2 Corinthiërs 11:1-4
Hier kunnen wij opmerken:
1. De verdediging van den apostel omdat hij zich opnieuw zal aanbevelen. Het verdriet hem, dat hij ditzelfde onderwerp nog verder bespreken moet. Och, of gij mij een weinig verdroegt in de onwijsheid, vers 1. Hij noemt het onwijsheid, omdat het werkelijk slechts al te dikwijls niets anders is. In zijn geval was het noodzakelijk, maar toch, begrijpende dat anderen het onwijsheid konden achten, vraagt hij hun hem te verdragen in dezen. Zo goed als het een hoogmoedig man tegen de borst stuit om zijn gebreken te erkennen, zo goed stuit het een nederig man tegen de borst om zich zelven te prijzen. Het is voor een goed man niet aangenaam wèl van zich zelven te spreken, maar in sommige gevallen is het noodzakelijk, namelijk, indien het moet ten voordele van anderen of tot eigen verdediging, gelijk hier. Want:
2. Wij hebben de redenen voor hetgeen de apostel deed.
A. Om de Corinthiërs te bewaren voor verdorven te worden door de verdachtmakingen van de valse apostelen, vers 2 en 3. Hij zegt hun, dat hij ijverig over hen is met een ijver Gods, hij was bevreesd dat hun geloof verzwakken zou door het luisteren naar onderstellingen, die ten doel hadden hun eerbied voor zijne bediening te verflauwen, zijne bediening waardoor zij tot het Christendom gebracht waren. Hij had hen aan een man voorgesteld, dat is, hen bekeerd tot het Christendom, en de bekering ener ziel is haar huwelijk met den Heere Jezus, en hij was begerig om hen als een reine maagd voor te stellen, rein, smetteloos, trouw, die niet haar zinnen bedorven had door valse leerstellingen van valse leraren, gelijk Eva door de arglistigheid van de slang bedrogen was. Deze goddelijke naijver van den apostel was een vereniging van liefde en vrees, en getrouwe dienaren kunnen slechts bevreesd zijn voor hun gemeenten, dat ze niet mogen verliezen wat ze ontvangen hebben, zich afkeren van hetgeen ze omhelsd hebben, voornamelijk wanneer bedriegers opgestaan zijn en bij hen binnengekropen.
B. Om zich te verdedigen tegen de valse apostelen, voorzover zij niet konden voorwenden een anderen Jezus te hebben, of een anderen Geest, of een ander Evangelie te prediken, vers 4. Indien dat het geval geweest ware, dan zou er enige reden bestaan hebben om hen te verdragen en naar hen te luisteren. Maar aangezien er slechts een Jezus, een Geest en een Evangelie is, die onder hen gepredikt en door hen aangenomen zijn, of ten minste behoren te zijn: welke reden kunnen nu de Corinthiërs hebben om zich door de kunstgrepen van tegenstanders te laten innemen tegen hem, die hun het eerst tot het geloof gebracht heeft? Het was een rechtvaardige reden van naijver, dat zulke personen bedoelden een anderen Jezus, een anderen Geest en een ander Evangelie te verkondigen.