Genesis 39:19-23
1. Hier zien wij Jozef verongelijkt door zijn heer. Hij schonk geloof aan zijn beschuldiging, en Jozef heeft misschien niet de waarheid durven zeggen, omdat zijn meesteres er in een al te kwaad daglicht door zou komen, of zijn heer heeft hem wellicht niet willen horen, of niet willen geloven, en zo is er dan niets aan te verhelpen, hij wordt tot levenslange gevangenschap veroordeeld, vers 19, 20. God weerhield hem in zijn toorn, anders zou hij hem ter dood hebben gebracht, en die toorn, welke hem in de gevangenis bracht, heeft God tot zijn lof doen uitkomen, daarom heeft Gods voorzienigheid het zo beschikt, dat hij onder de gevangenen van de koning, de staatsgevangenen, werd opgesloten. Waarschijnlijk heeft Potifar die gevangenis gekozen omdat het de ergste was, want daar kwam hij in de ijzers, Psalm 105:18, maar God bereidde hiermede de weg tot zijn verlossing. Hij werd in het gevangenhuis van de koning geplaatst, om van daar tot des konings persoon verhoogd te worden. Menige daad van onrechtvaardige gevangenzetting zal in de grote dag bevonden worden voor rekening te liggen van de vervolgers van Gods volk. Gelijk Jozef hier, is ook onze Heere Jezus gebonden, en met de overtreders geteld geweest.
2. Jozef gezegend en gerechtvaardigd door zijn God, die is, en zal zijn, de rechtvaardige en machtige beschermer van de verdrukte onschuld. Jozef was ver weg van al zijn vrienden en betrekkingen, hen had hij niet om hem te vertroosten, of hem te dienen, of voor hem tussenbeide te treden, maar de Heere was met Jozef, en wendde Zijn goedertierenheid tot hem, vers 21. God veracht Zijn gevangenen niet, Psalm 69:34. Geen poorten of grendels kunnen Zijn genaderijke tegenwoordigheid weren van Zijn volk, want Hij heeft beloofd dat Hij hen nooit zal verlaten. Zij, die in de gevangenis een goed geweten hebben, hebben er een goede God. Rechtschapenheid en oprechtheid maken ons bevoegd voor Gods gunst, waar wij ons ook bevinden. Jozef is nog niet lang een gevangene, of hij wordt zelfs in de gevangenis een kleine heerser, hetgeen, naast God, toegeschreven moet worden:
a.a. Aan de gunst van de gevangenbewaarder. God gaf hem genade in de ogen van de overste van het gevangenhuis. God kan Zijn volk vrienden verwekken, zelfs daar, waar zij weinig verwachten zouden hen te vinden, en "hun barmhartigheid doen vinden," zelfs bij hen, die hen gevangen hadden, Psalm 106:46.
b.b. Aan Jozefs bekwaamheid en geschiktheid voor zaken. De gevangenbewaarder zag dat God met hem was en dat alles wat hij deed wèl gedijde, daarom vertrouwde hij hem het bestuur toe over de zaken van de gevangenis, vers 22, 23. Wijsheid en deugd zullen ook in de engste sferen uitblinken. Een goed man zal goed doen, waar hij ook is, en zal zelfs in banden en ballingschap een zegen wezen, want de Geest des Heeren is noch gebonden, noch gebannen, getuige de apostel Paulus, Filippenzen 1:12, 13.