6. Gij zult ook vijftig gouden haakjes, gouden knopen of hoeken, die men aan de lussen deed, maken en gij zult de gordijnen door deze samenvoegen, het ene aan het andere, met deze haakjes, opdat het één tabernakel zij 1) doordit een tapijt overkleed.
1) Door middel van deze eerste bedekking moest alzo het inwendige van de tabernakel als met één tapijt bekleed en versierd worden, dat aan kleine haken, die zich boven in de hoogte van de drie wanden bevonden, opgehangen werd. Het bestond uit twee helften of afdelingen, elk van vijf tapijten, beide afdelingen waren door strikken en haken met elkaar verbonden, en had in zijn geheel een breedte van 28 el en een lengte van 4 bij 10 = 40 el. De middelste tien el van de breedte en de voorste 30 el van de lengte gingen op de overkleding van het plafond; 9 el van de breedte links en net zoveel rechts dienden tot het behangen van de brede zijwanden, de onderste, tiende el van de laatste bleef onbedekt, zodat daar het gouden overtreksel van de planken (Vers 29) (tenminste in de voor het heiligdom bestemde ruimte) bloot lag en een Talon. Het overige gedeelte van de bedekking bedekte de achterwand; wat daartoe aan de beide wanden (9 el rechts en 9 el links) te veel was, werd omgeslagen, zodat de gordijn aan de zijwanden glad gezien werd. Daar, waar de beide afdelingen door haken en strikken met elkaar verbonden waren, ging het voorhangsel, dat het heilige van het allerheilige (Vers 31) scheidde, van boven naar beneden..
Wat de symbolische betekenis van deze bedekking, de kostbaarste van allen betreft, zo wijst de grondstof, die door fijnheid en lichtheid uitmuntte, op de hogere hemelse natuur (Daniël10:5; 12:6 Openbaring 5:6; 19:8,14 ) van de dingen, die binnen de woning moesten afgeschaduwd worden; de glinsterend witte kleur zag op de heiligheid van de plaats, want het was de plaats van de samenkomst van God met Zijn volk. In de grondstof zijn met bontkleurig purpergaren allerlei kunstbeelden ingeweven, behalve de genoemde cherubim waarschijnlijk ook bloemen en palmen, deze als de hoogte vorm, de andere als de schoonste vrucht van het vegetatieve leven (1 Koningen 6:29,35). Dat karakteriseert eerst de tent tevens als een symbool van de hof van Eden, die de Heere na de verdrijving van de mens aan de cherubim ter bewaking overgegeven en vervolgens geheel van de aarde weggenomen heeft, welker levensvolheid Hij echter nu daardoor teruggeeft, dat Hij Zijn rijk op aarde bouwt. Voorlopig geeft Hij deze levensvolheid, welke ook de bloemen en kransen, waarmee alles in het heiligdom getooid is, moeten afbeelden, slechts in zinnebeelden terug, totdat Hij later, wanneer Zijn raadsbesluiten zullen volbracht zijn, ook in werkelijkheid doet. Van de drie purperkleuren, welke de kunstbeelden aan zich dragen, is het zwartachtige blauw de kleur van de hemel in de zuidelijke landen; het donkere glinsterende rood, de kleur van het bloed en ook van het leven (Leviticus 17:11,14). Alzo beschrijven deze het rijk van God als een rijk dat van de hemel gekomen is, waarin de Koning van alle koningen het volk van Zijn eigendom regeert en daardoor aanbeden wordt, en die het leven geeft aan allen, die tot dat rijk behoren; dat echter in dit rijk alles onder één hoofd moet gebracht worden, de hemelse geestenwereld met de aardse mensenwereld (Efe.1:10), daarop wijzen uitdrukkelijk de in de gordijnen ingeweefde cherubim..
De nadruk valt hier op het woordje één. Het moest één tabernakel zijn. De kerk van Christus is één. De Heere Jezus heeft beloofd, dat het zou worden één kudde. (Johannes 10:16).