1 Corinthiërs 5:1-6
Hier vermeldt de apostel het geval en
I. Maakt hun bekend dat algemeen van hen gezegd wordt, dat een in hun gemeente schuldig staat aan hoererij, vers 1. Het werd in alle plaatsen verhaald tot hun oneer en als een verwijt aan het Christendom. En het was des te laakbaarder omdat het niet kon ontkend worden. Merk op: Ergerlijke zonden van Christenen worden spoedig opgemerkt en overal ruchtbaar gemaakt. Wij moeten voorzichtig wandelen, want veler oog ziet op ons en vele monden zullen tegen ons opengaan zo wij in enige ergerlijke zonde vallen. Dit was geen gewoon geval van hoererij, maar die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, alzo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft, hetzij met haar gehuwd is bij het leven zijns vaders, hetzij haar, bij of na diens leven, tot bijzit genomen heeft. In elk van deze gevallen, moest zijn misdadige omgang met haar hoererij heten, want indien zijn vader overleden ware en hij haar daarna gehuwd had, dan zou het bloedschande geweest zijn, maar geen hoererij of overspel in den letterlijken zin des woords. Maar haar te huwen of tot bijzit te nemen bij zijns vaders leven, ook als deze haar verstoten had, of zij van hem gescheiden was, dat was-om het even of die vrouw zijn eigen moeder was of niet-bloedschennige hoererij. Ongelooflijke slechtheid, noemt Cicero het: zo als ik mijn gehele leven niet gehoord heb, toen ene vrouw had bewerkt dat haar dochter verstoten was, en zij den echtgenoot gehuwd had. Er waren wel voorbeelden van zulke bloedschennige huwelijken onder de heidenen, maar wanneer zij voorkwamen, gaven ze een schok aan ieder deugdzaam en zedelijk man onder hen. Zij konden er niet aan denken zonder schrik, of er over spreken zonder afkeuring en walging. En zo schandelijke misdaad was begaan door een lid van de gemeente te Corinthe, en naar alle waarschijnlijkheid door het hoofd van een hunner partijen, door een voornaam man. Merk op: De beste gemeenten zijn, in dezen staat van onvolmaaktheid, vatbaar voor zeer grote verdorvenheid. Is het wonder dat zo gruwelijke wandaad geduld werd in een apostolische gemeente, een gemeente gesticht door den apostel der heidenen?
II. Hij berispt hen gestreng over hun eigen gedrag in dit geval. Zij waren opgeblazen, vers 2, zij roemden.
1. Misschien beroemden ze zich op dien schandelijken man. Wellicht was hij een man van grote welsprekendheid of diepe geleerdheid, en om die oorzaak zeer geacht, gevolgd en besproken door velen onder hen. Zij waren er trots op dat ze zulk een leider hadden. In plaats van over zijn val rouw te dragen, en zich om zijnentwil te bedroeven, hem te verwerpen en hem uit hun gemeenschap buiten te sluiten, gingen zij voort hem toe te juichen en zich op hem te verhovaardigen. Merk op: Hoogmoed en zelfverheffing zijn dikwijls de grondslag van onze buitensporige achting voor anderen, en dit maakt ons blind voor hun fouten en voor de onze. Ware nederigheid geeft iemand het gezicht en de erkentenis van zijn dwalingen. De hoogmoedige zal zijn fouten bedekken, of trachten zijn ondeugden in schoonheden te veranderen. De Corinthiërs, voor zoveel zij bewonderaars waren van de gaven van dezen hoereerder, zagen zijn afschuwelijke gewoonte over het hoofd of verontschuldigden haar. Of wel:
2. Het kan zijn dat enigen van de tegenovergestelde partij opgeblazen waren. Zij waren er trots op, dat zij staande bleven en trapten hem die viel. Het is een zeer slecht ding zich te verheugen in het wangedrag en de zonden van anderen. Wij moeten hen op het hart dragen, bedroefd over hen zijn, maar ons niet tegen hen opblazen. Waarschijnlijk was dat een gevolg van hun verdeeldheden. De tegenovergestelde partij maakte haar voordeel uit dit schandelijk geval en was er verblijd over. Het is een treurig gevolg van verdeeldheid onder de Christenen, dat die hen geneigd maakt om zich te verheugen in ongerechtigheid. De zonden van anderen behoren ons tot smart te zijn. De gemeenten moeten treuren over het schandelijk gedrag van bijzondere leden, en dezen, zo ze onverbeterlijk blijven, verwijderen. Hij, die deze boze daad bedreven had, moest uit hun midden weggedaan worden.
III. Hier volgt des apostels aanwijzing hoe zij te handelen hadden met dezen schandelijken zondaar. Hij moest afgesneden en den Satan overgegeven worden, vers 3-5. Ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede alsof ik tegenwoordig ware besloten. Dat is: hij had door openbaring en door de wonderdadige gave des onderscheids, hem door den Geest verleend, volkomen kennis van het geval, en was daardoor tot het volgend besluit gekomen, niet zonder bepaalde machtiging door den Heiligen Geest. Hij zegt dit om hen te doen weten dat, ofschoon hij op een afstand was, hij geen onrechtvaardig vonnis velde of oordeelde zonder zo nauwkeurige kennis van de zaak alsof hij tegenwoordig ware. Zij, die wensen rechtvaardige rechters te zijn, hebben zorg te dragen dat ze geen uitspraak doen zonder volkomen kennis en volledige bewijzen. De apostel voegt er bij: hem die dat alzo bedreven heeft. De daad was niet alleen een ergerlijk kwaad op zich zelve en schandelijk tegenover de heidenen, maar er waren sommige bijzondere omstandigheden, die de belediging zeer vergrootten. Hij had door de wijze, waarop ze bedreven werd, de daad verergerd. Wellicht was hij een dienaar, een leraar of een hunner voornaamste mannen. Daardoor waren de gemeente en hare belijdenis des te meer beledigd. Merk op: In de beoordeling van zondaren moet niet alleen gelet worden op de bedreven zonde, maar ook op de omstandigheden die haar verzwaren. Paulus had besloten hem den Satan over te geven, vers 5, en dat wel in den naam van onzen Heere Jezus Christus, door de macht van Christus en in volle vergadering, waar ook de apostel in den geest tegenwoordig zal zijn, dat is door zijn geestelijke gave om op een afstand te kunnen oordelen. Sommigen menen, dat hier alleen sprake is van een gewone afsnijding uit de gemeente en dat "den Satan overleveren tot verderf des vlezes" alleen betekent hem als lid verloochenen en uit de gemeente bannen, opdat hij, daardoor tot berouw gebracht, de lusten des vlezes zou doden. Christus en Satan verdelen de wereld, en zij, die in de zonde leven terwijl ze Christus belijden, behoren een anderen meester toe. Door afsnijding uit de gemeente, den ban, in den naam van Christus, worden ze aan dien meester overgeleverd. De kerkelijke ban is een instelling van Christus en moet in Zijn naam uitgeoefend worden. Het zou moeten gebeuren wanneer gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, in volle vergadering. Hoe meer aanwezigen, des te plechtiger, en hoe plechtiger, des te meer kans van goede uitwerking op den banneling. De kerkelijke ban over erkende en onverbeterlijke zondaren behoort met grote plechtigheid uitgesproken te worden. Dezen, die op zulke wijze zondigen, moeten bestraft worden in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben, 1 Timotheus 5:20. Anderen menen dat de apostel niet van den gewonen ban spreekt, maar van een wonderdadige macht hem verleend, waardoor hij een schandelijk zondaar in de macht des Satans overleveren kon, ten einde door ziekten en kwalen in het lichaam gekweld te worden, waarop dan doelen de woorden: tot bederf des vlezes. In dien zin zou het verderf des vlezes een gelukkig middel kunnen zijn om den geest te behouden. Waarschijnlijk was beiden hier waar. Het was een buitengewoon geval, en de gemeente moest optreden tot uitoefening van den ban, terwijl zij dit deed, verrichtte de apostel een daad van buitengewone macht en gaf hem over aan den Satan, niet tot zijn verderf, maar tot zijn behoud, tenminste tot verderf des vlezes opdat de geest behouden zou worden. Het grote doel van den kerkelijken ban is het geestelijk en eeuwig welzijn van hen, die er door getroffen worden. Het is dat hun geest behouden worde in den dag van den Heere Jezus, vers 6. Toch is het niet enkel in hun belang, dat tegen hen gehandeld moet worden. Want
IV. Hij wijst op het gevaar van besmetting.
Uw roem is niet goed. Weet gij niet dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuurmaakt? Het slechte voorbeeld van een man van rang en naam is zeer verderflijk, het verspreidt besmetting heinde en ver. Dit was waarschijnlijk in deze gemeente het geval. Zie 2 Corinthiërs 12:21. Zij konden daarvan niet onwetend zijn. De ondervinding van de gehele wereld leert het: een schurftig schaap steekt de gehele kudde aan. Een weinig zuurdeeg doortrekt spoedig het gehele deeg. De zorg voor hun reinheid en zelfbewaring behoort de Christelijke gemeenten te nopen tot de verbanning van schandelijke en grote zondaren.