Exodus 9:1-7
I. Hier wordt kennis gegeven van nog een plaag, namelijk die van de veepest. Toen Farao's hart verhard werd, nadat hij onder de vorige plaag geneigd scheen tot toegeven, werd Mozes tot hem gezonden om hem te zeggen, dat er weer een plaag komen zal om te zien wat deze doen zou om de indrukken, door de vorige plagen teweeggebracht, weer te verlevendigen. Aldus wordt de toorn van God geopenbaard van de hemel, beide in Zijn woord en in Zijn werken, over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen.
1. Mozes gaf Farao het middel aan de hand om die plaag te voorkomen, Laat Mijn volk trekken, vers 1. Dit bleef nog de eis van God, God wil Israël losgelaten hebben, Farao kant zich hier tegen aan, en nu is de vraag wiens woord zal bestaan. Zie hoe naijverig God is op Zijn volk, als het jaar van Zijn verlosten gekomen is, zal Hij Egypte tot hun losgeld geven. Dat koninkrijk zal veeleer te gronde gaan, dan dat Israël niet verlost zou worden. Zie hoe redelijk Gods eisen zijn, waar Hij om vraagt is slechts het Zijne, zij zijn Mijn volk, en daarom: laat hen trekken.
2. Hij beschrijft de plaag, die komen zou indien hij weigerde, vers 2, 8. De hand van de Heer is onmiddellijk, zonder dat Aärons hand wordt uitgestrekt, over het vee, waarvan veel door een soort besmettelijke ziekte zal sterven, en wel vee van allerlei aard. Dit was een groot verlies voor de eigenaars. Zij hadden Israël arm gemaakt. en nu zal God hen arm maken. De hand Gods moet erkend worden, zelfs in de ziekte en het sterven van vee, of van enigerlei andere schade er in, want geen musje valt ter aarde zonder onze Vader.
3. Als een bewijs, dat het Gods hand er in is, en van Zijn bijzondere gunst jegens Zijn volk, voorzegt hij, dat er van het vee van de Israëlieten niets zal sterven, hoewel die dieren dezelfde lucht inademden en hetzelfde water dronken als het vee van de Egyptenaren, vers 4. De Heere zal een afzondering maken. Als Gods oordelen zijn uitgegaan, dan kunnen zij wel de rechtvaardigen en de goddelozen treffen maar toch zal God zo'n onderscheid maken, dat zij voor de een niet hetzelfde zijn, wat zij voor de ander zullen wezen, zie Jesaja 27:7. De voorzienigheid van God moet met dankbaarheid erkend worden in het leven van het vee, want Hij behoudt mensen en beesten, Psalm 36:7.
4. Om die waarschuwing nog opmerkelijker te maken, wordt er een tijd voor bepaald, vers 5. Morgen zal het gedaan worden. Wij weten niet wat een dag brengen zal, en daarom kunnen wij niet zeggen wat wij morgen doen zullen, maar God kan het.
II. De plaag is gekomen. Het vee stierf, vers 6. Door de zonde van de mens is het schepsel aan de ijdelheid onderworpen, daar het naar zijn aard en vermogen beide zijn goddeloosheid dient en deelt in zijn straf, zoals in de zondvloed, Romeinen 8:20, 22. Farao en de Egyptenaars zondigden, maar wat hebben deze schapen gedaan? Toch zijn zij geplaagd, zie Jeremia 12:4. Vanwege de boosheid van degenen, die in het land wonen, vergaan de beesten. De Egyptenaars hebben later, en sommigen denken ook nu, hun vee aangebeden, het was onder hen, dat de Israëlieten hebben geleerd een god te maken van een kalf. Daarom komt in dit dier de plaag over hen. Het is rechtvaardig in God om datgene van ons weg te nemen, waar wij een afgod van maken, of het een bitterheid voor ons te maken, zie Jesaja 19:1.
III. Het onderscheid, dat gemaakt is tussen het vee van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten naar het woord van God. Van het vee van de kinderen van Israël stierf niet een, vers 6, 7. Zorgt God voor ossen? Ja, Zijn voorzienigheid strekt zich uit over het geringste van Zijn schepselen. Maar het is ook om onzentwil geschreven, opdat wij, vertrouwende op God, en Hem gesteld hebbende tot onze toevlucht, "niet zullen vrezen voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt, ja zelfs niet als er duizend aan onze zijde vallen, en tienduizend aan onze rechterhand", Psalm 91:6, 7. Farao liet zien, of het vee van de Israëlieten ook besmet was, niet om zijn consciëntie, maar zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, of wel met het doel, om bij wijze van weerwraak zijn verliezen met hun vee te vergoeden. En daar hij niets goeds voorhad met dit onderzoek, heeft het rapport, dat hem gebracht werd, ook geen indruk op hem gemaakt integendeel, zijn hart werd er slechts nog meer door verhard. Voor hen, die willens blind zijn, zullen zelfs de methodes van de overtuiging, die verordineerd zijn ten leven, een reuke des doods ten dode blijken te wezen.