Jeremia 11:11-18
Deze afdeling, die zoveel van Gods wraak bevat, kan zeer wel verwacht worden te volgen op die, welke voorafgaat en zoveel over de zonde van Zijn volk bevat. Als God zoveel kwaad onder hen aantreft, kunnen wij het niet vreemd vinden als er volgt: Zie, Ik zal een kwaad over hen brengen, vers 11, het kwaad van de straf voor het kwaad van de zonde en daar is geen hulpmiddel noch verlichting voor, het is besloten en het vonnis zal uitgevoerd worden.
I. Zij kunnen zichzelf niet helpen, maar zullen te zwak bevonden worden tegen Gods oordelen de strijd aan te binden, het is "kwaad, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen of er aan ontsnappen" door welke uitvlucht ook.
Merk op: zij, die zich niet aan Gods bestuur willen onderwerpen, zullen aan Zijn wraak niet kunnen ontkomen. Daar is geen wegvluchten voor Zijn rechtvaardigheid noch een ontwijken van Zijn rechtsgebied. Het kwaad vervolgt de zondaars, en verwart ze in strikken, waaruit ze zichzelf niet kunnen losmaken.
II. Hun God wil ze niet helpen, Zijn voorzienigheid zal ze in genen dele begunstigen: "Als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen." In hun droefheid willen zij de God zoeken, die ze tevoren versmaadden en roepen tot Hem, die ze tevoren zich niet verwaardigden aan te roepen. Maar hoe kunnen ze verwachten, dat ze slagen zullen? Hij heeft immers duidelijk gezegd, dat, wie zijn oor afwendt van de wet te horen zoals zij deden want zij neigden hun oor niet, vers 9, zijn gebed Hem zelfs een gruwel zal zijn, daar nu het Woord des Heeren voor hen een aanstoot was.
III. Hun afgoden zullen hen niet helpen, vers 12. Zij zullen gaan en roepen tot de goden, wie zij gerookt hebben, en hun in herinnering brengen de kostbare diensten, waarmee zij ze vereerd hadden, verwachtend nu, dat zij van hen verlichting zouden ontvangen, maar tevergeefs. Zij zullen gezonden worden "naar de goden, die zij verkoren hebben," Richteren 10:14, Deuteronomium 32:37 en 38, en wat bracht hen dit nu? "Zij zullen hen geheel niet kunnen verlossen" zullen niets tot hun redding doen, noch enig vooruitzicht hierop geven, zij zullen ze niet de minste troost verschaffen, noch de minste verlichting, of verzachting in hun smart aanbrengen. Het is God alleen die een vriend in de nood is, "een machtige hulp in tijden van benauwdheid." De afgoden kunnen zichzelf niet helpen, hoe zouden ze dan hun aanbidders helpen? Zij, die de wereld en het vlees tot hun afgoden maken, zullen tevergeefs hun toevlucht tot deze nemen ten dage van grote smart. Als de afgoden enige ware vriendelijkheid aan hun aanbidders hadden kunnen bewijzen, zouden ze het gedaan hebben voor dit volk, dat de waarachtigen God had verlaten om hen aan te hangen, dat het getal hunner afgoden had gemaakt overeenkomstig dat hunner steden, vers 13, ja zelfs, te Jeruzalem, overeenkomstig het aantal van zijn straten. Daar zij, hun voldoende geschiktheid en hun bereidwilligheid om ze te helpen beide in twijfel trokken, moesten ze er vele hebben, uit vrees dat een paar niet voldoende zouden zijn, zij moesten ze overal verspreid hebben staan, in elke hoek en, opdat zij niet ver weg zouden zijn als zij ze nodig mochten hebben. In Jeruzalem, de stad, die God verkoren had om Zijn naam daar te stellen, publiekelijk in de straten van Jeruzalem, in elke straat zelfs hadden zij "altaren gesteld voor die schande, altaren om voor Baäl te roken." Zij behoorden hierover beschaamd geweest te zijn, oneer deden zij de Heere aan, en een oordeel brachten zij over zichzelf. Maar na in hun grote smart kwamen hun vele goden en hun vele altaren hun in `t geheel niet van pas. Merk op: Zonde te bedrijven is slecht. Zij, die zich niet over `t doen van zonde als zodanig zullen schamen, komen toch beschaamd te staan in hun verwachtingen van de zonde, want zonde geeft geen vrucht.
IV. Jeremia's gebed zal hen niet helpen, vers 14. Wat God tevoren tegen hem gezegd had, Hoofdstuk 7:16, zegt Hij hier weer: Gij, dan, bid niet voor dit volk. Dit is niet bedoeld als een bevel aan de profeet, evenmin als een bedreiging aan het volk, dat zij geen voordeel zouden hebben van de gebeden, door hun vrienden voor hen opgezonden. God wilde de profeten geen aanmoediging geven voor hen te bidden, wilde de geest des gebeds niet wakker schudden, maar die verzwakken, wilde het hun in `t hart geven niet voor `t gehele volk te bidden, maar voor `t overblijfsel er van, te bidden voor hun eeuwige redding, niet voor de bevrijding van de tijdelijke oordelen, die over hen kwamen, en welke andere gebeden voor hen mochten opgezonden worden, zij zouden niet verhoord worden. Zij, voor wie het gebed niets vermag, zijn inderdaad in een treurigen toestand. "Als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen, en daarom gij dan bid niet voor hen."
Merk op: Zij, die zichzelf zo ver buiten Gods gunst hebben gebracht dat Hij naar hun gebeden niet wil horen, kunnen niet verwachten dat de gebeden door anderen voor hen opgezonden, iets te hun gunste vermogen.
V. De belijdenis, die zij van de godsdienst deden, zal hen van geen nut zijn, vers 15. Zij waren oorspronkelijk Gods beminde, Zijn bruid Hij was met hen in `t huwelijk getreden door het verbond van Zijn uitverkiezing, zelfs de ongelovige Joden worden gezegd te zijn: "beminden, om van de vaderen wille," Romeinen 11:28. Als zodanig hadden zij een plaats in Gods huis, werden zij toegelaten in de voorhoven van Zijn tempel te aanbidden, op Gods altaar werd ook voor hen geofferd, zij aten van `t vlees van hun zoenoffers, hier genoemd het "heilige vlees" waardoor God geëerd en zij getroost werden. Hierin roemden zij en hierop vertrouwden ze. Welk kwaad kon zulken treffen, die Gods beminden waren, die onder de bescherming van Zijn huis stonden? Zelfs wanneer zij "kwaad deden, dan sprongen zij op van vreugde," droegen er roem op en deden zeer veel van zich spreken. En, "wanneer hun kwaad" (dat is, hun straffe ellende) daar zou zijn, (zoals de kanttekening zegt), als zij in moeite kwamen, dan verheugden zij zich hierover en stelden hierop hun vertrouwen, maar dit vertrouwen zou hen bedriegen want God had het verworpen, daar zij zelf de voorrechten verbeurd hadden, waarop zij zich zo zeer beroemden. Zij hebben "die schandelijke daad met velen gedaan," zijn schuldig geweest aan geestelijke hoererij, hebben vele afgoden aangebeden, en daarom zal
1. Gods tempel "ze geen bescherming geven, " het is recht, dat de echtbreekster, voornamelijk wanneer ze zo dikwijls haar hoererij heeft herhaald en er zo brutaal en verstokt in is geworden, weggedreven zou worden, uit `t huis verjaagd: "Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen". Zij doet het schande aan en daarom zal het haar niet langer tot toevlucht dienen."
2. Gods altaar zal hun geen voldoening geven, ook kunnen zij er geen troost van verwachten: "Het heilige vlees is van u geweken dat wil zeggen, aan uw offeranden zal spoedig een einde gemaakt worden, als de tempel zal worden verwoest, en waar zal dan het heilige vlees zijn, waarop gij zo trots zijt?" Een rein hart zal een troost voor ons zijn als het heilige vlees van ons weggegaan is, een beginsel van genade in `t hart zal het gebrek aan uitwendige genademiddelen vergoeden. Maar, wee ons, als met het verdwijnen van het heilige vlees het vertrek van de Heiligen Geest gepaard gaat. Vl. Gods vroegere gunsten zullen hen van geen nut zijn, vers 16, 17. Hun herinnering hieraan zal geen troost voor hen bevatten in hun moeilijkheden, en Gods herinnering hieraan zal geen beweegreden zijn hun smart te verlichten.
1. Het is waar, dat God grote dingen voor hen gedaan had, dat volk was begunstigd boven elk ander volk onder de zon, zij waren des hemels gunstelingen geweest. God had Israëls naam genoemd een groene olijfboom, en had ze ook zo gemaakt, want Hij geeft niets een verkeerde naam, Hij had ze geplant, vers 17, had ze tot een volk geformeerd, had ze alle voordelen gegeven, die ze tot een vruchtbaar en bloeiend volk konden maken, hun wet was zo goed en hun land zeer best. Men zou niet anders verwachten, dan dat een volk zó geplant, zó besproeid en zó gekoesterd zou zijn als de olijfboom, altijd groen, zowel wat vroomheid als welvaart betreft, Psalm 52:10. God noemt ze "schoon van liefelijke vruchten," beide, goed tot voedsel en aangenaam om te zien, beide, beminnelijk en dienstbaar aan God en de mens, want door de groenheid en vettigheid van de olijfboom worden beide geëerd, Richteren 9:9.
2. Het is even waar, dat zij kwaad tegen God bedreven hebben. Hij had ze geplant als een groene olijfboom, als een goede olijfboom, maar zij zijn ontaard in een wilde olijf, Romeinen 11:17. Beide, "het huis Israëls en het huis van Juda hadden boosheid onder zich bedreven, hadden God vertoornd, rokende voor Baäl," aannemende andere middelaars tussen hen en de hoge God, naast de beloofde Messias, ja zelfs andere goden aannemende in mededinging met de ware en levende God, want zij hadden "vele goden, ook vele heren."
3. Als zij zichzelf zo slecht gedragen hebben, kunnen zij niets andere verwachten dan dat Hij, ondanks het goede, dat Hij voor hen gedaan en beschikt heeft, nu over hen zou brengen het kwaad, "dat Hij tegen hen heeft gesproken." Hij, die ze gemaakt heeft, zal ze niet redden. Hij, die deze groene olijfboom plantte en vrucht er van verwachtte, heeft, toen Hij hem kaal en verwilderd bevond, "vuur op hem ontstoken," om hem te verbranden, zoals hij daar stond, want, daar hij zonder vrucht is, "is hij tweemaal verstorven en ontworteld," Judas l2 hij wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen de geschiktste plaats voor bomen, die nutteloos de aarde beslaan, Mattheus 3:10. "Zijn takken de hoge en verheven takken" (dat is de juiste betekenis van `t woord) worden verbroken, neergehakt, beide, vorsten en priesters worden afgesneden. En hieruit volgt, dat het kwaad tegen God gedaan, om Hem tot toorn te verwekken, zich werkelijk tegen henzelf keert, zij doen hun eigen zielen schade, God is buiten hun bereik, maar zij storten zichzelf in `t verderf. Zie Jeremia 7:19.
Merk op: iedere zonde tegen God is een zonde tegen onszelf en aldus zal men vroeger of later vinden, dat het is. 27203-970414-2302-Jer11.19 Jeremia 11:19-23
De profeet Jeremia heeft veel in zijn geschriften geklaagd, veel meer dan Jesaja, omdat de tijden waarin hij leefde zeer roerig waren. Hier hebben we (zoals het zou lijken) het begin van zijn smarten, die hem aangedaan werden door het volk van zijn eigen stad, Anathoth: Een priesterstad en toch een zondige stad.
Merk hier op:
1. Hun samenzwering tegen hem, vers 19. Zij dachten gedachten tegen hem, overlegden tezamen hoe zij het op zijn dood zouden kunnen aanleggen en dit op krachtdadige wijze en zoveel mogelijk onder de schijn van recht. Boosheid is vindingrijk in haar plannen en ook volijverig in derzelver uitvoering. Zij zeiden met betrekking tot Jeremia, "Laat ons de boom met zijn vrucht verderven", een spreekwoordelijke uitdrukking, die wil zeggen: Laat ons hem volkomen uitroeien met wortel en tak. Laat ons beide verdelgen, de vader en het gezin, (zoals, toen Naboth voor zijn vermeende lastering werd ter dood gebracht, ook zijn zonen met hem moesten sterven) of liever: "beiden de profeet en de profetie, laat ons de ene doden en de andere nul en van gener waarde maken. "Laat ons hem uit het land van de levenden uitroeien," zoals men dit deed met een valse profeet en hem overladen met oneer en schande "dat aan zijn naam niet meer gedacht wordt" met ontzag. Laten wij zijn goede naam wegnemen en zodoende de waarde van zijn voorzeggingen afbreuk doen." Dit was hun overlegging, en het was,
a. een wrede beraadslaging, maar zo wreed zijn de vervolgers van Gods profeten geweest. Zij waren op niet minder uit dan "op het verkrijgen van het kostbare leven," want kostbaar waren de levens, die zij najaagden. Maar het was
b. een beraadslaging, die tot teleurstelling leiden meest. Zij meenden een eind aan zijn dagen te stellen, maar hij overleefde het merendeel van zijn vijanden, zij meenden de gedachtenis van zijn naam uit te wissen, maar zij leeft tot op deze dag en zal gezegend zijn zolang de tijd zal zijn.
II. God gaf hem deze samenzwering tegen zijn leven te vernemen. Hij wist er zelf niets van, zo handig hadden zij het voor hem verborgen, hij kwam te Anathoth, en daar hij geen kwaad tegen hen in zin had, zo vreesde hij van hun kant ook geen kwaad "als een lam, (als) een os," als zo'n dier, dat meent, dat het zoals gewoonlijk naar het veld gedreven wordt, "wanneer het geleid wordt om geslacht te worden," zo weinig droomde de arme Jeremia van het plan dat zijn stadgenoten, die hem haatten, hadden beraamd. Geen van zijn vrienden kon en geen van zijn vijanden wilde hem waarschuwen voor `t gevaar, waarin hij was, opdat hij voor zijn eigen veiligheid zou kunnen waken, zoals de zoon van Paulus' zuster deze te kennen had gegeven, dat de Joden hem lagen legden. Daar is slechts een schrede tussen Jeremia en de dood, maar "de Heere gaf het hem te kennen," door dromen of gezichten, door indrukken op zijn geest, opdat hij zichzelf mocht redden, zoals de koning van Israël deed op de mededeling, die Elisa hem gaf, 2 Koningen 6:10. Dus hij kwam "het te weten. God deed hem hun handelingen zien, " en zodanig waren hun overleggingen, dat met de blootlegging ervan ze ook schadeloos werden. Als God hem niet had bekend gemaakt met zijn eigen gevaar, dan zouden dwaze mensen uit zijn onwetendheid van zijn eigen toestand voordeel getrokken hebben om de juistheid van zijn voorzeggingen in twijfel te trekken, want hij, die de ondergang van zijn land aankondigde, zou dan zijn eigen gevaar niet hebben kunnen voorzien noch het hebben kunnen vermijden. Let er nu eens op, welk een zorg God voor Zijn profeten heeft: "Hij laat niemand toe, hun enig kwaad te doen," al de woede hunner vijanden vermag niet ze weg te nemen, totdat zij met hun getuigenis klaar zijn. God kent alle geheimen van Zijn en van de vijanden van Zijn volk, en kan ze bekend maken, als het Hem behaagt. "Het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren Psalm 10:20.
III. Zijn beroep op God, vers 20. Zijn oog is op God, als de Heere van de heirscharen de rechtvaardige Rechter. Het is voor ons een zaak van troost, als de mensen onrechtvaardig tegen ons handelen, dat we een God hebben, tot Wien we gaan mogen, die de zaak van de beledigde onschuld bepleit en tegen de ongerechtige is. Gods rechtvaardigheid, die voor de goddelozen een verschrikking is, is voor degenen die God vrezen een troost. Zijn oog is op Hem geslagen als op de God, "die de nieren en het harte proeft," die volkomen ziet wat er in de mens is, wat zijn gedachten en bedoelingen zijn. Hij kende de oprechtheid, die in Jeremia's hart was, en wist, dat hij niet een man was, zoals zij zich voorstelden, dat hij was. Hij kende de verdorvenheid hunner harten, hoe listig ook verborgen en vermomd. Nu vraagt Jeremia
a. om een oordeel over hen: "Laat mij Uwe wrake van hen zien," dat wil zeggen, "doe Gij recht tussen mij en hen op zo'n wijze als u behagen zal." Sommigen menen, dat er iets van menselijke zwakheid in dit gebed was, tenminste Christus heeft ons een andere les geleerd, beide door onderwijs en voorbeeld, die ons zegt voor onze vervolgers te bidden. Anderen denken, dat het voortkomt uit reine ijver voor de ere Gods en uit een vrome en profetische verontwaardiging tegen de mannen, die priesters van beroep waren, des Heeren dienstknechten en die toch zo vreselijk goddeloos waren om iemand zo boos te bejegenen, die hun geen kwaad deed, maar dit alleenlijk omdat hij God diende. Dit verzoek was een profetie, dat hij Gods wraak over hen zou zien komen.
b. Hij verwijst zijn zaak geheel naar `t oordeel van God: "Aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt, aan U heb ik haar opgedragen, zonder verlangen, of verwachting anderen er in te mengen".
Merk op: Het is onze troost, wanneer wij verongelijkt zijn, dat wij een God hebben om onze zaak aan toe te vertrouwen, en het is onze plicht ze voor Hem bloot te leggen met `t besluit ons bij Zijn definitief vonnis neer te leggen, het te onderschrijven en niet Hem voor te schrijven, hoe wij het willen hebben.
IV. Getuigenis geven tegen zijn vervolgers, de mannen van Anathoth. Het zou niets baten zich tot de gerechtshoven te Jeruzalem te wenden, daar zou men hem geen recht doen, de priesters daar zouden partij trekken voor de priesters te Anathoth en ze eerder steunen dan ze in `t ongelijk stellen, maar God zal "daarom" zelf kennis van de zaak nemen en wij zijn overtuigd, dat "Zijn oordeel waarachtig is". Hier wordt
1. Hun misdaad verhaald, waarop het vonnis is gegrond, vers 21. Zij zochten het leven van de profeet, want zij verboden hem te profeteren op straffe des doods, zij waren besloten hem of het zwijgen op te leggen, of hem te verslaan. Hij tergde hen door te profeteren in de naam des Heeren zonder verlof van de bestuurders van de stad. waarvan hij een inwoner was en door niet zulke zachte dingen te profeteren als zij altijd aankondigden. Dat zij hem verboden te profeteren was inderdaad niets anders dan een zoeken van zijn leven, want het was een zoeken om hem zijn levensdoel en levenstaak te ontnemen en hem van de troost, die in `t vervullen hiervan ligt, te beroven. Het is even erg voor de getrouwe dienstknechten van God, dat men hun de mond stopt, als dat men hem de adem ontneemt. Maar dit te meer zo, wanneer er besloten was, dat indien gij toch profeteerde, hetgeen hij zeker zou doen, ondanks hun verbod, hij zou "sterven onder hun handen", zij zouden zijn aanklagers, rechters, uitvoerders en alles tegelijk zijn. Men placht te zeggen, dat een profeet niet dan te Jeruzalem kon omkomen," want daar hield de grote raad zitting, maar de mannen van Anathoth waren zo bitter tegen Jeremia, dat zij zelf de dood van hem op zich wilden nemen. Een profeet dan zal niet slechts geen eer vinden in zin eigen land, maar ook geen gunst.
2. Het vonnis, dat over hen kwam voor deze misdaad, vers 22 en 23. God zegt: Ik zal ze straffen, laat Mij begaan om met hen af te rekenen. Ik zal bezoeking over hen doen, zo luidt de tekst. God zal de zaak onderzoeken en de rekening vereffenen. Twee van de vier vreselijke oordelen Gods zullen dienen om hun stad ten ondergang te brengen. "De jongelingen zullen door het zwaard sterven," hoewel zij jonge priesters waren, geen krijgslieden (hun ambt zal hun geen bescherming bieden) en "hun zonen en hun dochteren" die thuis zijn, zullen van honger sterven hetwelk een nog smartelijker dood is dan die door het zwaard, Klaagliederen 4:9. De verdelging zal volkomen zijn vers 23. En zij zullen geen overblijfsel hebben er zal geen zaad zijn voor een volgend geslacht. Zij zochten Jeremia's leven, en daarom zullen zij sterven, zij wilden hem met wortel en tak uitroeien, opdat zijns naams niet meer zou gedacht worden en daarom zullen zij geen overblijfsel hebben, en hierin is de Heere rechtvaardig. Dus kwaad is over de mannen van Anathoth gebracht (in) het jaar hunner bezoeking, en dat is kwaad in ruime mate, een vergelding in overeenstemming met wat zij verdienden. Dan zal Jeremia Gods wrake van zijn vijanden zien.
Merk op, dat de toestand van degenen treurig is, die de gebeden van goede godsgezanten en van goede mensen tegen zich hebben.