23. Maar u bent allen tezamen van Christus, zodat niemand recht heeft om van zich in het bijzonder of in de voornaamste plaats te zeggen: ik ben van Christus, of"behoor Christus toe" (
Hoofdstuk 1:12) en christus is van God (
Hoofdstuk 11:3.
Lukas 9:20).
Het woord "dan" of "daarom" aan het begin van Vers 21 heeft niet slechts betrekking op het naast voorgaande, maar op de gehele afdeling, die nu ten einde loopt. De apostel keert tot de aanvang van het Hoofdstuk terug en begint daarna uiteen te zetten hoe de gemeente zich houden moet jegens de dienaars van het Woord. "Die roemt, roemt in de Heere", zo riep hij in Hoofdstuk 1:31 zijn lezers toe, toen hij verklaarde waarom hij hen Christus gepredikt had zonder de middelen te gebruiken van een wijsheid, die tot de natuur behoorde. Nu hij als reden waarom hij de wijsheid, die hij werkelijk bezat, onder hen had teruggehouden, hun onmondigheid in het Christendom heeft genoemd (Vers 1-4) beveelt hij ze geen mensen te maken tot voorwerp van roem. Die men tot een voorwerp van zijn roemen maakt, die toe te behoren acht men een zegen en men is er trots op. Daarom houdt de apostel hen voor dat al wat er is, hen toebehoort. In drie tegenstellingen legt hij dit neer. Beginnend met Paulus en Apollos en Cefas, aan wier personen zij zich hechten, terwijl die toch slechts dienaars zijn van God, wier handelen hun zo of anders ten goede gekomen is, stelt hij tegenover deze dienaars van God de wereld, waaraan datgene vreemd is, waarom die drie hun iets zijn. Zij, de wereld, dient om het geloof door bestrijding te bevestigen, die het door Paulus en Apollos en Cefas gepredikte woord heeft gewerkt. Van deze tegenstelling tussen hetgeen is gaat de apostel verder tot die van de bestaanswijze, leven en dood en tot die van de tijd, heden en toekomst. De dood verlost de Christenen uit de ellende van het aardse, terwijl het leven hen gelegenheid geeft vrucht voort te brengen. Het heden is echter een vorm van de dingen, die oefent in het hopen op die toekomst, die het tegenspel van het tegenwoordige zal zijn of aanbrengen.
De waarschuwing voor het zich overgeven aan menselijke autoriteit, voor het zich afhankelijk maken van mensen bevestigt de apostel door de waarde van de apostelen op de voorgrond te stellen als een, die in hun deelgenootschap aan Christus en door Hem van God ontheven is van alle dergelijke afhankelijkheid, integendeel er aanspraak op hebben, dat alles wat van God en Christus afhankelijk is, hen dient en bevorderlijk is in het bereiken van hun bestemming. In plaats van in partijdige eenstemmigheid te zeggen: deze en die behoort mij toe als mijn meester en leidsman, moesten zij zich allen daarvan bewust zijn, dat alles en allen hen toebehoren. Dit wordt nu gespecificeerd en wel zo, dat ten eerste, zoals het doel van de hele rede meebracht, de verschillende leraars, die men als partijhoofden stempelde, op de voorgrond worden gesteld. Hij wil zeggen dat zij zich ieder van deze naar de bijzondere gaven ten nutte moesten maken, in plaats van uitsluitend aan de ene of andere te blijven hangen. In hoge verheffing breidt hij vervolgens de gedachte verder uit, dan het naaste doel eiste; hij noemt ook de wereld en vervolgens leven en dood, tegenwoordige en toekomende dingen.
Bij de tweemaal uitgesproken zin "alles is het uwe" heeft de apostel een vorm van partij belijdenis op het oog, als bijvoorbeeld: "Paulus is de mijne" of "Cefas is mijn man! " Nadat hij nu in Vers 22 de actieve eigendomsbetrekking van de Christenen, aan wie alles dienstbaar is, heeft uitgesproken een verhouding, die naar haar algemeenheid het verheffen op menselijk gezag moet weren, voegt hij er in Vers 23 ook haar passieve eigendomsbetrekking bij, die evenzeer met die verzekerdheid in strijd is, zodat dus ook in dit opzicht het roemen op een mens (Vers 21) niet dan verkeerd kan zijn. Als hij bij de zin: "maar u bent van Christus" nog voegt: "en Christus is van God", hoewel het tot bevestiging van het verbod "niemand roemt op mensen" niet nodig was, heeft het plaats, omdat, zo hij met de eerste had gesloten, hij schijnbaar recht zou hebben gegeven aan hen, die zeiden: "ik ben van Christus" en zich daardoor als Christus eigendom noemden, om op geen mens te roemen. Dit nu wilde hij niet, want de belijdenis van deze partij, hoewel wat het denkbeeld aangaat, juist, was toch door schismatisch misbruik verwerpelijk. Hij klimt daarom tot het hoogste, tot de absolute instantie op, waaraan Christus onderworpen is, om hier, als hij drie partijen verwerpt die op menselijk gezag steunen, ook die "van Christus" haar onrecht te laten voelen. Hij wilde zeggen: Christus is geen partijhoofd, waartoe velen Hem zouden willen maken, maar behoort voor God en is er dus verre boven verheven, dat Hij in partijschappen zou worden ingehaald. Evenals namelijk de Godgelijkheid van Christus en Zijn goddelijke heerlijkheid vóór de menswording, hoewel wezenlijk toch een afgeleide was (Kol 1:15), zo is de goddelijke glorie, die hij verkregen heeft door Zijn verhoging, om Zijn gehoorzaamheid tot in de dood van het kruis betoond een, die Hem weer verleend is (Johannes 17:5) en Zijn heerschappij is volgens Hoofdstuk 15:28 1Co bestemd, om aan God te worden teruggegeven.
Een Christen is als het kind in het huis van de vader, dat alles wat hem omringt met blijde blik overzien en onder het oog van de vaders gebruiken kan met het denkbeeld: het is in beginsel het mijne, omdat het mijn vaders eigendom is. Ook de wereld is de zijne, want hij mag die "gebruiken als niet misbruikend". Het leven is het zijne, want het werd hem verleend en verlengd, opdat hij het naar de vrijen drang van de liefde aan de hoogste Eigenaar wijden zou; maar de zijne is ook de dood, want die bode van de verschrikking voor de zondaar is zijn vriend, ja in Christus de overwonneling, die hem naar het land van de heerlijkheid overbrengt. Tegenwoordige en toekomende dingen, zij moeten beiden tot zijn zaligheid medewerken en kunnen niets opleveren, dat hem wezenlijk schaden zou. Alles in één woord heeft, goed gebruikt, hem iets te geven; wel verstaan hem iets te leren; wel beschouwd, hem iets nader te brengen aan het einddoel van zijn aardse en hemelse roeping. Altijd natuurlijk, het kan er niet te ernstig bijgevoegd worden, onder de stilzwijgende voorwaarde, dat hij waarlijk van Christus is, zoals Christus van God. Bent u de Zijne niet, zelfs wat u uw eigendom noemt, het is dit niet echt; het is ten hoogste geleend goed, dat u ieder ogenblik kan ontvallen, of zelfs als het al in uw hand blijft berusten, u tot geestelijke schade kan strekken. Hoe duidelijk staat het ook hier weer te lezen en hoe krachtig wordt het door de ervaring van iedere dag meer gestaafd. Alleen de Christen is rijk en de mens buiten Christus, hij is voor God de armste van de armen, al ware ook hier beneden de ruimste schatkist te klein om Zijn goud of zilver te bergen. Maar ook van de andere kant: ieder Christen is rijk om het even of hem een hut of een paleis ter woning verstrekt; die van Christus zijn, zij zijn mede deelgenoten van al wat Hij het Zijne kan noemen. Acht u rijkdom geluk, welnu, gelukkiger mens is er niet dan de Christen, want zijn rijkdom heeft ruimere omvang, vastere grond, hogere waarde en bestendigere duur dan al de schatten van de wereld.
U bent van Christus. U bent de Zijne door overgave, want de Vader gaf u aan de Zoon; de Zijne door Zijn bloedig rantsoen, want Hij heeft de prijs voor uw verlossing betaald; de Zijne door toewijding, want u heeft uzelf aan Hem overgegeven; de Zijne door verwantschap, want u bent naar Zijn naam genoemd en tot een van Zijn broeders en medeërfgenamen gemaakt. Toon de wereld door uw leven dat u een dienstknecht, de vriend, de bruid van de Heere Jezus bent. Wordt u tot zonde verleid, antwoord: Hoe zou ik zo'n groot kwaad doen, want ik ben van Christus. Onvergankelijke beginsels verbieden de vriend van Christus te zondigen. Wordt u enige rijkdom aangeboden, die door zonde te verkrijgen is, zeg dat u van Christus bent en raak het niet aan. Bent u aan moeilijkheden en gevaren blootgesteld, sta vast in de kwade dag, wetend dat u van Christus bent. Bent u geplaatst daar, waar andere lui en nutteloos zitten, neem uw arbeid op met al uw macht en al staat u het op uw voorhoofd, zodat u in verzoeking gebracht wordt om te vertragen, roep uit: Nee, ik kan niet stilstaan, want ik ben van Christus. Was ik niet door bloed vrijgekocht, dan zou ik zoals Issaschar zijn, onder een dubbele last bukkend; maar ik ben van Christus en kan niet vertragen. Wil het syrene gezang van wereldse vreugde u van het juiste pad afbrengen, antwoord: uw muziek kan mij niet bekoren, ik ben van Christus. Als Gods zaak u roept, wijd er u geheel aan; als de armen uw hulp inroepen geef van uw goed en geef uzelf, want u bent van Christus. Doe uw belijdenis nooit oneer aan. Gedraag u altijd als een Christen, spreek als een Nazareeër en laat uw gedrag en uw omgang zó hemels zijn, dat allen die u zien zeggen mogen: u behoort de Zaligmaker toe en in u Zijn voetstappen, druipende van liefde en Zijn heilig aangezicht herkennen. Ik ben een Romein, was vanouds een reden tot rechtschapenheid: laat nog oneindig meer uw drijfveer tot heiligheid zijn: Ik ben van Christus.