Genesis 47:13-26
Daar nu zorg was gedragen voor Jakob en zijn familie, voor welker behoudenis Jozefs bevordering inzonderheid door Gods voorzienigheid bedoeld was, wordt nu bericht gegeven ook van de behoudenis van het rijk van Egypte want God is Koning van de volken, zowel als Koning van de heiligen, en geeft spijze aan alle vlees. Jozef keert nu terug tot de gewichtige werkzaamheid, die Farao hem had opgedragen. Het zou hem aangenaam genoeg zijn geweest om bij zijn vader en zijn broeders in het land Gosen te gaan wonen, maar zijn ambt laat hem dit niet toe. Nadat hij zijn vader had gezien en hem wèl gevestigd wist, legde hij zich met evenveel ijver als ooit tevoren toe op de vervulling van zijn ambtsplichten. Zelfs de natuurlijke genegenheid moet wijken voor noodzakelijk werk. Ouders en kinderen moeten tevreden zijn om afwezig te zijn van elkaar, als dit beiderzijds nodig is voor de dienst van God of hun geslacht. In Jozefs handelingen met de Egyptenaren hebben wij op te merken.:
I. In welke uiterste nood Egypte en de omliggende landen gekomen waren door de hongersnood. Er was geen brood, en zij raasden, of bezweken, vers 13, zij waren op het punt van te sterven, vers 15, 19.
1. Zie hier hoe afhankelijk wij zijn van Gods voorzienigheid, als Hij ons slechts voor een wijle Zijn gewone gunsten onthoudt, dan sterven wij, dan komen wij allen om. Al onze schatten zouden ons er niet voor kunnen bewaren om te verhongeren, indien de regen des hemels slechts voor twee of drie jaren werd teruggehouden. Zie hoe afhankelijk wij zijn van Gods genade, en hoe nodig het ons is in Zijn liefde te blijven.
2. Zie hoe wij ons aan lijden blootstellen door ons gebrek aan voorzorg. Indien al de Egyptenaren in de zeven jaren van de overvloed voor zichzelf gedaan hadden, wat Jozef voor Farao gedaan heeft, dan zouden zij nu niet in zo grote verlegenheid zijn geweest maar zij gaven geen acht op de waarschuwing, dat er jaren van honger zouden komen, en dachten dat de dag van morgen zou wezen als de dag van heden, en het volgende jaar zoals dit jaar, ja dat het nog veel overvloediger zijn zou. Omdat de mens zijn tijd niet weet, (zijn tijd van de inzameling als hij hem heeft) is zijn ellende zo groot als de tijd van uitgeven komt, Prediker 8:6, 7.
3. Zie hoe vroeg reeds God een verschil gemaakt heeft tussen de Egyptenaren en de Israëlieten, zoals later met de plagen, Exodus 8:22, 9:4, 26, 10:23. Jakob en zijn familie werden, hoewel zij vreemdelingen waren zonder kosten geheel overvloedig gevoed, terwijl de Egyptenaren schier omkwamen van gebrek. Zie Jesaja 65:13. "Mijne knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren. Welgelukzalig zijt gij, o Israël." Wie ook gebrek heeft Gods kinderen niet. Psalm 34:11.
II. Hoe hoge prijs zij te betalen hadden.
1. Zij moesten al hun geld, dat zij opgegaard hadden, er voor geven, vers 14. Zilver en goud konden hen niet voeden, zij moesten koren hebben. En zo kwam al het geld, dat er in het koninkrijk was, in de schatkist.
2. Toen het geld op was, stonden zij hun vee af, de dieren tot werken bestemd, zoals paarden en ezels, en die tot voedsel dienen, zoals schapen en runderen, vers 17. Hieruit kan afgeleid worden, dat wij beter kunnen leven op brood zonder vlees, dan op vlees zonder brood. Wij kunnen onderstellen, dat zij er te eerder toe overgingen om hun vee te verkopen, omdat zij er geen of weinig gras voor hadden, en nu zag Farao in werkelijkheid wat hij tevoren in visioen gezien had, niets dan magere koeien, namelijk:
3. Toen zij de levende have van hun land verkocht hadden, zijn zij er gemakkelijk toe overgegaan om (veeleer dan van honger te sterven) ook het land te verkopen. Immers, welk goed kon dit hun doen, als zij noch koren hadden om het te bezaaien, noch vee om er op te laten weiden? Zo hebben zij toen ook dit verkocht voor koren.
4. Toen hun land verkocht was, zodat zij niets hadden om van te leven, moesten zij natuurlijk zichzelf verkopen, zodat zij zuiver en alleen van hun arbeid konden leven en hun land als vazallen in leen hielden van de kroon. Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zelfs vrijheid en eigendom, (de ons zo dierbare tweelingen) zal hij geven voor zijn leven, want dat is zoet. Er zijn weinigen (hoewel er misschien sommigen zijn) die liever zouden sterven dan in slavernij te leven en in afhankelijkheid van een willekeurige macht. En wellicht zijn er, die in zo'n geval, in drift of toorn, door het zwaard zouden kunnen sterven, maar niet in koelen bloede van honger zouden kunnen sterven, want dat is veel erger, Klaagliederen 4:9. Nu was het voor de Egyptenaren nog een grote weldaad, dat zij, tot welke hoge prijs dan ook, nog koren konden krijgen. Indien zij allen van honger waren gestorven, dan zou hun land misschien, bij gebrek aan erfgenamen, aan de kroon zijn vervallen, daarom besloten zij nog zoveel mogelijk te redden.
III. De methode, die Jozef volgde om de zaak zo tussen vorst en volk te regelen dat de vorst zijn rechtmatig voordeel verkreeg en het volk toch niet geheel tot de ondergang werd gebracht.
1. Ten opzichte van hun land behoefde hij zolang de hongersnood duurde, tot geen overeenkomst met hen te komen, maar toen de jaren van de honger voorbij waren (want God zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden) maakte hij een overeenkomst met hen die aan beide zijden aangenaam scheen te zijn, namelijk dat het volk het land, dat hij hun toewees, in bezit zou hebben en er de vrucht van genieten, en dat zij uit des konings voorraadschuren zaad zouden ontvangen, om het te bezaaien voor hun eigen gebruik en tot hun behoeve, en slechts een vijfde van de jaarlijkse winsten als pacht zouden betalen aan de kroon. Dit is tot een blijvende wet geworden, vers 26. En het was een zeer goede overeenkomst voor hen, dat zij voor hun land voedsel voor zich verkregen terwijl zij anders van honger hadden moeten omkomen, en dan weer op zo voordelige voorwaarden land zouden verkrijgen. Die staatsdienaren zijn dubbele eer waardig, beide voor wijsheid en rechtvaardigheid, die de schaal tussen vorst en volk in evenwicht houden zodat vrijheid en eigendom geen inbreuk maken op de rechten van de kroon, en het prerogatief van de kroon niet drukt op vrijheid en eigendom, in de veelheid van zulke raadslieden is behoudenis. Als de Egyptenaren het later hard zullen vinden om zo hoge belasting van hun land aan de koning te moeten betalen, dan moeten zij zich herinneren hoe rechtvaardig niet alleen, maar hoe vriendelijk en welwillend de eerste oplegging er van geweest is. Zij konden wel met dankbaarheid een vijfde betalen, als zij toch vijf vijfden, dat is alles, verschuldigd waren. Het is opmerkelijk hoe getrouw Jozef geweest is aan hem, die hem had aangesteld. Hij heeft het geld niet in zijn eigen zak gestoken, noch de landerijen aan zijn eigen familie doen overgaan, maar beide geheel en al tot Farao's gebruik verkeerd, en daarom bevinden wij dat zijn nakomelingen niet rijker Egypte hebben verlaten dan de overigen van hun arme broederen. Zij, die openbare ambten bekleden en zich grote goederen verwerven, moeten wel toezien, dat het niet is ten koste van een goed geweten, dat van groter waardij is.
2. Wat hun personen betreft, hij bracht hen over naar steden. Hij verplaatste hen, om Farao's soevereine macht over hen te tonen en opdat zij mettertijd hun vroegere rechten op hun landerijen zouden vergeten, en te gerichter verzoend zouden worden met hun staat van dienstbaarheid. De Joodse schrijvers zeggen: "Hij bracht hen over van hun vorige woonplaatsen, omdat zij zijn broeders smaadden als vreemdelingen, om dus die versmaadheid te doen ophouden, heeft hij hen allen tot vreemdelingen gemaakt. Zie hoe grote veranderingen in weinig tijds bij een volk kunnen plaatshebben, en hoe God diegenen van vat in vat kan ledigen, die op hun heffe stil lagen. Hoe hard dit alles voor hen ook geweest moge schijnen, zij zelf beschouwden het toen als een zeer grote vriendelijkheid en zij waren er dankbaar voor, dat zij niet harder behandeld werden, vers 25, gij hebt ons leven behouden. Er is een goede reden, dat de behouder van ons leven de meester van ons leven zijn zal. "Gij hebt ons behouden, doe met ons wat u behaagt."
IV. De uitzondering, die hij maakte ten voordele van de priesters. Zij werden kosteloos onderhouden, zodat zij hun land niet behoefden te verkopen, vers 22. Zo zullen alle volken wandelen, elk in de naam zijns Gods, zij zullen vriendelijk wezen voor hen, die hen voorgaan in de dienst huns Gods, en hen dienen in heilige zaken, en evenzo behoren wij onze God te eren door Zijn dienstknechten zeer veel te achten in liefde, om huns werks wil.