Genesis 6:13-21
Hier blijkt nu inderdaad, dat Noach genade had gevonden in de ogen des Heeren, Gods gunst jegens hem werd duidelijk te kennen gegeven in hetgeen Hij van hem zei, vers 8-10 waar zijn naam in vijf regels vijf maal genoemd wordt, terwijl eenmaal volstaan zou hebben om de zin duidelijk te maken, alsof de Heilige Geest er behagen in vond om zijn gedachtenis te vereeuwigen, maar nog veel meer blijkt Gods gunst jegens hem in deze verzen, in de mededelingen en instructies, die hem hier gegeven worden.
I. God maakt Noach hier tot de man Zijns raads, Hij geeft hem Zijn voornemen te kennen om deze boze wereld te verdelgen door water zoals Hij later aan Abraham Zijn voornemen mededeelde betreffende Sodom, Hoofdstuk 18:17. "Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik doe?" Zo ook hier. Zal Ik voor Noach verbergen wat Ik doe, dewijl hij tot een groot volk worden zal? "De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen," Psalm 25:14. Zij was met "Zijn dienstknechten, de profeten," Amos 3:7, door een geest van de openbaring, hen inzonderheid bekendmakende met Zijn voornemens, zij is met alle gelovigen, door een geest van wijsheid en geloof, die hen in staat stelt om de algemene verklaringen in het geschreven woord en de waarschuwingen die er in gegeven zijn, te verstaan en toe te passen.
Nu zei God tot Noach:
1. In het algemeen, dat Hij de wereld wilde verderven, vers 13. Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen, Ik zal ze verderven. Dat is: Het verderf van de boze wereld is vastgesteld, het is gekomen, dat is: het zal gewis komen, het zal haastelijk komen. In zijn prediking voor zijn naburen heeft Noach hen waarschijnlijk in het algemeen gewaarschuwd voor de toorn Gods, die zij door hun boosheid over zich zouden brengen, en nu ondersteunt God die waarschuwing door een bijzondere aankondiging van toorn, opdat Noach zou beproeven of dat iets bij hen zou uitwerken. Hierin kunnen wij opmerken:
a. Dat God het woord van Zijn knechten bevestigt, Jesaja 44:26.
b. Dat aan hem, die heeft en wat hij heeft gebruikt tot welzijn van anderen, meer gegeven zal worden, meer volledige instructies.
2. Hij deelde hem mede, dat Hij de wereld ging verdelgen door een watervloed, vers 17. Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde. God zou het mensdom hebben kunnen verdelgen door het zwaard eens engels, een vlammig zwaard, dat zich naar alle zijden keerde, zoals Hij al de eerstgeborenen van de Egyptenaren doodde en het leger van de Assyriërs, en dan was er niets meer nodig dan een teken te stellen aan Noach en zijn gezin ter hunner behoudenis, maar God verkoos het te doen door een watervloed, waarin mensen en dieren moesten verdrinken. Wij kunnen er zeker van wezen, dat de redenen hiervoor wijs en rechtvaardig waren, hoewel zij ons onbekend zijn. God heeft vele pijlen in Zijn pijlkoker, en Hij kan er van gebruiken welke Hij wil, gelijk Hij de roede kiest, waarmee Hij Zijn kinderen zal kastijden, zo kiest Hij ook het zwaard, waarmee Hij Zijn vijanden zal doden.
Let op die wijze van uitdrukking: Ik, zie, Ik breng een watervloed, Ik, die oneindig ben in macht, en het dus kan doen, oneindig in gerechtigheid, en het daarom zal doen. a. Het duidt de zekerheid aan van het oordeel: Ik, zie Ik, zal het doen, wat God op zich neemt te doen, kan niet anders dan met kracht en grote uitwerking gedaan worden, zie Job 11:10.
b. Het duidt ook de strekking er van aan tot Gods heerlijkheid en tot eer van Zijn gerechtigheid, aldus zal Hij groot gemaakt en verhoogd worden op de aarde, en aldus zal Hij geheel de wereld doen weten, dat Hij de God is, wie de wrake toekomt. Het komt mij voor dat deze uitdrukking hier enigszins gelijk is aan die in Jesaja 1:24 "0 wee! Ik zal Mij troosten over Mijne wederpartijders."
II. God maakt Noach hier tot de man Zijns verbonds, wederom een Hebreeuwse omschrijving voor een vriend, vers 18. Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten:
1. Het verbond van voorzienigheid, dat de loop van de natuur bestendig zal zijn tot aan het einde der tijden, niettegenstaande de onderbreking er van door de watervloed, deze belofte werd onmiddellijk aan Noach en zijn zonen gegeven, Hoofdstuk 9:8, enz. Zij waren als tot bewaarders gesteld van geheel dit deel van de schepping, en hiermede werd aan hem en de zijnen een grote eer bewezen.
2. Het verbond van de genade, dat God hem een God zal zijn, en dat God zich uit zijn zaad een volk zou nemen. Hier valt op te merken:
a. Als God een verbond maakt, dan bevestigt Hij het, Zijn verbond is vast en eeuwig.
b. In het verbond van de genade is het loon voor zeer bijzondere diensten, de bron en de grond van alle onderscheidende gunsten. Wij behoeven niets meer te begeren, hetzij tot vergoeding van verliezen, die wij voor God geleden hebben, of om ons in God gelukkig te doen zijn, dan dat Zijn verbond met ons opgericht is.
III. God stelt Noach hier tot een gedenkteken van sparende genade, door hem het middel aan te wijzen om zich tegen de komende watervloed te beveiligen, zodat hij niet met geheel de wereld zal omkomen. Ik zal ze met de aarde verderven, zegt God, vers 13. "Maar maak u een ark, Ik zal zorgen u in het leven te behouden." Bijzondere Godsvrucht zal beloond worden met onderscheidende uitredding en verlossing. Het zal zeer veel bijdragen tot de eer en het geluk van verheerlijkte heiligen, dat zij behouden worden, als het grootste deel van de wereld aan het verderf wordt overgelaten. Nu geeft God aan Noach:
1. Aanwijzingen om een ark te maken, vers 14-16. Deze ark was gelijk aan de romp van een schip, toegerust, niet om op het water te varen (dat was niet nodig, daar er geen kust was, waarheen gevaren kon worden) maar om op het water te drijven, wachtende totdat het afnemen of vallen zou. God zou Noach hebben kunnen beveiligen door de dienst van engelen zonder hem enigerlei zorg, arbeid of moeite te geven, maar Hij verkoos hem te gebruiken om zelf te maken hetgeen het middel tot zijn behoudenis zou zijn, beide ter beproeving van zijn geloof en zijn gehoorzaamheid, en om ons te leren, dat niemand door Christus behouden zal worden dan alleen diegenen, die hun zaligheid werken. Wij kunnen het niet doen zonder God, en Hij zal het niet doen zonder ons, beide Gods voorzienigheid en Gods genade erkennen en kronen de pogingen, het streven van hen, die gehoorzaam en naarstig zijn.
God gaf hem zeer bijzondere en nauwkeurige instructies betreffende deze bouw, die wel zeer uitnemend geschikt moest wezen voor zijn bestemming, daar de oneindige Wijsheid zelf er de bouwmeester van was. De ark moet gemaakt worden van goferhout. Ongetwijfeld wist Noach welke soort van hout dit was, hoewel wij het niet weten, hetzij cederhout of cipressenhout, of welke andere houtsoort dan ook. Hij moet haar van binnen met drie verdiepingen maken. Hij moet haar verdelen in hutten met beschotten, plaatsen, geschikt voor de verschillende dieren, zodat er geen ruimte verloren ging. Er worden hem nauwkeurige afmetingen voorgeschreven, opdat hij evenredigheid zal betrachten, en er plaats genoeg zij om aan het doel te beantwoorden, en niet meer. Zij, die voor God werken, moeten hun instructies van Hem ontvangen en er nauwkeurig naar handelen. Het is voegzaam, dat Hij, die onze woning bestemt en aanwijst, er de perken en grenzen van vaststelt. Hij moet de ark van binnen en van buiten bepekken, van buiten om de regen af te werpen, en te voorkomen dat het water door sijpelt, van binnen om de boze reuk van de dieren weg te nemen, als zij daar in een besloten ruimte zullen zijn.
Merk op, dat God hem niet gebiedt haar te verven, maar te bepekken. Als God ons woningen geeft, die veilig, warm en gezond zijn, dan moeten wij er dankbaar voor wezen, al zijn zij niet prachtig of sierlijk. Hij moet van boven een klein venster maken om licht binnen te laten, en (naar sommigen denken) om door dat venster de verwoesting te kunnen zien, die op de aarde werd aangericht. Hij moet in de zijde van de ark een deur maken waardoor hij in en uit kan gaan.
2. God belooft aan Noach, dat hij en de zijnen in het leven gespaard zullen blijven in de ark, vers 18. Gij zult in de ark gaan. Wat wij in gehoorzaamheid aan God doen, daar zullen wij waarschijnlijk zelf het voordeel en de vertroosting van genieten, indien gij wijs zijt gij zijt wijs voor uzelf. Hij was niet zelf alleen behouden in de ark, maar ook zijn vrouw en zijn zonen, en de vrouwen van zijn zonen.
Merk op:
a. De zorg van goede ouders. Zij zorgen niet slechts voor hun eigen veiligheid en behoudenis, maar ook voor de veiligheid en behoudenis van hun gezinnen, inzonderheid van hun kinderen.
b. Het geluk van de kinderen, die Godvruchtige ouders hebben. De Godsvrucht hunner ouders bezorgt hun dikwijls tijdelijke uitredding, zoals hier, en zij doet hen vorderen op de weg naar de eeuwige zaligheid, zo zij van dit voorrecht gebruik maken.
IV. God stelt Noach hier tot een grote zegen voor de wereld, en maakt hem hierin tot een type van de Messias zelf, zoals zijn ouders dit van hem verwacht hebben, Hoofdstuk 5:29.
1. God maakte hem tot een prediker voor de mensen van die tijd. Als een wachter heeft hij het woord uit Gods mond gehoord, ten einde hen te kunnen waarschuwen, Ezechiël 3:17. Terwijl aldus de lankmoedigheid Gods verwachtte, heeft Christus door Zijn Geest in Noach gepredikt voor de oude wereld, die, toen de apostel Petrus schreef, geesten waren in de gevangenis, 1 Petrus 3:18-20, en hierin was hij een type van Christus, die in een land en tijd, waarin al het vlees zijn weg had verdorven, rondging, predikende bekering en de mensen waarschuwende voor een komende overstroming van toorn.
2. God maakte hem tot een redder, een behouder van de lagere schepselen, om de onderscheidene soorten er voor te behoeden om in de watervloed verloren te gaan, vers 19-21. Hiermede was hem deze grote eer aangedaan, dat in hem niet slechts het mensdom in wezen zou blijven, en uit hem een nieuwe wereld zou ontstaan, de kerk, de ziel van die wereld, en de Messias, het Hoofd dier kerk, maar dat hij ook het middel zou wezen om de lagere schepselen in wezen te houden en het mensdom aldus in hem een nieuw recht op hen en hun diensten zou verkrijgen. Hij moest hen voorzien van een schuilplaats, een onderkomen, ten einde niet in de watervloed te verdrinken. Twee van elke soort mannetje en wijfje, moest hij medenemen in de ark, en opdat het hem geen moeite zou kosten om ze bijeen te doen komen en ze binnen te brengen, belooft God, vers 20, dat zij uit eigen beweging tot hem zullen komen. Hij, die maakte dat de os zijn bezitter zou kennen, en een ezel de kribbe zijns heren, heeft toen gemaakt, dat zij hun behouder en diens ark kenden. Hij moest hen ook van hun levensonderhoud voorzien, opdat zij niet van honger zouden omkomen, vers 21. Hij moet zijn schip provianderen naar het getal van zijn bemanning, het grote gezin, waarvoor hij nu te zorgen had en naar de tijd, die hij er op moest doorbrengen. Ook hierin was hij een type van Christus, aan wie het te danken is, dat de wereld nog stand houdt, door wie alle dingen bestaan, en die het mensdom er voor bewaart, om geheel en al door de zonde te worden afgesneden en verdorven. In hem wordt het heilig zaad in het leven gehouden, en de schepping bevrijd van de ijdelheid, onder welke zij zucht. Noach redde hen, over wie hij had te regeren, en dat doet ook Christus, Hebreeën 5:9.