Genesis 33:5-15
Wij hebben hier het gesprek tussen de twee broers bij hun samentreffen, en het is zeer ongedwongen en vriendelijk, zonder de minste toespeling op hun oude twist. Het was het best om die niet aan te roeren. Zij spreken:
I. Over Jakob's gevolg, vers 5-7. Elf of twaalf kinderen volgden Jakob op den voet, de oudste van hen was nog geen veertien jaren. Wie zijn deze? vraagt Ezau. Jakob had hem bericht gezonden van de toeneming van zijn bezitting, Hoofdstuk 32:5, maar geen melding gemaakt van zijn kinderen, misschien wel omdat hij hen niet wilde blootstellen aan zijn woede, zo hij hem als vijand tegenkwam, of omdat hij hem er mee wilde verrassen, zo hij als vriend kwam. Ezau had dus reden te vragen: Wie zijn deze bij u? Op welke gewone vraag Jakob een ernstig antwoord geeft, zoals het zijn karakter betaamde. De kinderen die God uw knecht genadiglijk verleend heeft. Het zou een voldoend antwoord op de vraag geweest zijn, en wel gepast voor de onheilige Ezau, indien hij alleen maar gezegd had: "het zijn mijn kinderen," maar dan zou Jakob niet gesproken hebben naar zijn aard en hoedanigheid, als een man, wiens ogen gedurig op de Heer zijn. Het betaamt ons de gewone dingen niet alleen te doen, maar er ook van te spreken gelijk het waardig is voor God, 3 Johannes : 6.
Jakob spreekt van zijn kinderen:
1. Als gaven van God, zij zijn een erfdeel van de Heer, Psalm 127:3, 113:9, 107:41.
2. Als kostelijke gaven, Hij heeft ze genadig gegeven. Hoewel zij talrijk zijn, hem nu veel zorg geven, en er vooralsnog slechts karig voor hen voorzien is, acht hij ze toch grote zegeningen te zijn. Hierop komen zijn vrouwen en kinderen naar volgorde, en betuigen hun eerbied aan Ezau, gelijk hij zelf reeds vóór hen gedaan had, want het betaamt een gezin eerbied te betuigen aan hen aan wie het hoofd van het gezin achting en eerbied bewijst.
II. Over het geschenk, dat hij hem had gezonden.
1. Ezau heeft het met bescheidenheid geweigerd, omdat hij genoeg had en het niet nodig had, vers 9. Zij, die voor mannen van eer willen gehouden worden, zullen niet inhalig willen schijnen in hun vriendschap. Wèlke invloed het geschenk van Jacob op Ezau heeft geoefend om hem te bevredigen, hij wilde niet, dat men dit zou denken, en daarom weigerde hij het.
2. Zijn reden is: ik heb veel, zó veel, dat hij niet geneigd is iets van zijn broer aan te nemen. Velen, die geen geestelijke zegeningen ontvangen en buiten het verbond zijn, hebben toch veel van de goederen van deze wereld. Ezau had wat hem beloofd was: de vettigheid van de aarde en levensonderhoud door zijn zwaard. Het is goed dat zij, die veel hebben, weten dat zij genoeg hebben, al hebben zij ook niet zoveel als sommige anderen hebben. Zelfs Ezau kan zeggen: Ik heb genoeg. Zij, die tevreden zijn met wat zij hebben, moeten dit tonen door niet te begeren wat anderen hebben. Ezau zegt aan Jakob te houden wat hij heeft, in de veronderstelling dat hij het meer nodig had. Ezau heeft het niet nodig, noch tot verzorging, want hij was rijk, noch om hem te bevredigen, want hij was al verzoend. Wij moeten acht geven, dat onze begeerlijkheid geen misbruik maakt van de beleefdheid of vrijgevigheid van anderen. 3. Met vriendelijkheid en liefde dringt Jakob hem om het aan te nemen, en heeft de overhand, vers 10, 11. Jakob zond het uit vrees, Hoofdstuk 32:20 maar de vrees voorbij zijnde, dringt hij nu uit liefde bij hem aan om het aan te nemen, om te tonen, dat hij de vriendschap van zijn broer begeerde, en niet bloot zijn toorn vreest. Twee dingen voert hij aan.
a. Zijn blijdschap, dat hij de gunst van zijn broer heeft gewonnen, waarvoor hij zich verplicht achtte hem dit bewijs van dankbaarheid te geven. Hij gebruikt een zeer sterke uitdrukking van achting en genegenheid: daarom dat ik uw aangezicht gezien heb als had ik Gods aangezicht gezien, dat is: "ik heb u verzoend met mij gezien en in vrede, zoals ik wens God met mij verzoend te zien." Of wel, de betekenis is, dat Jakob in Ezau's gunst de gunst van God over hem zag, het was hem een teken ten goede dat God zijn gebeden had verhoord. Aardse genietingen zijn ons in waarheid lieflijk, als zij ons in waarheid lieflijk, als zij ons geschonken worden op ons gebed en tekenen zijn van het welbehagen van God in ons. Het is voor hen, die vreedzaam en liefdevol van aard zijn, een oorzaak van grote blijdschap om de liefde en vriendschap te herwinnen van de bloedverwanten, met wie zij geschil hadden.
b. Zijn welgesteldheid: God heeft het mij genadig verleend. Indien hetgeen wij hebben in deze wereld onder onze handen toeneemt, dan moet dit met dankbaarheid door ons worden opgemerkt tot eer van God, en wij moeten erkennen dat Hij hierin genadig met ons heeft gehandeld, beter dan wij verdienen, Hij is het, "die kracht geeft om vermogen te verkrijgen," Deuteronomium 8:18. Hij voegt er bij: dewijl ik alles heb. Ezau had veel, maar Jakob had alles. Al heeft een godvruchtig man slechts weinig in de wereld kan hij toch in waarheid zeggen: "Ik kan alles."
a.a. Omdat hij de God heeft van alles, en in Hem alles heeft, "alles is het uwe, zo gij van Christus zijt,' 1 Corinthiërs 3:22, 23.
b.b. Omdat hij van alles de troost, de genieting heeft: "ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed" Filippenzen 4:18. Hij, die veel heeft, zou meer willen hebben, maar hij, die weet alles te hebben, is er zeker van genoeg te hebben. Hij heeft alles in het vooruitzicht binnenkort zal hij alles hebben, als hij in de hemel komt. Naar dit beginsel heeft Jakob bij Ezau aangedrongen om zijn geschenk aan te nemen. Het is kostelijk als de godsdienst de mens edelmoedig, ruimhartig en vrijgevig maakt, het verachtende om iets te doen, dat laag en gierig is.
III. Over het voortzetten hunner reis.
1. Ezau biedt zich aan als zijn gids en reisgezel, ten teken van zijn oprechte verzoening, vers 12. Nooit hebben wij Jakob en Ezau zo gezellig en vriendschappelijk bij elkaar gezien als nu. Het werk van God is volmaakt. Hij heeft Ezau's vijandschap niet slechts doen ophouden, maar een vriend van hem gemaakt. Het been dat gebroken was, goed gezet zijnde, is sterker dan ooit. Ezau is nu graag in Jakob's gezelschap, verzoekt hem om naar Seïr te komen, laat ons dan ooit aan iemand wanhopen, en God niet wantrouwen, die alle harten in Zijn handen heeft. Jakob vond echter reden om het aanbod met bescheidenheid af te wijzen vers 13, 14, in welke weigering hij tere bezorgdheid toont voor zijn gezin en zijn kudden, als een goed vader en een goed herder. Hij moet denken aan de kinderen en aan het zogende vee, en ze niet te snel laten voortgaan, het vee moet niet afgedreven worden. Deze voorzichtigheid en tederheid van Jakob moeten nagevolgd worden door hen, die met de zorg van de opvoeding en opleiding van jonge lieden in de dingen van God belast zijn. Zij moeten in het begin niet te snel voortgedreven, niet afgejaagd worden door een zware taak in godsdienstige werkzaamheden, of in oefeningen van de godsvrucht, maar naar zij het dragen kunnen worden geleid, hun werk moet hun zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt. Christus, de goede Herder, doet dit, Jesaja 40:11. "Hij zal Zijn kudden weiden gelijk een herder Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen, de zogenden zal Hij zachtkens leiden. Nu zal Jakob van Ezau niet verlangen, dat hij zijn voortgang vertraagt, noch zijn gezin dwingen hun schreden te verhaasten, en evenmin zal hij hen verlaten om zijn broer te vergezellen, zoals velen gedaan zouden hebben, die aan ieder gezelschap de voorkeur geven boven dat van hun eigen gezin. Hij wenst dus dat Ezau vooruit zal gaan, en hij belooft hem op zijn gemak te zullen volgen, naar de gang van het werk. Het is onredelijk om anderen aan onze gang te willen binden, wij kunnen ten slotte met genoegen en aangenaamheid aan hetzelfde einddoel van de reis komen, al reizen wij niet met anderen op hetzelfde pad of met dezelfde snelheid. Er zijn reizigers, met wie wij ons niet kunnen verenigen op de weg, zonder dat wij het daarom oneens met hen behoeven te zijn. Jakob geeft hem te kennen, dat het zijn voornemen was om te Seïr tot hem te komen, en wij kunnen denken dat hij dit ook gedaan heeft nadat hij zijn gezin gevestigd en zijn zaken geregeld had, hoewel er in de geschiedenis geen melding van wordt gemaakt. Als de vrede met onze vrienden hersteld is, dan moeten wij haar blijven aankweken, en in beleefdheid niet bij hen achterblijven.
2. Ezau biedt hem enige van zijn manschappen aan ten geleide, vers 15. Hij zag dat Jakob niet veel bedienden had, en in de mening dat hij, evenals hij zelf, wel een grote staat zou willen voeren, wil hij hem graag enige manschappen uit zijn gevolg lenen, opdat hij zich als zijn broer Ezau zou kunnen vertonen. Jakob slaat echter nederig dit aanbod af, slechts wensende dat Ezau het niet euvel zou duiden, dat hij het niet aannam.
Waartoe dat? a. Jakob is nederig en behoeft het niet voor staatsie, hij wenst geen schoon gelaat te tonen naar het vlees, door zich te belasten met een onnodig gevolg. Het is de ijdelheid van wereldse pracht en grootheid, waardoor velen zich omgeven, en waarvan men kan zeggen: Waartoe dat?
b. Jakob is onder de hoede en bescherming Gods, en behoeft dit dus niet voor zijn veiligheid. Diegenen zijn genoegzaam bewaard, die God tot hun wachter hebben en, evenals Jakob onder het geleide zijn van Zijne legerscharen. Zij behoeven geen verplichting te hebben aan een arm van vlees, die God tot hun arm hebben alle dagen. Jakob voegt er bij: "Alleenlijk, laat mij genade vinden in de ogen van mijn heer, uw gunst hebbende, heb ik alles wat ik behoef alles wat ik van u begeer." Indien nu Jakob de welwillendheid van een broer zo hoog schat, dan hebben wij nog veel meer reden om te achten, dat wij genoeg hebben, zo wij de welwillendheid van onze God hebben.