Genesis 23:16-20
Wij hebben hier het eind van de onderhandeling tussen Abraham en Efron betreffende de begraafplaats. De koop werd gesloten in tegenwoordigheid van al de naburen, voor de oren der zonen Heths, vers 16,17. Voorzichtigheid, zowel als rechtvaardigheid, leidt ons er toe, om eerlijk en rondborstig te zijn in onze handelingen, bedrieglijke contracten haten het licht en geven er de voorkeur aan om in het verborgen te worden gesloten, maar zij, die bij koop en verkoop eerlijke bedoelingen hebben, hebben er niets tegen, dat ieder er getuige van zij. De wet ondersteunt openbare verkopingen en geregistreerde verkoopakten.
I. Abraham heeft zonder bedrog of uitstel de kooppenningen betaald, vers 16. Hij betaalt direct, zonder aarzelen, betaalt het volle bedrag, zonder enige vermindering, betaalt bij gewicht, met geld bij de koopman gangbaar, zonder bedrog. Zie hoe in de vroege oudheid geld gebruikt werd ten gerieve van de handel, en zie ook, hoe eerlijk geld betaald moet worden, waar het verschuldigd is.
Merk hier op, dat hoewel heel het land Kanaän Abraham toebehoorde in de belofte, hij wat hij er van nodig had kocht en betaalde, daar de tijd der inbezitneming voor hem nog niet was gekomen. Heerschappij berust niet op genade. Het recht van de heiligen op een eeuwig erfdeel geeft hun geen recht op aardse bezittingen, evenmin als om iemand onrecht te doen.
II. Met volkomen eerlijkheid geeft Efron hem een goed en gewaarborgd recht op het land, vers 17, 18, 20. De akker met alles wat er toe behoorde werd voor altijd overgedragen aan Abraham en zijn erfgenamen, en dat geschiedde in open hof, (niet bij geschrifte, het blijkt niet dat er toen schrift gebruikt werd) en door zulk een openlijke, plechtige verklaring voor getuigen, als volstond om de verkoop geldig te doen zijn. Zoals hetgeen gekocht is eerlijk betaald moet worden, zo moet hetgeen betaald is, nu ook eerlijk afgegeven en verzekerd worden.
III. Hierop neemt Abraham bezit van de akker, en begraaft Sara in de spelonk, (of het een gemetseld gewelf of een door de natuur gevormde spelonk was, is niet zeker) die in de gekochte akker was. Waarschijnlijk had Abraham sedert hij in Kanaän was gekomen, reeds dienstboden uit zijn gezin begraven, maar "de graven van de kinderen van het volk,": 2 Koningen 23:6, waren voor hen genoeg, nu Sara gestorven is, moet een bijzondere plaats gevonden worden voor haar overblijfselen. Het is wel de moeite waard om op te merken:
1. Dat een begraafplaats de eerste plek grond was, die Abraham in Kanaän bezat. Als wij de wereld ingaan, dan is het goed om aan ons uitgaan er van te denken, want zodra wij geboren zijn beginnen wij te sterven.
2. Dat het het enige stuk land was, dat hij ooit bezat, hoewel het gehele land hem door erfrecht zou toevallen. Zij, die het minst bezitten van deze aarde, vinden er toch een graf in. Abraham zorgde niet voor steden, zoals Kam en Nimrod gedaan hebben, maar voor een graf,
a. Om voor hemzelf en zijn nakomelingen een voortdurende herinnering te zijn aan de dood, opdat hij en de zijnen zouden leren dagelijks te sterven. Van dit graf wordt gezegd, dat het aan het eind van de akker was, vers 9, want welke bezittingen wij ook mogen hebben, aan het eind er van is een graf. b. Om een teken te zijn van zijn geloof in, en zijn verwachting van, de opstanding, immers waarom zou zoveel zorg worden gedragen voor het lichaam, als het voor altijd weggeworpen moet worden, en niet weer zal opstaan? Hierdoor heeft Abraham duidelijk gezegd, dat "hij een beter vaderland zocht," dat is: "een hemels vaderland." Abraham is tevreden om, zolang hij leeft, reizende en trekkende te zijn, maar hij verzekert zich van een plaats waar, als hij sterft, zijn vlees rusten kan in hope.