Numeri 22:1-14
De kinderen Israëls hebben nu eindelijk hun omwandelingen in de woestijn volbracht, waaruit zij getrokken zijn, Hoofdstuk 21:18, en zijn nu gelegerd in de vlakke velden van Moab, nabij de Jordaan, waar zij bleven totdat zij na de dood van Mozes onder aanvoering van Jozua deze rivier overgetrokken zijn. Nu hebben wij hier:
I. De angst, waarin de Moabieten verkeerden op de nadering van Israël, vers 2-4. Zij behoefden geen kwaad van hen te vrezen, als zij wisten (en waarschijnlijk heeft Mozes het hun doen weten) welke orders God aan Israël had gegeven, namelijk om niet tegen de Moabieten te strijden, noch hun enigerlei vijandschap te betonen, Deuteronomium 2:9. Maar zo zij hier al kennis van droegen, vreesden zij toch dat dit slechts geveinsd was om hen in slaap te wiegen, ten einde hen dan zoveel gemakkelijker te kunnen tenonder brengen. In weerwil van de oude vriendschap tussen Abraham en Lot besloten de Moabieten Israël ten verderve te brengen, zo zij konden, en daarom nemen zij voor waar aan, zonder de minste grond voor hun vermoeden te hebben, dat Israël besloten had hen te verderven. Zo is het de gewoonte van hen, die kwaad beramen, voor te geven dat kwaad beraamd wordt tegen hen, en hun vrees zonder grond moet dan tot dekmantel dienen voor hun kwaadwilligheid zonder oorzaak. Zij horen van de overwinningen, behaald op de Amorieten, vers 2, en denken nu dat hun eigen huis in gevaar is, als dat van hun nabuur in brand staat. Zij letten op hun menigte, vers 3. Moab vreesde voor het aangezicht dezes volks, want het was veel, en daaruit maken zij op hoe gemakkelijk zij hun land konden veroveren indien er niet terstond krachtige maatregelen werden genomen, om hen in hun zegevierende loop te stuiten. Zij zullen ons oplikken, of ons verslinden, al wat rondom ons is, even snel en onweerstaanbaar als de os het groen des velds oplikt, vers 4, en daarmee erkennende, dat zij tegen zo'n geduchte vijand niet opgewassen zijn. Daarom waren zij zeer bevreesd en in grote angst, aldus zijn de goddelozen "vervaard geworden, waar geen vervaardheid is," Psalm 53:6. Deze vrees deelden zij mee aan hun naburen, de oudsten van Midian, opdat zij tezamen maatregelen zouden beramen voor hun wederzijdse veiligheid want, zo het koninkrijk van Moab valt, zal de republiek van Midian niet lang in stand blijven. Als de Moabieten gewild hadden, dan hadden zij hun voordeel kunnen doen met Israëls voorspoed tegen de Amorieten, zij hadden reden om zich te verblijden, en God en Israël te danken, dat zij verlost waren van de dreigende macht van Sihon, de koning van de Amorieten, die reeds een deel van hun land had weggenomen en zeer waarschijnlijk ook het overige zou overmeesterd hebben. Zij hadden ook wel reden naar Israëls vriendschap te dingen, en hun te hulp te komen, maar de Godsdienst van hun stamvader, Lot, verlaten hebbende en verzonken zijnde in de afgoderij, haatten zij het volk van de God Abrahams, en zijn zij rechtvaardig verdwaasd geworden in hun beraadslagingen en overgegeven aan benauwdheid en ellende.
II. Het plan, beraamd door de koning van Moab, om het volk van Israël vervloekt te krijgen, dat is: God tegen hen te doen zijn, die, zoals zij bespeurden, tot nu toe voor hen had gestreden. Hij vertrouwde meer op zijn kunstenarijen dan op zijn wapenen, en had het idee, dat, zo hij de een of andere profeet kon krijgen, om door zijn krachtige tovermiddelen kwaad over hen in te roepen, en over hemzelf en zijn krijgsmacht een zegen uit te spreken, hij, hoewel anders te zwak, dan wel instaat zou zijn hun het hoofd te bieden. Dit denkbeeld ontstond:
1. Uit de overblijfselen van de een of andere Godsdienst, want hiermede wordt afhankelijkheid erkend van sommige onzichtbare souvereine machten, die de zaken van de mensen beheersen en ze bepalen, en de verplichting die wij hebben, om ons tot die machten te wenden, ze in te roepen. 2. Uit het verderf van de ware Godsdienst, want indien de Midianieten en Moabieten niet ellendig ontaard waren en afgeweken van het geloof en de aanbidding van hun vrome voorvaderen, Abraham en Lot, dan zouden zij het niet voor mogelijk hebben kunnen denken, om met hun vervloekingen enigerlei kwaad te kunnen doen aan een volk, dat nog alleen de dienst van de ware God bleef aankleven, van wiens dienst zij zelf waren afgekeerd.
III. Zijn aanzoek bij Bileam, de zoon van Beor, een vermaard waarzegger, om Israël te komen vervloeken. Deze Bileam woonde op een grote afstand, in het land, vanwaar Abraham gekomen was, en waar Laban heeft gewoond, maar hoewel er waarschijnlijk dichter bij velen waren, die aanspraak maakten op waarzeggerij, was er toch niemand, die vanwege zijn succes er zich zo'n naam in had gemaakt als Bileam, en Balak wil de beste gebruiken, die hij krijgen kan, al moet hij hem dan ook van zeer ver laten komen, zozeer heeft hij zijn hart gesteld op dit plan. Om hem te krijgen:
1. Maakt hij hem tot zijn vriend, doet hij zijn beklag bij hem, als zijn vertrouweling over het gevaar, waarin hij verkeert vanwege de talrijkheid en de nabijheid van het leger Israëls, vers 5, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.
2. Hij maakt hem eigenlijk tot zijn god door de grote kracht en macht, die hij toeschrijft aan zijn woord: wie gij zegent zal gezegend zijn, en wie gij vervloekt, die zal vervloekt zijn vers 6. Bisschop Patrick is geneigd om met veel Joodse schrijvers te denken, dat Bileam een groot profeet is geweest, die wegens het uitkomen van zijn voorzeggingen en de verhoring van zijn gebeden, beide voor goed en voor kwaad, terecht beschouwd werd als een man, die grote invloed had bij God, maar dat hij trots en geldgierig geworden was, en dat daarom God van hem was geweken, en dat hij om zijn afnemende reputatie nog op te houden, zich aan duivelskunstenarijen had gewijd. Hij wordt een profeet genoemd, 2 Petrus 2:16, omdat hij dit eenmaal geweest is, of misschien heeft hij reeds van het begin zijn vermaardheid verworven door toverkunsten, zoals Simon de tovenaar, die het volk zozeer betoverd had, dat zij hem "de grote kracht Gods" noemden, Handelingen 8:10. Vervloekingen, door Gods profeten in de naam des Heeren uitgesproken, hebben een wonderbaarlijke uitwerking, zoals die van Noach, Genesis 9:25 die van Elisa, 2 Koningen 2:24, K maar "een vloek die zonder oorzaak is, zal niet komen," Spreuken 26:2, niet meer dan die van Goliath gekomen is, toen "hij David vloekte bij zijn goden," 1 Samuël 17:43. Laat ons begeren de gebeden van Gods dienaren voor ons te hebben, en vrezen ze tegen ons te hebben, want er wordt bijzonder acht op geslagen door Hem, die in waarheid zegent, en in waarheid vloekt. Maar Balak kan toch op deze vleiende plichtplegingen niet vertrouwen als alleen voldoende om met Bileam te overwinnen, de voornaamste drijfveer moet nog komen, vers 7, zij "hadden het loon van de waarzeggingen in hun hand, het loon van de ongerechtigheid, dat hij liefgehad heeft," 2 Petrus 2:15.
IV. Het bedwang, dat God Bileam heeft opgelegd, hem verbiedende Israël te vloeken. Het is zeer waarschijnlijk dat Bileam, een weetgierig en nieuwsgierig man zijnde, geen vreemdeling was voor Israëls zaak en hoedanigheid en gehoord had dat God in waarheid met hen was, zodat hij de boden terstond het antwoord had moeten geven, dat hij nooit een volk zou vloeken, dat God gezegend heeft, maar hij laat de boden bij zich vernachten, om zich in die nacht te beraden over hetgeen hij doen zou, en instructies van God te ontvangen vers 8. Als wij met een verzoeking in bespreking treden, dan lopen wij groot gevaar er door overwonnen te worden. In de nacht komt God tot hem, waarschijnlijk in een droom, en vraagt hem wat die vreemdelingen bij hem komen doen, Hij weet het, maar Hij wil het van hem weten. Bileam zegt Hem met welke boodschap zij gekomen zijn, vers 9-11, en nu gebiedt God hem om niet met hen te gaan, noch het te wagen om dat gezegende volk te vloeken, vers 12. Zo heeft het God soms behaagd om ter bewaring van Zijn volk, tot slechte mensen te spreken, zoals tot Abimelech, Genesis 20:3, en tot Laban, Genesis 31:24. En wij lezen van sommigen, die werkers van de ongerechtigheid zijn geweest, en toch in Christus' naam hebben geprofeteerd, en veel wonderen hebben gedaan. Aan Bileam wordt gelast niet slechts om niet tot Balak te gaan maar ook om het niet te beproeven dit volk te vloeken, hetgeen hij gepoogd kon hebben op een afstand te doen, en de reden voor dit verbod wordt gegeven: "want het is gezegend." Dit was een deel van de zegen van Abraham, Genesis 12:"Ik zal vervloeken, die u vervloekt," zodat een poging om hen te vloeken niet slechts vruchteloos, maar gevaarlijk zou zijn. Israël had God dikwijls getergd in de woestijn, maar toch wil Hij hun vijanden niet toelaten hen te vloeken, want Hij "vergeldt hun niet naar hun ongerechtigheden.' De zaligheid van hen, wier zonden bedekt zijn, is hun deel, Romeinen 4:6, 7.
V. De terugkeer van de boden zonder Bileam.
1. Bileam geeft niet getrouw Gods antwoord aan de boden weer, vers 13. Hij zegt hun slechts: De Heere weigert mij toe te laten met ulieden te gaan. Hij zei hun niet wat hij hun had behoren te zeggen, namelijk dat Israël een gezegend volk was, en volstrekt niet vervloekt mag worden, want dan zou het plan teniet zijn gedaan, en de verzoeking niet zijn herhaald, maar inderdaad verzoekt hij hun namens hem aan Balak te zeggen, dat hij zijn onderdanige dienaar is, zijn plan zeer toejuicht, en hem zeer gaarne ter wille geweest zou zijn, maar dat hij in waarheid het karakter heeft van een profeet, en zonder verlof van God niet moet heengaan, welk verlof hij niet gekregen heeft en daarom moet hij voor het ogenblik voor verontschuldigd gehouden worden. Diegenen zijn een goed doelwit voor de pijlen van Satans verzoekingen, die op verkleinende wijze van Gods verboden spreken, alsof zij niets meer waren dan een weigering van verlof, en alsof tegen Gods wet in te gaan alleen maar was een gaan zonder Zijn verlof.
2. De boden brengen Bileams antwoord ook niet getrouw over aan Balak, zij berichten hem niets anders dan: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan, vers 14, te kennen gevende dat hij slechts nog meer aangezocht wilde worden, en hogere aanbiedingen wilde ontvangen, maar zij willen niet, dat Balak te weten zou komen, dat God Zijn afkeuring van de zaak heeft te kennen gegeven. Zo worden de groten van de aarde ellendig misleid door de vleierijen van hen, die hen omringen, die alles doen wat zij kunnen om te beletten, dat zij hun eigen dwaasheden en gebreken zien.