Job 34:10-15
Het doel van Elihu's rede is Job te verzoenen met zijn beproeving, en zijn geest er tot kalmte onder te brengen. Te dien einde had hij hem in het vorige hoofdstuk getoond dat God geen leed voor hem bedoelde met hem te beproeven, maar er zijn geestelijk welzijn door wilde bevorderen. In dit hoofdstuk toont hij aan dat God hem geen onrecht deed door hem te beproeven, noch hem meer strafte dan hij verdiende. Kon ook het vorige niet overmogen om hem te bevredigen, zo behoort toch dit hem tot zwijgen te brengen. In deze verzen richt hij zijn rede tot het gehele gezelschap: "Gijlieden van verstand, hoort naar mij, vers 10, en toont uw verstand door in te stemmen met hetgeen ik zeg." En dit is het wat hij zegt: Dat de rechtvaardige God aan geen van Zijn schepselen ooit onrecht gedaan heeft en nooit zal doen, maar Zijn wegen zijn recht, de onze zijn onrecht.
De waarheid, die hier hooggehouden en gehandhaafd wordt, betreft de gerechtigheid en de billijkheid van al Gods handelingen.
I. Hoe duidelijk wordt die waarheid voorgesteld, zowel ontkennender- als bevestigenderwijs.
1. Hij doet aan niemand kwaad. God kan geen goddeloosheid doen, en de Almachtige kan geen onrecht doen, vers 10. Het is onbestaanbaar met de volmaaktheid van Zijn natuur, en ook even onbestaanbaar met de reinheid van Zijn wil vers 12. God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet. Hij kan noch wil iets doen dat onrecht is, noch met enig mens hard handelen. Nooit zal Hij het kwaad van de straf opleggen, dan waar Hij het kwaad vindt van de zonde, noch in onrechtmatige verhouding, want dat zou wezen goddelooslijk te handelen en het recht te verkeren. Als er een beroep op Hem wordt gedaan, of als Hij een beslissende uitspraak doet, dan geeft Hij acht op de zaak, niet op de persoon, want dat zou zijn het recht te verkeren. Hij zal noodt enig mens onrecht doen, noch aan enig mens recht weigeren, maar, de hemelen zullen weldra Zijn gerechtigheid verkondigen. Omdat Hij God is, en dus oneindig volmaakt en heilig is, kan Hij noch zelf onrecht doen, noch het steunen of goedkeuren in anderen evenmin als Hij kan sterven, of liegen, of zichzelf kan verloochenen. Hoewel Hij almachtig is, gebruikt Hij nooit Zijn macht, zoals machtige mensen dikwijls doen, ter ondersteuning of bescherming van onrecht. Hij is El Shaddai, God Almachtig, en daarom "kan Hij niet verzocht worden met het kwade," Jakobus 1:13, om iets te doen dat onrecht is.
2. Hij doet gerechtigheid aan allen, vers 11. Naar het werk des mensen vergeldt Hij hem.. Goede werken zullen beloond, boze werken zullen gestraft worden, zodat Hij vroeg of laat, in deze of in de toekomende wereld, een ieder zal doen vinden naar zijn weg. Dit is de vaste regel voor de bedeling des rechts: aan een ieder te vergelden naar zijn werk. Zegt de rechtvaardige dat het hem wel gaan zal, Wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan. Het goede kan wel voor een wijle onbeloond en het kwade ongestraft blijven, maar er komt een dag, wanneer God aan een ieder ten volle vergelden zal naar zijn werken, en dat wel met interest voor het uitstel.
II. Met hoeveel gloed en ijver dit staande wordt gehouden.
1. Met volle verzekerdheid van de waarheid ervan: Ook waarlijk, vers 12. Het is een waarheid, die niemand in twijfel kan trekken of ontkennen, wij kunnen haar als aangenomen en toegestemd beschouwen, allen stemmen er mee in dat God geen goddeloosheid kan doen. 2. Met afschuw van het blote denkbeeld van het tegendeel, vers 10. Verre zij God van goddeloosheid te doen, en van ons om zo iets te denken, er het minste vermoeden van te koesteren, of iets te zeggen, waardoor wij de schijn aannemen van Hem ervan te beschuldigen.
III. Hoe onomstotelijk dit bewezen wordt door twee argumenten.
1. Zijn onafhankelijke, volstrekte vrijmacht en heerschappij, vers 13. Wie heeft Hem gesteld over de aarde en Hem gezonden om de zaken van de mensen op aarde te besturen? Of wie heeft de gehele wereld geschikt? Hij alleen bestuurt de koninkrijken van de mensen, en dat bestuur heeft Hij van zichzelf, het werd Hem niet opgedragen door of voor iemand anders.
a. Het is zeker, dat Zijner is de heerschappij en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en van de aarde, en daarom moet Hij niet van ongerechtigheid worden beschuldigd, want zou de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Genesis 18:25. Hoe zou God de wereld hetzij besturen of richten, indien er ongerechtigheid in Hem was? Romeinen 3:5, 6. Hij, die recht heeft op zo'n onbeperkte macht, moet gewis onbevlekte reinheid in zich hebben. Dit is ook een goede reden, waarom wij behoren te berusten in al Gods handelingen met ons. Zal Hij, die over de gehele wereld beschikt, niet beschikken over ons en over hetgeen ons aangaat?
b. Even zeker is het, dat Hij aan niemand Zijn macht ontleent, en ook is het geen beschikking, die Hem is overgegeven, neen, Zijn macht is oorspronkelijk, en gelijk Zijn wezen, uit zichzelf. En daarom, indien Hij niet volmaakt rechtvaardig ware, de gehele wereld met al haar zaken en belangen zou spoedig in de uiterste verwarring wezen. De hoogste machten op aarde hebben een God boven zich, aan wie zij verantwoordelijk zijn, omdat het niet verre van hen is om goddeloosheid te doen. Maar God heeft niemand boven zich, omdat het niet mogelijk is, dat Hij iets zou doen (zodanig is de volmaaktheid van Zijn natuur) dat in bedwang gehouden moet worden, onder toezicht zou moeten staan. En als Hij een vrijmachtig soeverein is, dan zijn wij gehouden en verplicht ons aan Hem te onderwerpen, want er is geen hogere macht waarop wij ons kunnen beroepen, zodat die deugd een noodzakelijkheid is.
2. Zijn onweerstaanbare macht, vers 14. Indien Hij Zijn hart zet op de mens om tegen hem te strijden, veel meer nog indien Hij (zoals sommigen het lezen) Zijn hart tegen de mens zet om hem te verderven, indien Hij met de mens zou handelen, hetzij naar "summa potestas-naar blote soevereiniteit," of naar "summa jus- naar strikt recht," hij zou niet voor Hem kunnen bestaan, des mensen geest en adem zouden spoedig weg zijn, en alle vlees zou tegelijk de geest geven, vers 15. Veler eerlijkheid is zuiver en alleen te danken aan hun onmacht, zij doen geen onrecht omdat zij het niet kunnen steunen of handhaven als het gedaan is, of omdat het niet in hun macht is om het te doen. Maar God is machtig om elk mens gemakkelijk en plotseling te verpletteren, en toch verplettert Hij niemand door willekeurige macht, hetgeen dus toegeschreven moet worden aan de oneindige volmaaktheid van Zijn natuur, en deze is onveranderlijk. Zie hier:
a. Wat God kan doen met ons, Hij kan ons spoedig tot stof vermalen, daar is geen positieve daad van Zijn almacht toe nodig, indien Hij slechts de medewerking van Zijn voorzienigheid onttrekt waardoor wij leven, indien Hij de adem tot zich neemt, die in den beginne van Zijn hand was en nog in Zijn hand is, dan geven wij terstond de geest, zoals een dier in een luchtpomp als de lucht er geheel uit weg is.
b. Wat Hij met ons zou kunnen doen, zonder ons onrecht te doen, Hij kan het leven, het bestaan dat Hij gegeven heeft, terugnemen, want wij zijn er slechts de houders van zolang het Hem behaagt, en daarenboven hebben wij het nog verbeurd. Zolang ons dit dus door Zijn gunst behouden blijft, hebben wij geen reden om over onrecht te roepen, als ons enigerlei gemak of lieflijkheid ontnomen wordt, waarop wij toch nooit recht gehad hebben.