Richteren 1:21-36
Hier wordt ons gezegd op welke voet de overige stammen stonden met de Kanaänieten, die nog overgebleven waren.
I. Benjamin liet na de Jebusieten te verdrijven uit dat deel van de stad Jeruzalem, dat tot zijn lot behoorde, vers 21. Jozua had hem een goed voorbeeld gegeven, en hem, door hetgeen hij deed, grote voordelen bezorgd, vers 9, maar door gebrek aan vastberadenheid heeft hij er geen goed gebruik van weten te maken.
II. Het huis van Jozef heeft enige moeite gedaan, om bezit te krijgen van Beth-El, vers 22. Die stad wordt vermeld in de stam van Benjamin, Jozua 18:22 s. Maar daar wordt er van gesproken, vers 13, als van een stad in de landpale van die stam, en het schijnt dat de lijn er door heenging, zodat de ene helft behoorde aan Benjamin, en de andere helft aan Efraïm, en misschien heeft de werkzaamheid van de Efraïmieten in die tijd, en de moeite, die zij deden om haar aan de Kanaänieten te ontrukken, haar voor goed voortaan aan hen verzekerd of tenminste het grootste gedeelte er van, want later vinden wij haar zozeer in de macht van de tien stammen, (en Benjamin behoorde niet tot deze) dat Jerobeam er een van zijn kalveren heeft opgericht. In dit bericht van de krijgstocht van de Efraïmieten tegen Beth-El valt op te merken:
1. Hun deel in de Goddelijke gunst. De Heere was met hen, en zou met de stammen geweest zijn, indien zij slechts hun kracht hadden willen gebruiken. De Chaldeër geeft hier, evenals in vele andere plaatsen de lezing: het Woord des Heeren was hun Helper, namelijk Christus zelf, de Vorst van het heir des Heeren, nu zij afzonderlijk handelden, zowel als toen zij allen tezamen optrokken.
2. De wijze maatregelen, die zij namen om de stad in hun bezit te krijgen. Zij zonden verspieders om waar te nemen welke zijde van de stad het zwakst was, of langs welke weg zie met de besten uitslag hun aanval er op konden doen, vers 23. Deze verspieders verkregen zeer goede inlichtingen van een man die zij onder de leiding van Gods voorzienigheid hebben ontmoet, en die hun een geheime weg wees naar de stad, en die deswege onbewaakt was want daar hij niet algemeen bekend was, werd van die zijde geen gevaar verwacht.
a. Die man is niet te laken, omdat hij hun die inlichting gaf, indien hij het gedaan heeft uit overtuiging dat de Heere met hen was, en dat het land hun door Zijn schenking van rechtswege toekwam, evenmin als Rachab te laken was omdat zij hen geherbergd heeft, die zij wist vijanden van haar land te zijn, maar vrienden van God.
b. En zij, die weldadigheid bij hem gedaan hebben, hem en zijn gezin niet slechts het leven hebben geschonken, maar ook de vrijheid om te gaan waar zij wilden, zijn ook niet te laken, want de een goede dienst is de andere waard. Het schijnt echter dat hij zich niet bij het volk van Israël wilde voegen, hij heeft hen meer gevreesd dan bemind, en daarom vertrok hij naar een nederzetting van de Hethieten, die naar Arabië schijnen getogen te zijn, en zich, nadat Jozua in het land was gevallen, daar gevestigd hebben. Bij hen verkoos deze man te wonen, en bij hen bouwde hij een stad, een kleine, naar wij kunnen denken, zoals planters ze plegen te bouwen, en in de naam, die hij er aan gaf, bewaarde hij de oude naam van zijn geboortestad, Luz, een amandelboom, daaraan de voorkeur gevende boven die, welke met Godsdienst in verband stond, Beth-El, het huis Gods. 3. Hun welslagen: de verspieders brachten, of zonden, bericht van de inlichting, die zij verkregen hadden, aan het leger, dat gebruik maakte van dit voordeel, de stad bij verrassing innam en de inwoners sloeg met de scherpte des zwaards, vers 25. Buiten deze krijgsverrichting schijnen de kinderen van Jozef echter niets bijzonders gedaan te hebben.
a. Manasse bleef in gebreke om de Kanaänieten uit te drijven van verschillende gewichtige steden in zijn lot, en heeft generlei aanval op hen gedaan vers 27. Maar de Kanaänieten, in het bezit zijnde, waren besloten er niet uit weg te gaan zij wilden wonen in dat land, en Manasse had geen moed genoeg om te pogen hen te verdrijven, alsof er niets tegen hen te beginnen of uit te richten was, of zij moesten bereid zijn heen te gaan en hun het land over te laten, hetgeen van hen niet te verwachten was. Alleen als Israël sterk werd, wonnen zij terrein, en dan maakten zij hen belastingplichtig, vers 28, 35.
b. Ook Efraïm, hoewel een machtige stam, verzuimde Gezer, een aanzienlijke stad, te nemen, en liet de Kanaänieten toe in zijn midden te wonen, vers 29, hetgeen, naar sommigen denken, aanduidt dat de Efraïmieten hun een rustige vestiging toestonden, met de voorrechten van een niet overwonnen volk, daar zij hen niet eens belastingplichtig maakten.
III. Zebulon, misschien neigende naar de zeehandel, want van hem was voorzegd dat hij een haven zou zijn voor schepen, verzuimde om Kitron en Nahalol tenonder te brengen vers 30, en heeft de inwoners van die plaatsen slechts belastingplichtig gemaakt.
IV. Aser heeft zich het slechtst van allen van zijn plicht gekweten, vers 31, 32, daar hij niet alleen meer steden in de handen van de Kanaänieten liet dan de anderen, maar zich aan de Kanaänieten onderwierp inplaats van hen belastingplichtig te maken, want de wijze van uitdrukking geeft te kennen dat de Aserieten woonden onder de Kanaänieten, alsof de Kanaänieten het talrijkst waren en ook het machtigst, en nog altijd heren en meesters van het land wilden zijn, en de Israëlieten slechts onder hen duldden.
V. Ook Nafthali liet de Kanaänieten toe in zijn midden te wonen, vers 33, slechts langzaam en trapsgewijze heeft hij hen schatplichtig gemaakt.
Vl. Dan was er zover van af om zijn veroveringen uit te breiden waar zijn lot lag, dat hij, geen moed hebbende om aan de Amorieten het hoofd te bieden, door hen gedwongen werd om zich terug te trekken op het gebergte, en de steden aldaar bewoonde, maar zich niet in de vlakte durfde wagen, waar waarschijnlijk de ijzeren wagens waren, vers 34. Ja zelfs hielden sommige steden op het gebergte het tegen hen uit, vers 35. Aldus werden de Danieten beperkt in hun bezittingen, en gedwongen om meer ruimte te zoeken te Laïs, dat ver weg was gelegen, Hoofdstuk 18:1 en verv. In Jakobs zegen wordt Juda vergeleken bij een leeuw, Dan bij een slang, en zie nu hoe Juda zich met zijn leeuwemoed voorspoed heeft verworven en overmocht heeft, terwijl Dan met al zijn slangen- arglistigheid geen veld kon winnen, list en behendigheid doen niet altijd de grote daden, die zij beweren te doen. En hetgeen waarin nu Dan tekort schoot, schijnen. zijn naburen, de Efraïmieten ten dele voor hem gedaan te hebben, zij hebben de Amorieten belastingplichtig gemaakt, vers 35. Over het geheel schijnt dus het volk van Israël zeer laks en onverschillig te zijn geweest beide ten opzichte van hun plicht en van hun belang in deze zaak, zij deden niet wat zij hadden kunnen doen om de Kanaänieten uit te drijven en zich ruimte te verschaffen.
1. Dit was te wijten aan hun traagheid en lafhartigheid, zij wilden zich de moeite niet getroosten om hun overwinningen te voltooien. Evenals de luiaard, die droomde van een leeuw op de weg, een leeuw in de straten, stelden zij zich onoverkomelijke moeilijkheden voor, en lieten zich door winden en wolken wegschrikken van te zaaien en te oogsten.
2. Het was te wijten aan hun geldgierigheid, van de Kanaänieten arbeid en geld zouden hun meer goed doen (dachten zij) dan hun bloed, en daarom waren zij bereid hen in hun midden te laten wonen, teneinde een hand van hen te maken.
3. Zij hadden de vrees niet voor en de afschuw niet van afgoderij, die zij moesten hebben. Zij vonden het jammer om deze Kanaänieten uit te roeien, ofschoon de mate hunner ongerechtigheid vol was. Zij dachten dat het geen kwaad kon om hen in hun midden te laten wonen, en dat zij geen gevaar van hen liepen.
4. Hetzelfde wat hun vaderen veertig jaren buiten Kanaän heeft gehouden, hield hen nu buiten het volle bezit er van, en dat was ongeloof. Door wantrouwen in de macht en de belofte van God verloren zij hun voordelen en hebben zij duizenderlei onheil over zich gebracht.