Prediker 8:6-8
Salomo had gezegd, vers 5, het hart van een wijze zal tijd en wijze weten, de wijsheid van een mens kan door de zegen van God ver gaan in redelijke voorzeggingen, maar hier toont hij aan dat weinigen deze wijsheid hebben, en dat zelfs de wijsten verrast en overvallen kunnen worden door een ramp, waarvan zij hoegenaamd geen vermoeden hadden, en daarom is het onze wijsheid om plotselinge veranderingen te verwachten en er ons op voor te bereiden.
Merk op:
1. Alle gebeurtenissen, ons betreffende, zijn met de juiste tijd ervan bepaald in de raad en de voorkennis van God, en allen zijn zij bepaald in wijsheid. Een ieder voornemen heeft tijd en wijze, een tijd, die er voor vastgesteld is, en het is de beste tijd, want het is tijd en oordeel, een tijd, vastgesteld in wijsheid en gerechtigheid, de bepaling of vaststelling erven kan van geen dwaasheid of ongerechtigheid beschuldigd worden.
2. Wij zijn zeer in het duister betreffende toekomstige gebeurtenissen, en de tijden de wijze ervan. De mens weet zelf niet wat er geschieden zal, en wie zal het hem te kennen geven wanneer of hoe het geschieden zal? vers 7. Het kan noch door hem voorzien noch aan hem voorzegd worden, de sterren kunnen de mens niet voorzeggen wat er geschieden zal, evenmin kunnen de waarzeggers het door hun kunstenarijen. God heeft in wijsheid de kennis van toekomstige gebeurtenissen voor ons verborgen, opdat wij altijd op veranderingen bereid zullen zijn.
3. Het is ons groot ongeluk dat wij, omdat wij een kwaad niet kunnen voorzien, het ook niet weten te vermijden, of hoe er ons tegen te behoeden, en omdat wij de geschikte tijd om te handelen niet kennen, gaan ons de gelegenheden voorbij en ontgaat ons de wijze. Omdat voor ieder voornemen slechts een wijze is, een methode, de geschikte gelegenheid, daarom is het kwaad des mensen veel over hem, omdat het zo moeilijk is die een methode te vinden of te kiezen, en het duizend tegen één is dat men haar voorbijziet. De meeste rampen, waaronder de mensen lijden, hadden voorkomen kunnen worden indien men ze had kunnen voorzien, en de geschikte tijd had kunnen ontdekken om ze te voorkomen of te vermijden. De mensen zijn ongelukkig omdat zij niet schrander en opmerkzaam genoeg zijn.
4. Welk ander kwaad ook te vermijden is. Allen zijn wij onder de noodlottige noodzakelijkheid van te sterven, vers 8.
A. Als de ziel van ons geëist wordt, dan moet zij worden overgegeven, en het is doelloos het te weigeren, het te betwisten, hetzij door wapens of door argumenten, door onszelf of door een vriend. Daar is geen mens die heerschappij heeft over zijn eigen geest, om hem terug te houden, als hij opgeroepen wordt om terug te keren tot God, die hem heeft gegeven. Hij kan niet wegvluchten buiten het rechtsgebied van de dood, noch enigerlei plaats vinden, waar zijn bevelschriften niet komen. Hij kan zich niet verbergen ten einde aan het oog van de dood te ontkomen, al is hij ook voor de ogen van alle levenden verborgen. Een mens heeft geen macht om de dag van zijn dood te verschuiven, noch kan hij door verzoek of geschenk uitstel verkrijgen, geen borgtocht zal aangenomen worden. Wij hebben geen macht over de geest van een vriend, om die terug te houden, de vorst kan met al zijn gezag het leven niet verlengen van de meest gewaardeerde van zijn onderdanen, evenmin als de arts met zijn medicijnen en methodes, of de krijgsman met zijn kracht, of de redenaar met zijn welsprekendheid, noch de beste van de heiligen met zijn voorspraak, zijn smekingen. De slag des doods kan niet worden afgewend, als onze dagen zijn vastgesteld en het bestemde uur gekomen is.
B. De dood is een vijand, met wie wij allen vroeg of laat in het strijdperk moeten treden, er is geen verweer in deze strijd, geen ontslag, geen ontheffing ervan, hetzij voor de mannen van zaken, of voor de vreesachtigen, zoals er waren onder de Joden, Deuteronomium 20:5, 8. Zolang wij leven, worstelen wij met de dood, en wij zullen het harnas niet afleggen voor wij het lichaam afleggen, nooit ontslagen worden, voordat hij de overwinning heeft behaald, de jongste wordt niet vrijgelaten om zijn jeugd, en de oudste niet om zijn verdiensten, die hem recht zouden geven op ontslag. De dood is een strijd, die gestreden moet worden. Er is geen heenzenden naar die strijd, zo lezen het sommigen, geen plaatsvervanger voor ons, geen kampioen, die toegelaten wordt om voor ons te strijden, wij moeten zelf die strijd strijden, en derhalve is het zaak voor ons om ons te gorden, toe te rusten tot de strijd.
C. De goddeloosheid van de mensen, waardoor zij dikwijls de gerechtigheid van de vorst ontwijken of trotseren, kan hen niet beveiligen tegen de greep van de dood, en de hardnekkigste zondaar kan zijn hart niet verharden tegen die verschrikkingen, al waande hij zich nog zo sterk tegen wat zijn onheil werd, Psalm 52:9, zal de dood hem toch te sterk zijn, de listigste boosheid kan de dood niet verschalken, noch de onbeschaamdste goddeloosheid de dood trotseren. Neen, de goddeloosheid, waaraan de mensen zich overgeven zal hen zo weinig van de dood verlossen, dat zij hen aan de dood zal overleveren.