Genesis 25:1-10
Na het huwelijk van Izaak leefde Abraham nog vijf en dertig jaar, en alles wat hem aangaande in dat tijdsbestek bericht wordt, ligt hier in enige weinige verzen. Wij horen niet meer van Gods buitengewone verschijningen aan hem, of van zijn beproevingen, want zelfs van de uitnemendste heiligen zijn niet alle dagen dagen van grote betekenis, sommige er van verlopen kalm en stil, en komen noch gaan met uiterlijk gelaat, zo waren de laatste dagen van Abraham. Wij hebben hier:
I. Een bericht omtrent zijn kinderen bij Ketura, de vrouw, die hij na de dood van Sara gehuwd heeft. Hij had Sara begraven en Izaak uitgehuwelijkt, de twee dierbare gezellen van zijn leven, en nu was hij eenzaam. Hij had een verzorgster nodig, en zijn gezin een bestuurster, en het was niet goed voor hem om aldus alleen te zijn, daarom huwt hij Ketura, die waarschijnlijk zijn opperdienstmaagd was, geboren in zijn huis of gekocht met zijn geld. Het huwelijk is niet verboden aan oude lieden. Bij haar had hij zes zonen in wie de belofte aan Abraham betreffende de grote toeneming van zijn nageslacht gedeeltelijk vervuld werd, waarop hij ook waarschijnlijk bij dit huwelijk het oog had. De kracht, die hij door de belofte ontvangen had, was nog in hem, om te tonen hoe ver de kracht der belofte die van de natuur overtreft.
II. Abrahams beschikking over zijn goederen vers 5, 6. Na de geboorte van zijn zonen, gaf hij bevel aan zijn huis met wijsheid en rechtvaardigheid.
1. Izaak maakte hij tot zijn erfgenaam, gelijk hij naar recht verplicht was jegens Sara, zijn eerste en voornaamste vrouw, en aan Rebekka, die op deze belofte en verzekering Izaak gehuwd had, Hoofdstuk 24:36. In het alles dat hij zijn zoon Izaak vermaakte, zijn wellicht ook begrepen de belofte van het land Kanaän en het onvervreemdbare erfdeel van het verbond. Daarom maakte hij hem tot erfgenaam van zijn bezittingen. In onze genegenheid en onze gaven moeten wij God voor ogen hebben.
2. Aan zijn andere kinderen gaf Abraham geschenken, zowel aan Ismaël, ofschoon deze in het eerst ledig weggezonden werd, als aan zijn zonen bij Ketura. Het was naar recht dat hij voorzieningen voor hen maakte, ouders, die hem hierin niet navolgen, zijn erger dan ongelovigen. Het was wijs om hen ver van Izak te vestigen, opdat zij er geen aanspraak op zouden maken de erfenis met hem te delen, of hem op enigerlei wijze zorg zouden baren, of hem op onkosten brengen.
Merk op dat hij dit nog bij zijn leven heeft gedaan, opdat het niet later zou behoeven gedaan te worden, en dan wellicht niet zo goed zou worden gedaan. In veel gevallen is het verstandig, als de mensen hun eigen handen tot uitvoerders maken van hun wilsbeschikking, en voor zoveel zij het kunnen, wat er te doen is doen terwijl zij nog leven. Deze zonen van de bijwijven werden gezonden naar het land, dat ten oosten van Kanaän lag, en hun nakomelingen werden "kinderen van het oosten" genaamd, vermaard wegens hun talrijkheid, Richteren 6:5, 33. Hun grote toename was de vrucht van de belofte, gedaan aan Abraham, dat God zijn zaad zou vermenigvuldigen. In het toebedelen van Zijn zegeningen doet God zoals Abraham gedaan heeft: aan de kinderen van deze wereld schenkt Hij algemene zegeningen, zoals aan de zonen van de dienstmaagd, maar voor de erfgenamen van de belofte heeft Hij verbondszegeningen weggelegd. Al wat Hij heeft, is het hunne, want zij zijn "Zijn Izaaks," van wie de anderen voor altijd gescheiden zullen zijn. III. De ouderdom en de dood van Abraham, vers 7, 8. Hij leefde honderd vijf en zeventig jaar, nog juist honderd jaar nadat hij naar Kanaän was gekomen: zó lang is hij een bijwoner geweest in een vreemd land. Hoewel hij lang leefde, en goed leefde, hoewel hij goed deed en slecht gemist kon worden, stierf hij toch ten laatste. Let er op hoe zijn dood hier wordt beschreven.
1. Hij gaf de geest. Zijn leven werd hem niet ontwrongen, hij heeft het goedsmoeds overgegeven, in de hand van de Vader der geesten heeft hij zijn geest bevolen.
2. Hij stierf in goede ouderdom, dat had God hem beloofd. Zijn dood was zijn ontslagen worden van de lasten van zijn ouderdom, een oud man zou niet altijd zo willen leven, het was ook de erekroon van zijn ouderdom.
3. Hij was des levens zat, met al de gerieflijkheden en aangenaamheden van het leven. Hij heeft niet geleefd totdat de wereld hem moede was, maar totdat hij de wereld moede was, hij heeft er genoeg van gehad en begeerde niets meer, "Vixi quantum satis este- Ik heb lang genoeg geleefd," zei Seneca. Al zou een Godvruchtige niet oud sterven, sterft hij toch des levens zat, het leven hier zat zijnde, en verlangende om in een betere plaats te leven.
4. Hij werd verzameld tot zijn volken. Zijn lichaam werd verzameld tot de vergadering der doden en zijn ziel tot de vergadering der zaligen. De dood verzamelt ons tot onze volken. Zij, die ons volk zijn terwijl wij leven, hetzij het volk van God of de kinderen der wereld zijn, zijn het volk, tot hetwelk wij vergaderd worden.
IV. Zijn begrafenis, vers 9, 10. Er wordt hier van generlei pracht of statigheid bij zijn begrafenis melding gemaakt, er wordt ons slechts gezegd:
1. Wie hem begroeven. Zijn zonen Izaak en Ismaël. Het was de dienst van liefde en eerbied, die zij hun goede vader bewezen. Er was vroeger enige koelheid tussen Izaak en Ismaël geweest, maar het schijnt dat of Abraham hen, terwijl hij nog leefde, tot elkaar had gebracht, of dat tenminste de dood verzoening tussen hen had teweeggebracht.
2. Waar zij hem begroeven: in zijn eigen begraafplaats die hij gekocht had, en waarin hij Sara had begraven. Zij, die bij hun leven zeer dierbaar aan elkaar geweest zijn, kunnen de wens koesteren om bij elkaar begraven te worden, en die wens is niet slechts onschuldig maar prijzenswaardig, opdat zij ook in de dood niet gescheiden zijn, en ten teken van hun hoop om samen te verrijzen.