Genesis 28:1-5
Niet zodra had Jakob de zegen verkregen, of hij was genoodzaakt uit het land te vluchten, en, alsof het nog niet genoeg was, dat hij daar een vreemdeling en bijwoner in is, moet hij dit in nog sterkere mate wezen, niets beter dan een balling in een ander land. Toen "vlood Jakob naar het veld van Syrië," Hosea 12:13. Hij was gezegend met overvloed van koren en wijn, en toch gaat hij arm heen, hij was gezegend met heerschappij, en toch gaat hij in tot dienstbaarheid, harde dienstbaarheid. Dit was:
1. Om hem te straffen voor zijn bedrieglijke handelwijze met zijn vader. De zegen zal hem bevestigd worden, maar toch zal hij boeten voor zijn gebruiken van een slinks middel om hem te verkrijgen. Zolang er zulk een bijmengsel van zonde is in het vervullen van onze plicht, moeten wij een bijmengsel van verdriet en smart verwachten in onze genietingen en vertroostingen. Het was echter ook:
2. Om ons te leren dat zij, die de zegen beërven, vervolging hebben te wachten, en dat zij, die vrede hebben in Christus, "in de wereld verdrukking zullen hebben," Johannes 16:33. Wij moeten het noch vreemd achten, dat ons dit van tevoren gezegd is, noch het al te hard vinden, daar wij toch van een beloning hiernamaals verzekerd zijn. Wij kunnen tevens opmerken, dat de leiding van Gods voorzienigheid dikwijls in tegenspraak schijnt met Gods beloften, maar toch zullen wij, als de verborgenheid Gods vervuld wordt, zien dat alles ten beste is geweest, en dat duistere wegen en moeilijke omstandigheden de beloften, en de vervulling er van, des te helderder deden uitblinken.
Jakob nu wordt door zijn vader weggezonden:
I. Met een ernstig gebod, vers 1,2. Hij zegende hem en gebood hem. Zij, die de zegen hebben, moeten het gebod volbrengen, dat er bij behoort, en niet willen scheiden wat God samengevoegd heeft. Het gebod is gelijk aan dat in 2 Corinthiërs 6:14 :"Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen, " en allen, die de beloften beërven van de vergeving der zonden en de gave van de Heilige Geest, moeten het gebod houden, hetwelk volgt op deze beloften: "Wordt behouden van dit verkeerd geslacht" Handelingen 2:38-40. Zij, die recht hebben op bijzondere gunsten, moeten een bijzonder volk wezen. Indien Jakob een erfgenaam is van de belofte, dan moet hij geen vrouw nemen van de dochteren Kanaäns, zij, die belijders zijn van de Godsdienst, moeten niet met ongodsdienstigen huwen.
II. Met een plechtige zegen, vers 3, 4. Tevoren had hij hem onbewust, in onwetendheid gezegend, nu doet hij het welbewust, voorbedacht, als bemoediging van Jakob in de treurige omstandigheden, waarin hij zich nu gaat bevinden. Deze zegen is uitdrukkelijker en vollediger dan de vorige, hij is een erfelijke overdracht van de zegen van Abraham die over Abrahams hoofd was uitgestort als de zalfolie, om van daar neer te dalen op zijn verkoren zaad, als op de zoom van zijn gewaad. Het is een Evangelie-zegen, de zegen van de voorrechten van de kerk, dat is "de zegening van Abraham, die tot de heidenen komen zou door het geloof," Galaten 3:14. Het is een zegen van "God almachtig," bij welke naam God aan de aartsvaders is verschenen, Exodus 6:2. Zij, die door God almachtig gezegend worden, zijn in waarheid gezegend, want Hij gebiedt de zegen en brengt hem in werking. Abraham was gezegend met twee grote beloften, en Izaak doet beide als een onvervreemdbaar erfdeel overgaan op Jakob.
1. De belofte van erfgenamen, vers 3. God make u vruchtbaar en vermenigvuldige u. a. Door zijn lenden zou van Abraham het volk afstammen, dat talrijk zou wezen als de sterren des hemels en het zand, dat aan de oever der zee is, en meer zou toenemen dan de overige volken, zodat zij een menigte van volkeren worden. En nooit was zulk een menigte van volk zo dikwijls tot een vergadering bijeenvergaderd als de stammen Israëls in de woestijn en ook later.
b. Door zijn lenden zou van Abraham afstammen die persoon, in wie alle geslachten der aarde gezegend zullen worden, en tot wie de volken zullen vergaderd worden. Jakob had voorwaar wel een menigte van volk in zich, want alles wat in de hemel is en wat op de aarde is, is verenigd in Christus, Efeziers 1:10, alles is in Hem als in een middelpunt verenigd, dit tarwegraan, in de aarde gevallen zijnde heeft veel vrucht voortgebracht.
2. De belofte van een erfdeel voor deze erfgenamen, vers 4, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen. Hiermede werd Kanaän als onvervreemdbaar erfdeel toegewezen aan het zaad van Jakob met uitsluiting van het zaad van Ezau. Izak zond Jakob nu weg naar een ver verwijderd land, om er een tijdlang te blijven, en opdat dit nu niet de schijn zou hebben van hem te onterven, bevestigt hij hem hier in het erfrecht, opdat hij er van verzekerd kon wezen, dat de storing in zijn bezit geen nietigverklaring van zijn recht zou wezen.
Merk op: hier wordt hem gezegd, dat hij het land van zijn vreemdelingschappen zou beërven. Zij, die thans vreemdelingen en bijwoners zijn, zullen voor eeuwig erfgenamen wezen, en zelfs nu beërven diegenen het meest de aarde (ofschoon zij er niet het meeste van beërven) die er het meest vreemdelingen op zijn. Diegenen genieten het meest van de tegenwoordige dingen, die er het meest los van zijn. Deze belofte schijnt zo hoog als de hemel, waarvan Kanaän het type was. Dat was het betere land, hetwelk Jakob en de andere aartsvaders op het oog hadden, toen zij "hebben beleden gasten en vreemdelingen op de aarde te zijn," Hebreeën 11:13.
Jakob, afscheid genomen hebbende van zijn vader, maakte nu haast om te vertrekken, opdat zijn broeder geen gelegenheid zou vinden om hem kwaad te doen, en reisde heen naar Paddan- Aram, vers 5. Hoe ongelijk was zijn nemen van een vrouw van daar, aan dat van zijn vader! Izaak had dienstknechten en kamelen gezonden om de zijne te halen, Jakob moet zelf gaan, alleen en te voet, om de zijne te halen, en daarbij moet hij in angst en vrees van het huis van zijn vader weggaan, niet wetende wanneer hij er zou kunnen weerkeren. Als God in Zijn voorzienigheid ons in een mindere stand doet komen, dan moeten wij er tevreden mee wezen dat wij de rang en de waardigheid van onze voorouders niet kunnen ophouden. Wij moeten meer bezorgd zijn om hun Godsvrucht te bewaren en na te volgen, dan hun staat op te houden, meer om even goed dan om even groot te zijn als zij. Rebekka wordt hier Jakob's en Ezau's moeder genoemd. Jakob wordt het eerst genoemd, niet alleen omdat hij altijd de lieveling van zijn moeder was geweest maar omdat hij nu tot erfgenaam van zijn vader is gemaakt, en in die zin was Ezau ter zijde gesteld. De tijd zal komen wanneer aan Godsvrucht de voorrang zal gegeven worden, hoe weinig dit thans ook het geval moge zijn.