Genesis 2:8-15
Daar nu de mens bestaat uit lichaam en ziel, een lichaam, gemaakt uit de aarde, en een redelijke, onsterfelijke ziel, de ademtocht des hemels, hebben wij in deze verzen de voorziening, die gemaakt was voor beider welzijn en geluk. Hij, die hem gemaakt heeft, heeft er voor gezorgd om hem gelukkig te maken, indien hij zich slechts in die geluksstaat had bewaard en die had weten te waarderen. Dat deel van de mens, waardoor hij verwant is aan de wereld van het gevoel, of van de zinnen, was gelukkig gemaakt, want hij was geplaatst in het paradijs Gods, dat deel, hetwelk verwant is aan de wereld van de geesten, was goed verzorgd, want hij werd opgenomen in een verbond met God. Heere, wat is de mens, dat hij aldus verhoogd zou worden? De mens, die een worm is! Hier hebben wij:
I. Een beschrijving van de hof van Eden die bestemd was om het huis en het domein van deze voornamen heer te wezen, het paleis van deze vorst. De door Gods Geest gedreven schrijver, die in de eerste plaats voor de Joden heeft geschreven, en in zijn verhaal rekening heeft gehouden met de staat van kindsheid, waarin de kerk zich toen nog bevond, beschrijft in deze geschiedenis de dingen naar hun uiterlijk aanzien, en laat ons over, om door nadere ontdekking van het Goddelijk licht, tot het begrip geleid te worden van de verborgenheden, die er in zijn opgesloten. Geestelijke dingen waren vaste spijze, die zij nog niet konden verdragen, maar hij schrijft hun als tot vleselijken, 1 Corinthiërs 3:1. Daarom verwijlt hij niet zo zeer bij het geluk van Adams geest, als wel bij het geluk van zijn uitwendige toestand. De Mozaïsche geschiedenis geeft ons evenals de Mozaïsche wet, veeleer de afbeeldingen van de hemelse dingen, dan de hemelse dingen zelf, Hebreeën 9:23.
Merk op: 1. Dat de plaats, bestemd voor Adams woning, een hof was, geen ivoren huis, geen paleis met goud overtogen, maar een hof, gemeubeld en versierd door de natuur, niet door de kunst. Hoe weinig reden hebben de mensen om trots te zijn op statige en prachtige gebouwen, als het toch de gelukzaligheid was van de mens in de staat van de onschuld, om ze niet nodig te hebben! Gelijk de klederen, zo kwamen ook de huizen, met de zonde. De hemel was het dak van Adams huis, en nooit was enig dak zo kunstig geplafonneerd en geschilderd. De aarde was zijn vloer en nooit was een vloer zo rijk ingelegd, de schaduw van de bomen diende hem tot afzondering, daaronder waren zijn eetzalen, zijn slaapkamers, en nooit waren kamers zo fraai behangen als dezen, Salomo's kamers in al haar heerlijkheid waren niet zo fraai versierd. Hoe meer wij ons kunnen schikken naar het eenvoudige, en hoe minder wij ons toegeven in die kunstmatige verlustigingen, die uitgevonden zijn om der mensen hoogmoed en weelde te strelen, hoe dichter wij naderen tot de staat van onschuld. De natuur is met weinig tevreden, en met hetgeen het meest natuurlijk is, de genade met nog minder, maar lust of begeerte is met niets tevreden.
2. Het plan en de inrichting van deze hof waren het onmiddellijke werk van Gods wijsheid en macht. De Heere God plantte deze hof, dat is: Hij had hem geplant-op de derde dag, toen de vruchten van de aarde gemaakt werden. Wij kunnen met grond onderstellen, dat het de volkomenste plaats voor genoegen en genot was, die de zon ooit heeft gezien, daar de algenoegzame God zelf alle hof bestemd heeft voor het tegenwoordig geluk van Zijn bemind schepsel, de mens, in zijn staat van onschuld, en hij een type en voorbeeld was van de gelukzaligheid van het verkoren overblijfsel in de heerlijkheid. Geen genot kan liefelijk of bevredigend wezen voor een ziel, dan het genot, dat God er voor bereid en bestemd heeft er is geen waar paradijs, dan dat, hetwelk God geplant heeft, het licht van onze eigen vuren, en de spranken, die wij ontstoken hebben, zullen ons spoedig in het duister laten, Jesaja 50:11. De gehele aarde was toen een paradijs, vergeleken met wat zij is sedert de val, en sedert de zondvloed. De schoonste tuinen in de wereld zijn een woestijn, vergeleken met wat de gehele oppervlakte van de grond geweest is, eer hij om des mensen wil vervloekt werd. Maar dat was nog niet genoeg: God plantte een hof voor Adam. Aan Gods uitverkorenen zullen onderscheiden gunsten bewezen worden.
3. De ligging van die hof was uiterst liefelijk. Het was in Eden, hetwelk genot en verlustiging betekent. De plaats wordt hier beschreven naar zulke kenmerken en grenzen, als (naar ik veronderstel) genoegzaam waren in de tijd, toen Mozes schreef, ter bijzondere aanduiding voor hen, die dat land kenden, maar nu kunnen, naar het schijnt, de nieuwsgierigen geen voldoening hieromtrent verkrijgen. Laat het onze zorg wezen om ons een plaats te verzekeren in het hemelse paradijs, dan behoeven we ons niet te kwellen met een onderzoek naar de plaats van het aardse paradijs. Het is zeker, dat het, waar het ook geweest moge zijn, alle gewenste genoegens en geriefelijkheden had, en (hetgeen van geen huis of hof op aarde gezegd kan worden) geen ongemakken of bezwaren. Schoon van ligging, de vreugde en heerlijkheid van de gehele aarde, was deze hof. Het was ongetwijfeld de aarde in haar hoogste volmaaktheid.
4. De bomen, waarmee deze hof beplant was. a. Hij had met de overigen van de grond de beste en keurigste bomen gemeen. Hij was verfraaid en versierd met iedere boom, die wegens zijn hoogte en omvang, zijn bouw en zijn kleur, zijn blad en zijn bloesem, aangenaam en bekoorlijk was voor het oog. Hij was vervuld en verrijkt met iedere boom, die vrucht droeg, aangenaam voor de smaak, en nuttig voor het lichaam, en dus goed tot spijze. Als een teder Vader, ging God niet slechts te rade met hetgeen voor Adam nuttig was, maar ook met hetgeen hem liefelijk en aangenaam was, want er is een genoegen dat zeer wel bestaanbaar is met onschuld, ja er is een waar en alles overtreffend genoegen in onschuld. God schept behagen in de voorspoed van Zijn dienstknechten, en wil hen gerust en welvarend hebben, het is hun eigen schuld zo zij ongerust zijn. Als God in Zijn voorzienigheid ons plaatst in een Eden van overvloed en genot, dan moeten wij Hem dienen met vrolijkheid en goedheid des harten vanwege de veelheid van alles wat Hij ons geeft. Maar,
b. hij had twee buitengewone bomen, die aan deze hof alleen eigen waren, er waren geen dergelijke op de aarde. Er was de boom des levens in het midden van de hof, die niet zo zeer een memoriaal was van de Bron en Oorsprong van zijn leven, en wellicht ook geen natuurlijk middel was om het leven te bewaren of te verlengen, maar voornamelijk bedoeld was een teken en zegel te wezen voor Adam, dat hem de voortduring en het geluk van zijn leven verzekerde, zelfs tot de onsterfelijkheid en de eeuwige gelukzaligheid door de genade en gunst van zijn Maker op voorwaarde van zijn volharden in die staat van onschuld en gehoorzaamheid. Van die boom kon hij eten en leven. Nu is Christus voor ons de Boom des levens, Openbaring 2:7, 22:2,. en het Brood des levens, Johannes 6:48, 53.
b. Er was ook de Boom van de kennis des goeds en des kwaads, aldus genoemd, niet omdat er enigerlei kracht in was om nuttige kennis voort te brengen of te vermeerderen want dan zou hij voorzeker niet verboden zijn maar:
Ten eerste, omdat er een uitdrukkelijke, besliste openbaring was van de wil van God betreffende deze boom, zodat hij er zedelijk goed en kwaad door kon kennen. Wat is goed? Het is goed niet van deze boom te eten. Wat is kwaad? Het is kwaad van deze boom te eten. Het onderscheid tussen alle andere goed en kwaad was van nature in het hart des mensen geschreven: maar dit, hetwelk voortvloeide uit een bepaalde wet, was op deze boom geschreven.
Ten tweede, omdat uit de gebeurtenis gebleken is, dat hij aan Adam een proefondervindelijke kennis van goed gegeven heeft door het verlies er van, en van kwaad door het gevoel, of de bewustheid er van. Gelijk het in het verbond van de genade niet alleen heet: "Geloof, en word zalig," maar ook "Geloof niet en word verdoemd," Markus 16:16, zo was er in het verbond in de staat van de onschuld niet alleen: "Doe dit, en leef", hetwelk verzegeld en bevestigd was door de boom des levens, maar "Laat het na en sterf" hetgeen ons verzekerd werd door de andere boom: er is gevaar voor u als gij hem aanraakt, zodat God in deze twee bomen aan Adam goed en kwaad heeft voorgesteld, "de zegen en de vloek," Deuteronomium 30:19. Deze twee bomen waren als twee sacramenten.
5. De rivieren, die deze hof bewaterden, vers 10-14. Deze vier rivieren (de ene rivier die verdeeld was in vier hoofden of takken) droegen veel bij tot de schoonheid en vruchtbaarheid van deze hof. Van het land van Sodom wordt gezegd, dat het "geheel bevochtigd was, als de hof des Heeren." Hoofdstuk 13:10.
Merk op: Dat hetgeen God plant, door Zijn zorg ook wel bewaterd zal worden. De bomen van de gerechtigheid zijn geplant aan waterbeken, Psalm 1:3. In het hemelse paradijs is een rivier, die deze zeer verre overtreft, want het is een rivier van het water des levens, niet, zoals deze, komende uit Eden, maar voortkomende uit de troon Gods en van het Lam, Openbaring 22:1, een rivier die de stad Gods verblijdt, Psalm 46:5. Hiddekel en de Eufraat zijn rivieren van Babylon, waarvan wij elders lezen, en bij welke de gevankelijk weggevoerde Joden zaten "en weenden als zij gedachten aan Zion," Psalm 137:1, maar mij dunkt, zij, (en ook wij) hadden veel meer reden om te wenen als zij gedachten aan Eden. Adams paradijs was hun gevangenis, zo'n ellende heeft de zonde teweeggebracht. Van het land van Havilah wordt gezegd, vers 11, 12, dat het goud van dit land goed is, en dat daar ook is bedolah en de steen sardonyx, dit wordt voorzeker vermeld, om de rijkdom van het land van Havilah als een tegenhanger te doen zijn van die, die de heerlijkheid van Eden uitmaakte. Havilah had goud en specerijen, en edelgesteenten, maar Eden had hetgeen oneindig beter was, den boom des levens, en gemeenschap met God. Zo kunnen wij van de Afrikanen en Indiërs zeggen: "Zij hebben het goud, maar wij hebben het Evangelie. Het goud van hun land is goed maar de schatten van het onze zijn oneindig beter."
II. Het plaatsen van de mens in dit paradijs van de verlustiging, vers 15, waar wij hebben op te merken: 1. Hoe God hem in het bezit er van stelde. De Heere God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden, vers 8, 15.
Merk hierop: a. Dat de mens gemaakt was buiten het paradijs, want nadat God hem geformeerd had, zette Hij hem in de hof, hij was van gewoon leem, niet van paradijsstof, gemaakt. Hij leefde buiten Eden, eer hij in Eden leefde, opdat hij zien zou, dat hij al het liefelijke van zijn paradijstoestand aan Gods vrije genade was verschuldigd. Hij kon geen pachtersrecht op de hof aanvoeren want hij was niet op het erf geboren, ook had hij niets dan wat hij had ontvangen, en zo was dan alle roem voor altijd uitgesloten. b. Dezelfde God, die de Oorsprong was van zijn bestaan, was ook de Oorsprong van zijn zaligheid. Dezelfde hand, die hem tot een levende ziel heeft gemaakt, heeft ook de boom des levens voor hem geplant, en er hem bij gevestigd. Hij, die ons gemaakt heeft, is alleen machtig om ons gelukkig, zalig te maken. Hij, die de Formeerder is van ons lichaam, en de Vader van onze geest, Hij, en niemand buiten Hem, kan afdoend voor het geluk zorgen van die beide. Het zal zeer veel tot het liefelijke bijdragen van iedere toestand, als wij God duidelijk voor ons heen hebben zien gaan, en dus weten, dat Hij ons in die toestand heeft geplaatst. Als wij de voorzienigheid niet gedwongen, maar gevolgd, hebben, gelet hebben op haar wenken en aanduidingen, dan kunnen wij hopen een paradijs te vinden, waar wij het anders niet verwacht zouden hebben, zie Psalm 47:5.
2. Hoe God hem werk en bezigheid gaf. Hij heeft hem daar geplaatst, niet gelijk de leviathan in de wateren, om er te spelen, maar om de hof te bouwen en te bewaren. Zelfs het paradijs was geen plaats, die van werk vrijstelde.
Merk hier op: a. Dat niemand van ons in de wereld gezonden is, om er lui en ledig te zijn. Hij die ons lichaam en onze ziel gemaakt heeft, heeft ons iets gegeven om ermede te werken, en Hij, die ons deze aarde ter woonplaats heeft gegeven, heeft iets voor ons gemaakt om er op te werken. Indien een hoge afkomst, of een grote bezitting, of een ruim domein, of volkomene onschuld, of een aanleg voor zuivere bespiegeling, of een klein gezin, iemand een vrijbrief voor gemak kon geven, dan zou Adam niet aan het werk gesteld zijn, maar Hij, die ons het aanzijn gaf, heeft ons werk gegeven om Hem te dienen in onze tijd en geslacht, en onze zaligheid te werken, en indien wij ons werk niet doen, dan zijn wij ons bestaan en onderhoud niet waard.
b. Dat wereldlijke bezigheden zeer bestaanhaar zijn met een staat van onschuld en een leven van gemeenschap met God. De zonen en erfgenamen des hemels hebben, zo lang zij hier in deze wereld zijn, iets te doen op aarde, waaraan zij een deel moeten geven van hun tijd en hun gedachten, en als zij het doen met het oog op God, dienen zij Hem daarin even waarlijk, als wanneer zij op de knieën zijn.
c. Dat het beroep van de landman een aloud en eervol beroep is, het was zelfs in het paradijs nodig. De hof van Eden behoefde wel niet gewied te worden-want de last van doornen en distels bestond toen nog niet-maar hij moest bebouwd en bewaard worden. Zelfs in haar oorspronkelijke toestand liet de natuur nog plaats voor de verbeteringen door kunst en vlijt. Het was een beroep, geschikt voor de staat van de onschuld, voorziening makende voor leven, niet voor lusten, en de mens de gelegenheid gevende om de Schepper te bewonderen, en Zijn voorzienigheid te erkennen terwijl zijn handen bezig waren met zijn bomen, kon zijn hart bezig zijn met zijn God.
d. Er is een waar genot in het werk, waartoe God ons roept, en ons in gebruikt. Adams werk was er zo ver af een vermindering te zijn van zijn genot in het paradijs, dat het er juist nog aan toevoegde, dit genot verhoogde. Hij zou niet gelukkig hebben kunnen zijn, indien hij lui en ledig ware geweest, en nog altijd geldt de wet: dat zo iemand niet wil werken, hij ook geen recht heeft om te eten, 2 Thessalonicenzen 3:10, Spreuken 3:23.
III. Het gebod, dat God aan de mens in zijn staat van de onschuld heeft gegeven, en het verbond, waarin Hij hem toen heeft opgenomen. Tot nu toe hebben wij God gezien als des mensen machtige Schepper, en milde Weldoener, nu verschijnt Hij als zijn Bestuurder en Wetgever. God zette hem in de hof van Eden, niet om er naar zijn eigen zin en wil te leven, maar om er onder bestuur en regering te zijn. Gelijk het ons niet vergund is lui te zijn, en niets te doen in de wereld, zo is het ons ook niet vergund om eigenzinnig te zijn, en te doen wat ons behaagt. Toen God de mens heerschappij had gegeven over de schepselen, wilde Hij hem laten weten, dat hij zelf onder het bestuur was van zijn Schepper.