Spreuken 14:9
Elke dwaas zal de zonde bespotten. Ziehier:
1. Hoe goddeloze mensen verhard worden in hun goddeloosheid, zij spotten met de zonden, zij lachen om de zonden van anderen maken zich en hun metgezellen vrolijk over hetgeen, waarover zij behoorden te treuren, en hun eigen zonden beschouwen zij als een geringe, onbeduidende zaak, zowel als zij tot zonde worden verzocht, als wanneer zij haar hebben bedreven, zij noemen kwaad goed, en goed kwaad, Jesaja 5:20, maken er zich van af met een kwinkslag, storten zich in zonde, Jeremia 8:6, en zeggen dat zij vrede hebben, hoewel zij voortgaan, zij bekommeren zich niet om het kwaad, dat zij aanrichten door hun zonden, en lachen om hen, die er hun van spreken.
Zij zijn pleitbezorgers van de zonde, zij zijn zeer vernuftig in het bedenken van verontschuldigingen er voor. Dwazen bespotten het zondoffer, aldus sommigen, zij, die de zonde gering achten, achten Christus gering. Het zijn dwazen, die de zonde gering achten, want zij achten gering hetgeen waar God over klaagt: Zie, Ik ben gedrukt onder u, Amos 2:13, dat zeer zwaar drukte op Christus, en waarover zij zelf weldra andere gedachten zullen hebben.
2. Hoe Godvruchtige mensen aangemoedigd worden in hun Godsvrucht, onder de oprechten is goedwilligheid, als zij in iets overtreden, hebben zij er terstond berouw van, en dan verkrijgen zij de gunst van God. Zij hebben goedwilligheid voor elkaar en onder hen, in hun verenigingen en gezelschappen, heerst wederzijdse liefde en mededogen in gevallen van overtreding of belediging, en geen spotternij.