Genesis 9:18-23
Hier is:
I. Noach's gezin en zijn bedrijf. Wederom worden de namen van zijn zonen genoemd, vers 18, 19, als die van welke de gehele aarde overspreid werd. Hieruit blijkt, dat Noach na de vloed geen kinderen meer gehad heeft, geheel de mensheid is uit deze drie voortgekomen. God kan, als het Hem behaagt, de kleinste tot duizend doen worden, en van hen, wier begin gering was, het laatste zeer vermeerderd doen worden. Zo groot is de kracht en de uitwerking van een Goddelijke zegen.
Het bedrijf, waarop Noach zich toelegde, was dat eens landbouwers, hij was een man van de aarde, zoals het Hebreeuws luidt, dat is: een man, die handelt, werkt in de aarde, die de grond in bezit had en hem bearbeidde. Van nature zijn wij allen mensen van de aarde, wij zijn er uit gemaakt, wij leven er op en spoeden er ons heen, velen zijn het op zondige wijze, daar zij aan aardse dingen verslaafd zijn. Door zijn beroep werd Noach er toe geleid om zich met de vruchten van de aarde bezig te houden. Hij begon een akkerman te zijn, dat is: enige tijd nadat hij uit de ark was gegaan, keerde hij terug tot zijn vorig beroep, waarvan hij afgeleid was, eerst door het bouwen van de ark, en later waarschijnlijk door het bouwen van een huis op droog land voor zich en zijn gezin. Gedurende die tijd was hij een timmerman geweest, maar nu begon hij weer een landbouwer te zijn.
Merk hier op, dat Noach, hoewel hij een groot man was, en een goed man, en een oud man, en een rijk man, een man, grotelijks begunstigd door de hemel, en geëerd op aarde, toch geen lui of ledig leven wilde leiden, en ook het landbouwbedrijf niet beneden zich achtte. God kan ons in Zijn voorzienigheid wel een wijle van ons beroep doen weggaan, maar wanneer de reden daartoe niet meer bestaat, dan behoren wij met nederigheid en vlijt er toe weer te keren, en in het beroep, waarin wij geroepen zijn, te blijven bij God, 1 Corinthiërs 7:24.
II. Noach's zonde en schande. Hij plantte een wijngaard, en toen hij zijn wijnoogst had ingezameld, heeft hij waarschijnlijk een dag vastgesteld voor feestelijke vrolijkheid in zijn gezin, had hij zijn zonen en hun kinderen bij zich om zich met hem te verblijden in de benoeming van zijn huis, zowel als in de opbrengst van zijn wijngaard, en wij kunnen onderstellen, dat hij die feestelijkheden ingeleid heeft met een offer ter ere van God. Indien dit nagelaten was, dan was het rechtvaardig, dat God hem aan hemzelf overliet, zodat hij, die niet begonnen is met God, zou eindigen met de beesten, maar wij hopen in liefde, dat de zaak anders stond. En wellicht heeft hij dit feestmaal aangericht met de bedoeling om bij het einde er van zijn zonen te zegenen, zoals Izaak, Hoofdstuk 27:3, 4:Dat ik ete opdat mijn ziel u zegene. Op dit feestmaal dronk hij van die wijn, want wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Maar hij dronk al te gul en vrij, meer dan zijn hoofd op zijn leeftijd kon verdragen, want hij was dronken. Wij hebben reden te denken, dat hij nooit tevoren dronken is geweest, en ook nooit daarna, en zie nu, hoe hij in deze fout overvallen, achterhaald werd. Het was zijn zonde, en een grote zonde, zoveel te erger na zo'n grote uitredding, maar God heeft hem aan hemzelf overgelaten zoals Hij Hizkia aan zichzelf had overgelaten, 2 Kronieken 32:31. en heeft deze misstap door de geschiedenis laten vermelden om ons te leren:
1. Dat het fraaiste schrift, ooit door een mens sedert de val geschreven toch nog vlekken en verkeerde halen heeft. Van Noach was gezegd, dat hij volmaakt was in zijn geslachten, Hoofdstuk 6:9, maar dit toont, dat het bedoeld was van zijn oprechtheid, niet van een zondeloze volmaaktheid.
2. Dat zij, die met waakzaamheid en vastberadenheid in het midden van verzoekingen door Gods genade hun oprechtheid hebben bewaard, door gerustheid en zorgeloosheid en een veronachtzamen van de genade Gods, in zonde zijn gevallen, toen de ure van de verzoeking voorbij was. Noach, die in dronken gezelschap sober was gebleven, is nu dronken in sober gezelschap. Die meent te staan, zie toe dat hij niet valle.
3. Dat wij het nodig hebben om zeer zorgzaam en voorzichtig te wezen, als wij Gods goede gaven overvloedig gebruiken, opdat wij ze niet overdadig gebruiken. Christus' discipelen moeten zich wachten, opdat niet te eniger tijd hun hart bezwaard zal worden, Lukas 21:34.
Het gevolg nu van Noach's zonde was schande. Hij ontblootte zich in het midden van zijn tent, hij was tot zijn schande naakt gemaakt, evenals Adam toen hij verboden vrucht had gegeten. Maar Adam zocht verberging, terwijl Noach zo ontbloot is van gedachte en verstand, dat hij geen bedekking zoekt. Dat was een vrucht van de wijnstok, waaraan Noach niet gedacht heeft. Zie hier het, grote kwaad van de zonde van de dronkenschap.
a. Zij ontbloot de mensen, welke zwakheden of gebreken zij ook hebben, zullen zij in hun dronkenschap verraden, en welke geheimen hun ook toevertrouwd werden, zullen dan gemakkelijk uit hen te krijgen zijn. Dronken portiers houden open poorten.
b. Zij onteert de mensen, en stelt hen bloot aan verachting. Gelijk zij hen toont zo beschaamt zij hen. Als mensen dronken zijn, zeggen en doen zij hetgeen hen, als zij nuchter zijn, zou doen blozen alleen maar om er aan te denken, Habakuk 2:15, 16.
III. Chams onbeschaamdheid en goddeloosheid, vers 22. Hij zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beide broederen daar buiten te kennen. Haar toevallig en onwillekeurig te zien, zou geen misdaad geweest zijn, maar:
1. Hij verlustigde zich in dat gezicht, zoals Edom op de dag zijns broeders gezien heeft, met welgevallen en belediging, Obadja:.12. Misschien is Cham zelf soms dronken geweest en was hij er door zijn Godvruchtige vader om bestraft, en deed het hem daarom nu genoegen, hem aldus overwonnen te zien. Het is iets geheel gewoons, dat zij, die zelf op verkeerde wegen wandelen, zich zullen verheugen over de misstap, die anderen soms maken. Maar de liefde verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, en ware boetvaardigen, die treuren om hun eigen zonden, kunnen zich niet verblijden in de zonden van anderen.
2. Hij gaf het zijn broederen te kennen die buiten waren (op de straat, zoals het Hebreeuwse woord betekent), op een minachtende, spottende wijze, opdat hun vader verachtelijk voor hen zou zijn. Het is zeer slecht:
a. Om van de zonde een scherts te maken, Spreuken 14:9, en opgeblazen te zijn over hetgeen waarover wij veeleer moesten treuren, 1 Corinthiërs 5:2. En:
b. De fouten bekend te maken van anderen inzonderheid van ouders, die wij verplicht zijn te eren. Noach was niet slechts een goed man maar hij is een goede vader voor hem geweest, en dit was wel een zeer laaghartige vergelding voor zijn liefde en zorg. Cham wordt hier de vader van Kanaän genoemd, hetgeen te kennen geeft, dat hij, die zelf vader was, meer eerbied had behoren te hebben voor hem, die zijn vader was.
IV. De vrome zorg van Sem en Jafeth om de schande van hun arme vader te bedekken vers 23. Niet alleen wilden zij zelf haar niet zien, maar zij zorgden er voor, dat niemand anders haar zag, waarin zij ons ten voorbeeld zijn van liefde met betrekking tot anderer zonde en schande. Wij moeten niet slechts niet zeggen: Een verbintenis, met hen, die haar bekend maken, maar zorgzaam zijn om haar te verbergen, of er het beste voorkomen aan te geven, doende zoals wij wensen, dat ons gedaan worde.
1. Er is een mantel van de liefde, om over de gebreken van allen heen te werpen, 1 Petrus 4:8.
2. En er is ook een gewaad van eerbied om over de gebreken te werpen van ouders, of van anderen, die onze meerderen zijn.