Spreuken 16:9
De mens wordt ons hier voorgesteld:
1. Als een redelijk wezen, dat het vermogen heeft om voor zichzelf te schikken en te bedenken. Het hart overdenkt zijn weg, stelt zich een doel voor, beraamt wegen en middelen om tot dat doel te geraken, hetgeen de mindere schepselen, die geleid worden door het gevoel en het natuurlijk instinct, niet kunnen. Des te meer schande voor hem, als hij zijn weg niet overdenkt om er God mee te behagen en voor zijn eeuwige staat te voorzien.
2. Maar als een afhankelijk schepsel, dat onderworpen is aan het bestuur en de heerschappij van zijn Maker, als de mensen hun weg bedenken zo, dat Gods eer hun doel is en Zijn wil hun regel, dan kunnen zij verwachten dat Hij door Zijn Geest en genade hun gang zal sturen, zodat zij niet zullen afraken van hun weg en hun doel niet zullen missen. Maar laat de mensen hun wereldlijke zaken met nog zoveel beleid schikken en regelen, en met nog zo grote waarschijnlijkheid van succes, toch heeft God de uitkomst in Zijn hand, en soms stuurt Hij hun gang naar hetgeen ze het minst bedoeld hebben. De bedoeling hiervan is ons te leren zeggen: Indien de Heere wil en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen, Jakobus 4:14, 15 en ons oog op God gericht te hebben, niet alleen in de grote wendingen van ons leven, maar bij iedere stap, die wij doen, Heere, richt mijn weg, 1 Thessalonicenzen 3:11.