Genesis 2:16-17
Merk hier op: I. Gods gezag over de mens als een schepsel, begaafd met rede en een vrije wil. De Heere God gebood de mens, die nu stond als een publiek persoon, de vader en vertegenwoordiger van geheel het mensdom, om, gelijk hij kort te voren een natuur ontvangen heeft, nu voor zich en al de zijnen een wet te ontvangen. God gebood aan alle schepselen naar hun bevatting en vermogens, Psalm 148:6, 104:9. redeloze schepselen hebben ieder hun eigen instinct, maar de mens was bekwaam gemaakt om redelijke dienst te verrichten, en daarom ontvangt hij niet alleen het gebod van een Schepper, maar het gebod van een Vorst en Gebieder. Hoewel Adam een zeer groot, een zeer goed en een zeer gelukkig man was, heeft de Heere God hem toch geboden, en het gebod strekte niet tot vermindering van zijn grootheid, noch tot een smaad van zijn goedheid, noch tot afneming van zijn geluk. Laat ons Gods recht erkennen om ons te regeren, en onze plicht om ons door Hem te laten regeren, en nooit aan onze eigen wil toelaten om in strijd of mededinging te zijn met de heilige wil van God.
II. De bijzondere daad van dit gezag in Hem voor te schrijven, wat hij moest doen, en op welke voorwaarden hij de gunst zijns Scheppers zou behouden. Hier is:
1. Een bevestiging van zijn tegenwoordige geluksstaat in deze schenking: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten. Dit was niet alleen een vergunning van vrijheid voor hem om de heerlijke vruchten van het paradijs te nemen als een beloning voor zijn zorg en moeite om de hof te bouwen en te bewaren, 1 Corinthiërs 9:7, 10, maar het was daarbij nog een verzekering van leven voor hem, onsterfelijk leven, als hij gehoorzaam was. Want de boom des levens in het midden des hofs zijnde, vers 9 als het hart en de ziel er van, heeft God ongetwijfeld daar het oog op gehad, inzonderheid in deze schenking, toen daarom, na zijn rebellie, deze schenking herroepen werd, wordt van geen enkele boom des hofs gesproken als voor hem verboden, behalve van de boom des levens Hoofdstuk 3:22, waarvan daar gezegd wordt dat hij er van zou kunnen eten en in eeuwigheid leven, dat is: nooit sterven, noch ooit zijn geluksstaat verliezen. "Blijf heilig, zoals gij zijt overeenkomstig de wil uws Scheppers, en gij zult gelukkig blijven, zoals gij zijt in het genot van de gunst uws Scheppers, hetzij in dit paradijs, of in een, dat nog beter is." Op voorwaarde dus van een volkomene, persoonlijke en voortdurende gehoorzaamheid, was Adam verzekerd van het paradijs voor zich en zijn erfgenamen tot in eeuwigheid.
2. Een op de proefstelling van zijn gehoorzaamheid, op straffe van de verbeurte van al zijn geluk. Maar van de andere boom, die zeer dicht bij de boom des levens stond, (want van beide wordt gezegd, dat zij in het midden van de hof zijn) en die de boom van de kennis genoemd werd, ten dage als gij daarvan eet zult gij de dood sterven. Alsof Hij gezegd had: Weet Adam, dat gij thans wel op u zelf acht moet geven, gij zijt tot proefneming in het paradijs geplaatst, wees oplettend, wees gehoorzaam, en het zal voor altijd wel met u wezen, maar anders zult gij even rampzalig zijn, als gij nu gelukkig zijt. Hier wordt Adam, in geval van ongehoorzaamheid, met de dood bedreigd, stervende zult gij sterven, waardoor een stellig en schrikkelijk vonnis wordt aangeduid, zoals in het eerste gedeelte van dit verbond: etende zult gij eten, een vrije en volledige schenking wordt aangeduid.
Merk op: a. Dat zelfs aan Adam in de staat van de onschuld ontzag werd ingeboezemd door een bedreiging. Vrees is een van de handvatsels van de ziel, waaraan zij gegrepen en vastgehouden wordt. Indien hij dus deze omtuining nodig had, hebben wij haar nog veel meer nodig. b. De straf, waarmee gedreigd wordt, is de dood. Gij zult sterven, dat is: "Gij zult geen toegang hebben tot de boom des levens. en al het goede, dat er door aangeduid wordt, en al het geluk, dat gij nu smaakt of in het vooruitzicht hebt, zult gij verliezen. Gij zult onderhevig worden aan sterven, en aan al de ellende, die er aan voorafgaat, en er mee vergezeld gaat."
c. Hiermede werd gedreigd als onmiddellijk gevolg van de zonde: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven, dat is: "Gij zult sterfelijk worden, in staat om te kunnen sterven. De schenking van de onsterfelijkheid zal herroepen worden en die beschutting u worden ontnomen. Gij zult onderworpen worden aan de dood, als een veroordeelde misdadiger die voor de wet dood is", (alleen verkreeg Adam, omdat hij de wortel van het menselijk geslacht moest wezen nog uitstel), "ja de voorlopers van de dood zullen u terstond aangrijpen, en van nu voortaan zal uw leven een stervend leven wezen." En dit, voorzeker, is een vastgestelde regel: de ziel, "die zondigt, die zal sterven."
Adam werd op de proef gesteld met een stellige wet, niet te eten van de vrucht van de boom van de kennis. Nu was het zeer gepast om zijn gehoorzaamheid door een gebod als dit op de proef te stellen.
a. Omdat de reden er van zuiver en alleen in de wil van de Wetgever berust. Adam had in zijn natuur een afkeer van hetgeen op zich zelf kwaad was, en daarom wordt hij op de proef gesteld door iets dat kwaad was alleen omdat het was verboden, en, op zich zelf iets kleins, iets gerings zijnde, was het juist daarom des te meer geschikt, om er zijn gehoorzaamheid aan te beproeven.
b. Omdat het bedwang er van gelegd is op de begeerten van het vlees en het verstand, die, in de verdorvene natuur van de mens, de twee grote bronnen zijn van zonde. Het verbod beteugelde beide zijn begeerte naar zingenot, en zijn eerzucht naar zeldzame kennis, opdat zijn lichaam beheerst zou worden door zijn ziel, en zijn ziel door zijn God.
Zo gerust en tevreden, zo gelukkig was de mens in zijn staat van de onschuld, daar hij had al wat zijn hart kon begeren om hem gelukkig te maken. Hoe goed was God voor hem! Met hoe vele gunstbewijzen heeft Hij hem overladen! Hoe zacht waren de wetten, die Hij hem gaf! De mens nochtans, in waarde zijnde, begreep zijn eigen belangen niet, en is daarom weldra als de beesten geworden, die vergaan.