Job 31:9-15
Wij hebben hier nog twee voorbeelden van Jobs oprechtheid.
I. Hij had een zeer sterke afschuw van de zonde van overspel. Gelijk hij zijn eigen huwelijksbed niet geschonden had door een bijwijf te hebben (hij heeft niet eens gedacht aan of acht gegeven op, een maagd, zo was hij ook zeer zorgzaam om het huwelijksbed van zijn naaste niet te bevlekken.
Laat ons hier zien:
1. Hoe rein hij was van deze zonde, vers 9.
a. Hij heeft zijns naasten huisvrouw niet eens begeerd, want zijn hart is niet verlokt geweest tot een vrouw. De schoonheid van de huisvrouw eens anderen heeft geen onkuise begeerten in hem gewekt, en hij is ook nooit door de verlokkingen van een overspelige vrouw bewogen geworden, zoals die beschreven zijn in Spreuken 7:6 en verv. Zie de oorsprong van al de verontreinigingen van dit leven, zij komen voort uit een verlokt hart. Iedere zonde is bedrieglijk en geen is dit meer dan de zonde van de onkuisheid.
b. Hij heeft nooit een onkuis plan bedacht of beraamd. Hij heeft nooit aan zijns naasten deur geloerd, om de gelegenheid te hebben om zijn huisvrouw te verleiden in zijn afwezigheid, toen de man niet in zijn huis was, Spreuken 7:19. Zie Hoofdst. 24:15.
2. Welk een angst hij had voor die zonde, en hoe hij schrikte voor haar boosaardigheid-daar het een schandelijke daad is, vers 11, een van de grootste, vuilste zonden, waaraan een mens zich kan schuldig maken, uiterst tergend voor God en verderflijk voor het welvaren van de ziel. Ten opzichte van het kwaad ervan en de straf die zij verdiende, erkent hij dat, indien hij zich aan die snode misdaad had schuldig gemaakt:
a. Zijn geslacht met volle recht in de hoogste mate eerloos gemaakt zou kunnen worden, vers 10, zo moet mijn huisvrouw met een ander malen. Zo moet zij een slavin worden volgens sommigen, een hoer volgens anderen. God straft dikwijls de zonde van de een met de zonde van een ander, het overspel van de man met het overspel van de vrouw, zoals in Davids geval, 2 Samuël 12:11, hetgeen de ontrouw van de overspelige vrouw niet in het minst verontschuldigt, maar hoe groot haar ongerechtigheid ook is, God is rechtvaardig. Zie Hosea 4:13. "Uwe bruiden bedrijven overspel". Zij, die niet rechtvaardig en trouw zijn jegens hun bloedverwanten, moeten het niet vreemd vinden indien hun bloedverwanten onrechtvaardig en ontrouw zijn jegens hen.
b. Hijzelf zou rechtvaardiglijk in het openbaar tot een afschrikkend voorbeeld gesteld kunnen worden, want het is een misdaad bij de rechters, ja, al waren zij, die er schuldig aan zijn, ook zelf rechters, zoals Job rechter geweest is. Overspel is een misdaad, waarvan de burgerlijke overheid kennis behoort te nemen en die zij moet straffen, zo was het in de patriarchale tijd, eer de wet van Mozes haar tot een halsmisdaad heeft gemaakt. Het is een boos werk, waar het zwaard van de gerechtigheid een schrik voor moet wezen. c. Zij zou met recht de ondergang van zijn bezitting tengevolge kunnen hebben, ja, hij wist dat dit zo zijn zou, vers 12. Dat is een vuur. Lust is een vuur in de ziel, van hen, die er aan toegeven, wordt gezegd dat zij branden. Het verteert al wat goed is-de overtuigingen, de vertroostingen-en verwoest het geweten. Het ontsteekt het vuur van Gods toorn dat, zo het niet wordt uitgeblust door het bloed van Christus, tot in de diepste hel zal branden. Het zal verteren zelfs tot aan die eeuwige verwoesting. Het verteert het lichaam, Spreuken 5:11. Het verteert het vermogen, ontwortelt al de inkomsten. Brandende lusten brengen brandende oordelen teweeg. Misschien is hier een toespeling op het verbranden van Sodom, dat bedoeld was om een afschrikkend voorbeeld te zijn voor hen die later een even goddeloos leven zouden leiden.
II. Dat hij zeer teergevoelig was voor zijn dienaren en hen met zachtheid heeft geregeerd. Hij had een groot gezin van dienstboden, en heeft het goed bestuurd. Hierin betoonde hij zijn oprechtheid, dat hij genade had om zijn drift te beteugelen, zowel als zijn lusten, en hij, die in deze twee dingen heerschappij heeft over zijn geest, is beter dan de sterke, Spreuken 16:32.
Merk op:
1. Waarin Jobs inschikkelijkheid bestond jegens zijn dienstknechten, vers 13. Hij heeft het recht zijns dienstknechts of van zijn dienstmaagd niet versmaad, als zij geschil met hem hadden, dat is: als zij hem in het een of ander tegenspraken, dan was hij bereid naar hun redenen te luisteren. Als zij tegen hem hadden overtreden, of als zij bij hem aangeklaagd waren, dan wilde hij geduldig luisteren naar hetgeen zij tot hun verontschuldiging hadden in te brengen. Ja meer, als zij klaagden over enigerlei hardheid in zijn dienst, dan heeft hij hen niet uit het veld geslagen door hen te overbluffen, hun niet geboden te zwijgen, maar gaf hun verlof om hem te zeggen wat zij op het hart hadden, en als het bleek dat zij gelijk hadden, dan heeft hij hun grieven hersteld. Hij was zorgvuldig voor hen, niet alleen als zij hem dienden en hem reden gaven tot tevredenheid, maar zelfs als zij met hem twistten. Hierin was hij een groot voorbeeld voor meesters om hun dienstknechten "recht en gelijk te doen," Coloss. 4:1, Efeziers 6:9, hen niet te regeren met strengheid of hen te verdrukken. Velen van Jobs dienstknechten zijn gedood geworden in zijn dienst, Hoofdst. 1:15-17. De overigen waren ongehoorzaam en onvriendelijk voor hem, versmaadden zijn recht, hoewel hij nooit het hunne had versmaad, Hoofdst. 19:16, maar hij smaakte de vertroosting, dat hij in zijn voorspoed zich goed jegens hen had gedragen. Als verwanten of andere betrekkingen van ons worden weggenomen of tegen ons zijn verbitterd, dan zal het getuigenis van ons geweten, dat wij ons goed jegens hen hebben gedragen, ons grotelijks tot steun en vertroosting wezen.
2. Welke overwegingen hem ertoe hebben geleid om aldus vriendelijk te zijn voor zijn dienstknechten, hierin had hij het oog op God als zijn rechter en hun maker.
A. Als zijn rechter. Hij dacht: "Indien ik streng en gebiedend optreed tegen mijn dienstknechten, wat zou ik dan doen als God opstond?" Hij overwoog dat hij een Meester heeft in de hemel, aan wie hij rekenschap is verschuldigd, die zal opstaan en bezoeken zal, en het is van het uiterste belang voor ons om eens na te gaan wat wij "zullen doen ten dage van de bezoeking" Jesaja 10:3, en overwegende dat wij verloren zouden zijn indien God dan stipt en streng met ons zou wezen, behoren wij zeer zacht en vriendelijk te zijn jegens allen, met wie wij te doen hebben. Wat zou er van ons worden indien God tot in het uiterste zou letten op alles wat wij verkeerds doen, alle voordelen tegen ons zou aanwenden, zou aandringen op al Zijn rechtmatige eisen van ons, indien Hij bezoeking aan ons zou doen voor iedere overtreding, indien Hij altijd zou twisten, altijd de toorn zou behouden? Zo laat ons dan niet streng zijn jegens onze minderen. Wat zal er van ons worden indien wij wreed en onbarmhartig zijn jegens onze broederen? Het geroep van hen, aan wie onrecht gedaan is, zal gehoord worden, de zonden van hen, die het onrecht deden, zal worden gestraft, zij, die geen barmhartigheid betoond hebben, zullen geen barmhartigheid vinden. Wat zullen wij dan doen?
B. Als zijn Schepper en de Schepper van zijn dienstknechten, vers 15. Als hij in verzoeking was om hard te zijn jegens zijn dienstknechten, hun recht te weigeren, doof te zijn voor hun klachten, dan kwam hem zeer tijdig deze gedachte te binnen: Heeft niet Hij, die mij in de moederschoot maakte, hem ook gemaakt? Ik ben een schepsel, evenals hij en mijn bestaan is ontleend en afhankelijk zo goed als het zijne. Hij deelt met mij in dezelfde natuur, en is het werk van dezelfde hand, hebben wij niet allen een Vader? Welk verschil er ook moge zijn in de uitwendige omstandigheden van de mensen, in hun geestvermogens, of lichaamskracht of plaats in de wereld, Hij, die de een heeft gemaakt, heeft ook de andere gemaakt, hetgeen een goede reden is, waarom wij met van de mensen lichaamsgebreken niet moeten spotten, noch hen moeten vertreden, die op de een of andere wijze onze minderen zijn, maar in alles hun moeten doen zoals wij wensen dat ons gedaan zal worden. Het is een regel van de gerechtigheid: "Parium par sit ratio-Laat gelijken gelijkelijk geacht en behandeld worden, " en dewijl er dus zo groot een gelijkheid is onder de mensen, daar zij allen uit eenzelfde stof gemaakt zijn door dezelfde macht en tot hetzelfde doel, niettegenstaande de ongelijkheid in onze uitwendige omstandigheden, zijn wij verplicht om ons in zover op gelijken bodem met hen te plaatsen, dat wij in alle opzichten hun doen zoals wij wensen dat zij ons doen zullen.