Genesis 3:16
Wij hebben hier het vonnis, uitgesproken over de vrouw wegens haar zonde. Zij is veroordeeld tot twee dingen: tot een toestand van smart, en een toestand van onderworpenheid, gepaste straffen voor een zonde, waarmee zij haar zucht tot genot en haar hoogmoed bevredigd had.
I. Zij wordt in een toestand gebracht van smart, waarvan slechts een bijzonderheid genoemd wordt, namelijk die, waarmee zij kinderen voortbrengt, maar hierin zijn begrepen al die indrukken van smart en angst, waarvoor het gemoed van deze zwakke sekse zo zeer vatbaar is, en al de gewone rampen, waaraan de vrouw onderhevig is. De zonde heeft smart in de wereld gebracht, zij was het, die van deze wereld een tranendal heeft gemaakt, stortvloeden van onrust en benauwdheid over ons hoofd heeft doen komen, fonteinen van smart heeft geopend in ons hart, en aldus de wereld heeft overstroomd. Indien wij geen schuld hadden gekend, wij zouden ook geen smart hebben gekend. De barensnood, de smart bij het ter wereld brengen van kinderen, die spreekwoordelijk groot en zwaar is-spreekwoordelijk zelfs in de Schrift-is het gevolg van de zonde, al de weeën, al het kermen van de in barensnood zijnde vrouw verkondigen luid wat de noodlottige gevolgen zijn van de zonde: dit komt van het eten van de verboden vrucht.
Merk op, 1. De smarten worden hier gezegd vermenigvuldigd, zeer vermenigvuldigd, te zijn. Al de smarten van de tegenwoordige tijd zijn dit, vele zijn de rampen, waaraan het menselijk leven onderhevig is, van verschillende aard, en dikwijls herhaald, de wolken keren weer na regen. Geen wonder dat onze smarten vermenigvuldigd zijn, als onze zonden het zijn, zonde en smart zijn talloze kwaden. De smarten van het baren zijn vermenigvuldigd, want zij sluiten in zich, niet slechts de barensweeën, maar de ongesteldheden, die er aan voorafgaan, (het is smart van de dracht) en al de kwellingen bij het zogen, en dan: als de kinderen blijken goddeloos en dwaas te zijn, dan komt nog meer dan ooit te voren het verdriet van haar, die ze gebaard heeft. Aldus zijn de smarten vermenigvuldigd, als de ene smart voorbij is, komt een andere in de wereld.
2. Het is God, die onze smarten vermenigvuldigt. Ik zal het doen. God, als de Rechtvaardige Rechter doet het, hetgeen ons onder al onze smarten moet doen zwijgen. Hoe vele wij ook hebben te verduren, wij hebben ze alle verdiend, en nog meer, ja, God, als een tedere Vader, doet het tot onze noodzakelijke verbetering door tuchtiging, opdat wij verootmoedigd worden vanwege de zonde, en door al onze smarten gespeend worden van de wereld. En het goede, dat wij er door verkrijgen, en de vertroosting, die wij er onder genieten, zullen overvloedig opwegen tegen al onze smarten, hoe zeer zij ook worden vermenigvuldigd.
II. Zij wordt tot een toestand van onderworpenheid gebracht, de gehele sekse, die door de schepping met de man gelijk was, is, door de zonde, zijn mindere geworden, en het is haar "verboden over de man te heersen," 1 Timotheus 2:11, 12. Inzonderheid is hier de gehuwde vrouw onder de heerschappij gesteld van haar man en zij is niet tot haar eigen beschikking- waarvan wij een voorbeeld zien in de wet, Numeri 30:6-8, waarbij de echtgenoot gemachtigd wordt om, zo het hem behaagt, de gelofte, door zijn vrouw gedaan, te vernietigen. Dit oordeel staat slechts gelijk met het gebod: "Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, " maar door het inkomen van de zonde is die plicht tot een straf geworden, die hij anders niet geweest zou zijn. Indien de man niet had gezondigd, hij zou altijd met wijsheid en liefde hebben geregeerd, en indien de vrouw niet had gezondigd, zij zou altijd met ootmoed en nederigheid hebben gehoorzaamd, en dan zou de heerschappij geen grief of krenking geweest zijn, maar onze eigen zonde en dwaasheid maken ons juk zwaar. Indien Eva niet zelf verboden vruchten had gegeten, en haar man niet verleid had om er ook van te eten, dan zou zij nooit geklaagd hebben over haar onderworpenheid, daarom moet er ook nooit over geklaagd worden, al is zij hard, maar over de zonde moet geklaagd worden, die haar zo gemaakt heeft. Die vrouwen, welke haar mannen niet slechts verachten en hun ongehoorzaam zijn maar over hen heersen, bedenken niet, dat zij niet slechts een Goddelijke wet overtreden, maar een vonnis Gods weerstaan. Eindelijk.
Merk hier op, hoe met de toorn barmhartigheid is gemengd in dit vonnis. De vrouw zal smart hebben, maar het zal wezen in het voortbrengen van kinderen, en "de smart gedenkt zij niet meer om de blijdschap dat een mens ter wereld is geboren," Johannes 16:21. Zij zal onderworpen wezen, maar het zal wezen aan haar eigen man, die haar liefheeft, niet aan een vreemde, of een vijand. Het vonnis was geen vloek, om haar ten verderve te brengen, maar een kastijding, om haar tot bekering te brengen. Het was goed, dat er geen vijandschap gezet was tussen de man en de vrouw, zoals tussen de slang en de vrouw.