Numeri 25:16-18
God had de Israëlieten voor hun zonde gestraft met een plaag, als een Vader heeft Hij Zijn eigen kinderen met de roede gekastijd, maar wij lezen niet dat iemand van de Midianieten aan die plaag gestorven is, God heeft voor hen andere maatregelen genomen, Hij strafte hen met het zwaard van een vijand, niet met de roede van een vader.
1. Aan Mozes wordt bevolen, hoewel hij de zachtmoedigste mens was, en allesbehalve wraakzuchtig, vijandelijk met de Midianieten te handelen en hen te verslaan, vers 17. Wij moeten ons stellen tegen hetgeen ons een aanleiding is tot zonde, waarin het ook moge bestaan, al was het ook een rechteroog, of een rechterhand, Mattheus 5:29, 30. Dat is de heilige toorn en wraak, die door droefheid naar God wordt gewerkt, 2 Corinthiërs 7:11.
2. De reden, gegeven voor die wraakoefening is: dat zij vijandig tegen ulieden gehandeld hebben door hun listen, vers 18. Al wat ons tot zonde brengt, moeten wij beschouwen als iets dat ons vijandig is, als een doorn in het vlees. Het kwaad, dat de Midianieten aan Israël gedaan hebben door hen tot hoererij te verleiden, moet in gedachtenis worden gehouden en gestraft worden met evenveel strengheid als het kwaad, dat de Amalekieten hun gedaan hebben door met hen te strijden toen zij uit Egypte kwamen, Exodus 17:14. God zal gewis afrekenen met hen, die des duivels werk doen door de mensen tot zonde te verleiden, inzonderheid met hen, die Israël doen zondigen. Zie voor nadere orders omtrent deze zaak Hoofdstuk 31:2.