Jeremia 50:21-32
1. Hier worden de strijdkrachten gemonsterd en hun de opdracht gegeven Babel te verwoesten, en alles wordt gereed gemaakt voor een aanval op dat machtige koninkrijk: "Tegen het land Merathaim, het land van de Mardi, trek er tegen op en tegen de inwoners van Pekod," een land, dat vermeld wordt in Ezechiël 23:23, en dat Cyrus nam op zijn weg naar Babel. De troepen van Cyrus worden opgeroepen om naar Babel te gaan, vers 26 :Komt aan tegen haar van het uiterste. Laat allen tezamen komen, want er zal beide werk en buit genoeg voor hen allen zijn. De grote afstand van hun woonplaats moet geen beletsel voor hen zijn om deel te nemen aan het werk. Gij schutters vooral legert u tegen haar rondom, vers 29. Aldus heeft de Heere Zijn schatkamer opengedaan en de instrument en van Zijn gramschap voortgebracht, zoals grote vorsten uit hun magazijnen en voorraden, het nodige materiaal halen voor hun legers, wanneer zij een tocht ondernemen. Medië en Perzië zijn nu Gods arsenaal, vandaar neemt Hij de wapens van Zijn gramschap Cyrus en zijn grote aanvoerders en legers, die Hij gebruiken zal voor de verwoesting van Babel. Grote mannen zijn maar werktuigen, waarvan God Zich bedient, om Zijn doel te bereiken. Hij heeft allerlei werktuigen tot Zijn beschikking, Hij heeft arsenalen gereed, die geopend worden, als er reden toe is. "Dat is een werk des Heeren, des Heeren van de heirscharen." Als God werk te doen heeft, zal hij laten blijken dat Hij de Heere van de heirscharen is, en het zei Hem niet ontbreken aan werktuigen, om het ermee te verrichten.
2. Hun worden bevelen gegeven, wat zij doen moeten. In `t algemeen: Doe naar alles wat Ik u geboden heb, vers 21. Van Cyrus was gezegd, Jesaja 44:28 :Hij zal al Mijn welgevallen volbrengen, door zijn tocht tegen Babel. Verwoest en verban achter hen, wat ze eens verwoest hebben, moeten ze overdoen, of: ze moeten hun nakomelingschap, die na hen komt, vernietigen. Opent haar schuren, rooft haar schatten, en richt haar werptuigen tegen haar zelf. Vertreedt haar als korenhopen, en verbant ze. Of, Werpt haar op tot hopen, Iaat al de rijkdom en praal van Babel tot puin- en tot vuilnishopen worden. Zie, hoe weinig zij bij God in tel zijn, de dingen, waaraan de mensen zoveel hechten, en waarop zij zich zo verheffen. Hun vorsten en aanzienlijken die vet en zwaarlijvig zijn, zullen door het zwaard vallen, niet als krijgslieden op het slagveld, dat wij het veld van eer noemen, maar als dieren door de hand des slachters, vers 27 :Doodt met het zwaard alle haar varren, al haar aanzienlijken, laat ze afgaan, verdwaasd en zinneloos, als een os ter slachting. Wee over hen! hun lot is te droeviger, naarmate zij er minder begrip van hebben. Hun dag, om te vallen, is gekomen, de tijd, dat er met hen afgerekend moet worden, en zij worden het niet gewaar.
3. Het welslagen is verzekerd. Laat hen doen, wat God gebiedt, en zij zullen Zijn bedreigingen volbrengen. Er is een grote breuk, vers 22. Babel is geworden tot een ontzetting, vers 13 haar jongelingen zullen vallen op haar straten en alle haar krijgslieden, wier taak het was haar te verdedigen, zullen uitgeroeid worden te die dage, vers 30. De Heere is tegen haar, vers 31. Hij heeft haar een strik gesteld, vers 24, hij heeft deze onderneming tegen haar op touw gezet, opdat zij verrast zou worden als een vogel, die gevangen wordt in een strik. Cyrus zal zonder twijfel de overhand behouden, want hij strijdt onder God. God zal een. vuur aansteken in de steden van Babel, vers 32, en wie kan voor Hem bestaan, wanneer Hij toornig is of het vuur uitblussen, dat Hij aangestoken heeft?
4. De reden van deze strenge behandeling van Babel wordt opgegeven. Die in deze oorlog dienen, mogen, als zij willen, de gronden er voor vernemen en voldaan zijn over zijn rechtvaardigheid, en het past ook, dat zij het zijn, die tot zulk werk geroepen worden. a. Babel is zeer lastig, kwelziek en onrechtvaardig geweest tegenover al zijn naburen, het is de hamer van de gehele aarde geweest, vers 23, het sloeg, versloeg, en sloeg in stukken, alle volken, die ver en die nabij zijn. Het heeft dat lang genoeg gedaan, het is nu tijd, dat het afgehouwen en verbroken wordt. Hij, die de God van de volken is, zal vroeger of later de gekrenkte rechten van de volken bevestigen tegen hen, die er onrechtmatig en gewelddadig inbreuk op maken. De God van de gehele aarde zal de hamer van de gehele aarde verbreken.
b. Babel heeft God zelf uitgedaagd: Gij hebt u in strijd gemengd tegen de Heere, vers 24, in rechten of op het slagveld, gij hebt u openlijk tegen Hem verzet, mededingers tegenover Hem gesteld, oproer tegen Hem verwekt, daarom zijt gij nu gevonden en gevangen, als in een strik. Die zich in strijd mengen tegen de Heere, zullen spoedig bevinden, dat zij niet tegen Hem opgewassen zijn.
c. Babel verwoestte Jeruzalem, de heilige stad, en het heilige huis aldaar, en moet daarvoor ter verantwoording geroepen worden. Dit is het manifest, dat in Zion bekend gemaakt wordt ten dage van Babels bezoeking, het is de wrake des Heeren onzes Gods, de wrake Zijns tempels, vers 28. Het verbranden van de tempel, en het wegvoeren van zijn vaten, waren artikelen in de beschuldiging tegen Babel, waarop groter nadruk wordt gelegd dan daarop, dat het "de hamer van de gehele aarde is, want Zion was de vreugde en roem van de gehele aarde." Het onrecht dat Gods kerk (Zijn tempel op deze wereld) aangedaan is, zal zeker gewroken worden, en geen wraak zal vreselijker en geduchter zijn, dan de "wraak van Zijn tempel." Babel is zeer hovaardig en onbeschaamd geweest, en daarom moet het vallen, want het is de ere Gods, allen hoogmoedige te zien en hem te vernederen, Job 40:6. "Zie, Ik wil aan u gij trotse, vers 31, en wederom, vers 32. Trots is het woord, zo trots als de trotse zelf. De trots van de harten van de mensen maakt God tot hun tegenstander en doet hen rijpen voor hun verderf, want God weerstaat de hovaardigen en zal ze vernederen. "De trotse zal aanstoten en vallen, " zij zullen niet zozeer vallen doordat een ander ze neerwerpt als wel door hun eigen struikelen, want zij houden het hoofd zo hoog, dat zij niet voor hun voeten zien, om de weg te kiezen, en struikelblokken te vermijden, maar wandelen op goed geluk. Babels trots moet onvermijdelijk zijn ondergang zijn, want zij heeft trotselijk gehandeld tegen de Heere, tegen de Heilige Israëls, vers 29, heeft Hem gehoond, door Zijn volk te honen, hij heeft Hem tot zijn vijand gemaakt, en daarom, als hij gevallen is, zal er niemand zijn, die hem oprichte, vers 32. Wie zal oprichten, die God neerwerpt?