Genesis 49:28-33
1. Hier is de korte herhaling van het zegenen van Jakob's zonen, vers 28. Hoewel Ruben, Simeon en Levi onder het merk van van hun vaders ongenoegen geplaatst zijn, wordt toch van hen gezegd, dat hij hen zegende, ieder naar zijn bijzondere zegen, want niemand van hun werd verworpen, zoals Ezau. Onder welke bestraffing wij ook mogen zijn van Gods woord of Gods voorzienigheid, zolang wij deel hebben aan Gods verbond, een plaats en een naam hebben onder Zijn volk en een goede hoop om deel te hebben in het hemelse Kanaän, moeten wij ons gezegend achten.
2. Het plechtig bevel, dat Jakob gaf omtrent van zijn begrafenis, wat een herhaling is van het bevel, dat hij tevoren aan Jozef heeft gegeven. Zie, hoe hij, nu hij stervende is, van zijn dood spreekt, vers 29. "Ik word verzameld tot mijn volk." Het is goed om ons de dood onder de lieflijkste beelden voor te stellen, opdat er de verschrikking van wordt weggenomen. Hij scheidt ons van onze kinderen en van ons volk in deze wereld, maar hij verzamelt ons tot onze vaderen en tot ons volk in de andere wereld. Misschien gebruikt Jakob deze uitdrukking voor de dood als een reden waarom zijn zonen hem in Kanaän moeten begraven, want, zegt hij, "Ik word verzameld tot mijn volk", mijn ziel moet heengaan tot de geesten van de volmaakte rechtvaardigen, begraaf mij dus bij mijn vaderen, Abraham en Izak en hun vrouwen, vers 31.
Zijn hart was daar zeer aan gehecht, niet zozeer uit een natuurlijke liefde voor zijn geboortegrond, als uit een beginsel van geloof in de belofte Gods, dat Kanaän te bestemder tijd het erfdeel zal wezen van zijn zaad. Aldus wilde hij in zijn zonen de herinnering bewaren aan het beloofde land, en dat zij niet alleen de kennis er mee zouden vernieuwen door een reis er heen bij die gelegenheid, maar dat ook hun begeerte er naar en hun verwachting ervan in hen blijven zouden.
Hij beschrijft de plaats zeer nauwkeurig zowel de ligging ervan als de aankoop ervan door Abraham tot een begraafplaats, vers 30, 32. Hij vreesde dat zijn zonen, na een zeventienjarig verblijf in Egypte, Kanaän hadden vergeten en zelfs de begraafplaats van hun voorvaderen aldaar, of dat de Kanaänieten hem het recht er op zouden betwisten, daarom specificeert hij er zo nauwkeurig èn de ligging en de aankoop van, zelfs toen hij daar stervend neerlag, niet slechts om vergissingen te voorkomen, maar ook om te tonen hoe wel hij zich dat land herinnerde. Het is een groot genot voor stervenden om hun gedachten te bepalen bij het hemelse Kanaän en de rust welke zij er hopen te genieten na hun dood.
3. De dood van Jakob, vers 33. Toen hij beide zijn zegen en zijn wens beëindigd had, (die beide begrepen zijn in het bevelen geven aan zijn zonen) en aldus zijn getuigenis had beëindigd, begaf hij zich tot zijn stervenswerk. Hij plaatste zich in de houding om te sterven, daar hij tevoren op zijn bed gezeten was om zijn zonen te zegenen, (de geest van de profetie nieuwe olie brengende in zijn bijna uitgebluste levenslamp, Daniël 10:19,) en dat werk nu volbracht zijnde, legde hij zijn voeten samen op het bed, om languit te liggen, niet slechts als iemand, die zich geduldig onderwerpt aan de slag, maar als iemand, die zich goedsmoeds ter ruste legt, nu hij vermoeid was. Ik zal in vrede samen liggen en slapen.
b. Gewillig gaf hij zijn geest over in de handen van God de Vader van de geesten, hij gaf de geest. c. Zijn ziel ging heen naar de vergadering van de zielen van de gelovigen, die, na verlost te zijn van de last van het vlees in blijdschap en gelukzaligheid zijn, hij werd verzameld tot zijn volk. Indien Gods volk ons volk is, dan zullen wij tot hen verzameld worden.