben zullen zij eten van de vrucht huns wegs, hun loon zal wezen naar hun werk, en naar hun keus was, zo zal hun oordeel wezen, Galaten 6:7, 8. Er is in de zonde een natuurlijke neiging tot verderf, Jakobus 1:15. De zondaren zijn gewis rampzalig, zo zij slechts van de vrucht huns eigen wegs eten. Zij, die omkomen, hebben het zichzelf te wijten, en kunnen er niemand anders de schuld van geven. Het is hun eigen raadslag, laat hen er op roemen. God verkiest het loon hunner handelingen, Jesaja 66:4.
e. Thans laten zij zich voorstaan op hun wereldse voorspoed, maar dan zal die bijdragen om hun verderf te verzwaren, vers 32.
Ten eerste. Nu zijn zij er hoogmoedig op, dat zij zich kunnen afwenden van God en zich ontdoen kunnen van de teugels en banden van de Godsdienst maar juist dit zal hen doden, de herinnering er aan zal hen dodelijk in het hart treffen.
Ten tweede. Thans zijn zij trots op hun gerustheid en zinnelijkheid, maar de afkering van de onverstandigen zal hen doden en de voorspoed van de zotten zal hen verderven-hoe geruster zij zijn, hoe zekerder en hoe schrikkelijker hun verderf zal wezen, door zich op te blazen van hoogmoed, hun hart vast te kleven aan de wereld, voorzien zij in brandstof voor hun lusten, en verharden zij hun hart in hun boze wegen.
4. Hij besluit met een verzekering van veiligheid en zaligheid aan allen, die zich aan de lering en tucht van de wijsheid onderwerpen vers 33. Die naar mij hoort en zich door mij laat regeren zal:
a. Veilig: wezen, hij zal onder de bijzondere bescherming des hemels zeker wonen, zodat niets hem werkelijk kan deren.
b. Hij zal gerust zijn, geen ontrustende vrees hebben voor gevaar, hij zal niet slechts veilig zijn voor kwaad, maar gerust zijn van de vrees des kwaads. Al wankelde de aarde zullen zij toch niet vrezen. Willen wij veilig wezen voor gevaar en gerust voor de vrees er van? Laat dan steeds de Godsdienst ons besturen en het Woord van God onze raadsman zijn. Dat is het middel om veilig te wonen in deze wereld, en gerust te zijn van de vrees des kwaads in de andere wereld.