Spreuken 29:21
1. Het is onvoorzichtig van een meester om al te veel van een knecht te houden, hem te schielijk te bevorderen, hem tot al te grote gemeenzaamheid met zich toe te laten, hem al te kieskeurig te laten zijn voor zijn eten en drinken, zijn kledij en zijn logies, en hem aldus weelderig op te voeden, omdat hij een gunsteling en een aangename knecht is, het moet niet vergeten worden dat hij een knecht is, en dat hij aldus verwend wordende, voor iedere betrekking ongeschikt zal zijn. Dienstknechten moeten ontberingen kunnen verduren.
2. Het is ondankbaar in een knecht en die ondankbaarheid komt veelvuldig voor om zich onbeschaamd aan te stellen omdat hij zo weelderig werd gehouden. De verootmoedigde verloren zoon acht zich niet waardig om zoon genoemd te worden, en is tevreden om een dienstknecht te zijn, de vertroetelde slaaf vindt zich te goed om een knecht genoemd te worden, en wil ten laatste een zoon zijn, wil zijn gemak nemen en zijn vrijheid hebben, wil met zijn meester op gelijke voet zijn, en misschien wel aanspraak maken om zijn erfgenaam te wezen. Laat meesters hun dienstknechten recht en gelijk doen, hun geven wat goed en geschikt voor hen is, niet meer en niet minder. Dit is zeer toepasselijk op het lichaam, dat een knecht is van de ziel, zij, die het lichaam weelderig houden, het vertroetelen, zullen ervaren dat het ten laatste zijn plaats vergeet, een zoon wordt, een meester, een volslagen tiran.