Genesis 21:14-21
Hier is:
I. Het uitdrijven van de dienstmaagd met haar zoon uit het gezin van Abraham, vers 14. Abrahams gehoorzaamheid aan het Goddelijk bevel omtrent deze zaak was snel, vroeg in de morgen, onmiddellijk, naar wij kunnen veronderstellen, nadat hij in het nachtelijk visioen orders had ontvangen om dit te doen. Het was ook onderworpen aan, het ging in tegen, zijn oordeel, tenminste tegen zijn neiging om dit te doen, maar zodra hij weet, dat dit de wil van God is, maakt hij geen tegenwerpingen, maar doet zwijgend wat hem geboden is, als iemand, die geleerd heeft onbepaald en zonder tegenspreken te gehoorzamen. Toen hij hen aldus wegzond, zonder enig geleide van dienaren, te voet, en met slechts zeer weinig levensmiddelen, heeft hij waarschijnlijk gehandeld zoals het hem geboden was. Indien Hagar en Ismaël zich in Abrahams gezin goed hadden gedragen, dan zouden zij er hebben kunnen blijven, maar zij hebben zichzelf door hun hoogmoed en onbeschoftheid uitgeworpen, en die hoogmoed en onbeschoftheid werden toen met recht gestraft. Als wij misbruik maken van onze voorrechten, verbeuren wij ze. Zij, die er geen besef van hebben hoe goed het hun is in een gezin als dat van Abraham, en het dus niet weten te waarderen verdienen er uit verjaagd te worden, zodat zij dan de waarde van de zegeningen leren kennen door het gemis er van.
II. Hun ronddwalen in de woestijn, van de weg afdwalende naar de plaats, die Abraham voor hun vestiging bestemd had.
1. Daar geraakten zij in grote verlegenheid. Hun provisie was op, en Ismaël was ziek. Hij, die in Abrahams huis zo overvloedig gevoed placht te worden, daar vet werd en achteruit sloeg, was nu flauw van honger en dorst, daar hij nu op rantsoen gesteld was. Hagar weent, en is nu voldoende verootmoedigd. Nu verlangt zij naar de kruimels, die zij aan de tafel van haar meester heeft verspild, van weinig waarde had geacht, en daar zij onder de geest der dienstbaarheid is, wanhoopt zij er aan hulp te zullen verkrijgen, en rekent zij op niets anders dan op de dood van haar kind, vers 15, 16, hoewel God haar reeds voordat hij geboren was gezegd had, dat hij zou opgroeien en een groot man zou worden. Wij zijn zeer geneigd vroegere beloften te vergeten als de tegenwoordige omstandigheden er in tegenspraak mee schijnen te zijn, want wij leven door de zinnen, en gaan af op hetgeen wij gevoelen en zien.
2. In deze benauwdheid verschijnt God genadig tot haar hulp en redding, Hij hoorde de stem van de jongen, vers 17. Wij lezen van geen woord, dat hij gezegd heeft, maar zijn zuchten en kermen en zijn rampzalige toestand riepen luid in de oren van de barmhartigheid. Een engel werd gezonden om Hagar te vertroosten, en het was niet de eerste maal, dat de vertroostingen Gods tot haar gekomen zijn in de woestijn, dankbaar had zij zich voor een vorig vriendelijk bezoek getoond, dat God haar in gelijke omstandigheden gebracht had, Hoofdstuk 16:13, en daarom heeft God haar weer op tijd met hulp bezocht. De engel verzekert haar dat God haar nood kent, God heeft naar de stem van de jongen gehoord op de plaats waar hij is, al is die plaats een woestijn, want waar wij ook zijn, overal is er een open, toegankelijke weg naar de hemel, en daarom, hef de jongen op, en houd hem vast met uw hand vers 18. Gods bereidwilligheid om ons te helpen als wij in benauwdheid zijn, moet onze pogingen om onszelf te helpen niet verslappen, maar versterken. Hij herhaalt de belofte ten aanzien van haar zoon, dat hij tot een groot volk zal worden, als een reden waarom zij haar krachten moet inspannen om hem te helpen. Wij weten niet wat God voor kinderen of jonge lieden heeft weggelegd, welk gebruik Hij in Zijn voorzienigheid van hen maken zal, en die gedachte moet ons aansporen om voor hen te zorgen, ons moeite voor hen te geven. Hij voert haar heen naar hetgeen nu dadelijk in haar behoefte voorziet, vers 19. Hij opende haar ogen, die gezwollen en bijna verblind waren door haar tranen, en toen zag zij een waterput. Velen, die redenen genoeg hebben om vertroost te moeten worden, treuren de ganse dag omdat zij de reden niet zien, die zij hebben om getroost te zijn. Er is een waterput bij hen in het verbond der genade, maar zij zien hem niet, zij hebben er geen nut van voordat God, die hun ogen geopend heeft om hun wonde te zien, ze ook opent om hun geneesmiddel te zien, Johannes 16:6, 7. Nu zegt ons de apostel, dat die dingen betreffende Hagar en Ismaël "allêgoroumena" zijn, Galaten 4:24, "een andere betekenis hebben," want zij dienen om de dwaasheid aan te tonen van hen die:
a. zoals de ongelovige Joden, gerechtvaardigd zoeken te worden door de wet en de vleselijke inzettingen er van, en niet door de beloften, gedaan in Christus, waardoor zij zich in een woestijn van gebrek en wanhoop begeven en er in omdwalen. De levensbehoeften voor hun ziel raken weldra uitgeput, en zo God door Zijn bijzonder kroonrecht en door een wonder van Zijn genade hun ogen niet opent, hen van hun dwaling geneest, dan zijn zij verloren.
b. De dwaasheid ook van hen, die geluk en bevrediging menen te vinden in de wereld en de dingen van de wereld. Zij, die zich afwenden van de vertroostingen van het verbond en de gemeenschap met God, en hun deel kiezen in deze aarde, vergenoegen zich met een fles water, een armzalige, onvoldoende leeftocht, die weldra uitgeput zal zijn. Eindeloos dwalen zij om in het zoeken naar bevrediging van de behoeften van hun ziel, en zitten eindelijk neer, zonder haar gevonden te hebben, er aan wanhopende haar te zullen vinden.
III. Ismaëls vestiging ten laatste in de woestijn van Paran, vers 20, 21, een woeste plaats, geschikt voor een man van een woeste aard zoals hij er een was, Hoofdstuk 16:12. Zij, die geboren zijn naar het vlees vergenoegen zich met de woestijn van deze wereld, terwijl de kinderen van de belofte het oog gericht hebben op het hemelse Kanaän, en niet kunnen rusten vóór zij daar zijn.
Merk op:
1. Hij had tekenen van Gods tegenwoordigheid, God was met de jongen, hieraan had hij zijn uitwendige voorspoed te danken.
2. Van beroep was hij een boogschutter, hetgeen aanduidt dat hij uitmuntte in kracht en behendigheid, en dat sport zijn dagelijks bedrijf was. De verworpen Ezau was een behendig jager.
3. Hij huwde met iemand uit de landgenoten van zijn moeder, zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland. Hoe goed hij als boogschutter ook was, hij dacht toch niet met een huwelijk te zullen slagen zonder de hulp en de toestemming van zijn moeder.