1 Samuël 2:1-10
Wij hebben hier Hanna's dankzegging, ingegeven, niet alleen door de geest des gebeds, maar door de geest van de profetie. Haar bede om de zegen, die zij begeerde, hadden wij tevoren, Hoofdstuk 1:11, en hier haar dankzegging er voor. In beide heeft uit de overvloed des harten, diep aangedaan, (in de eerste door hetgeen zij begeerde, maar miste, in de laatste door Gods goedheid) haar mond gesproken.
Merk op, in het algemeen:
1. Toen zij een zegen van God had ontvangen, erkende zij het met dankbaarheid tot Zijn lof. Niet gelijk de negen melaatsen, Lukas 17:17. Lof is onze rente, onze schatting, wij zijn onrechtvaardig als wij die rente, deze schatting, niet betalen.
2. De zegen, die zij had ontvangen, was in verhoring van haar gebed, en daarom achtte zij zich inzonderheid verplicht er dankzegging voor te doen. Wat wij winnen door het gebed, mogen wij gebruiken met genot, en moeten wij gebruiken met dankzegging.
3. Haar dankzegging wordt hier een gebed genoemd. Hanna bad, want dankzegging maakt een wezenlijk deel uit van gebed. In al ons bidden tot God moeten wij met dankbaarheid tot Hem opzien als onze weldoener. En dankzegging voor ontvangen zegeningen zal aangenomen worden als een bede om nog verdere zegeningen te ontvangen.
4. De bijzondere zegen, die zij van God had ontvangen, geeft haar aanleiding om met verheffing en verruiming des harten heerlijke dingen te spreken van God en van Zijn bestuur van de wereld tot welzijn van Zijn kerk. Alles wat ons te eniger tijd reden geeft tot lof en dankzegging, behoort ons op die wijze daartoe aan te sporen.
5. Haar gebed was innerlijk, haar stem werd niet gehoord, maar in haar dankzegging sprak zij, opdat allen haar zouden horen. Zij deed haar smeking met onuitsprekelijke zuchtingen, maar nu waren haar lippen geopend om Gods lof te verkondigen.
6. Deze dankzegging staat hier in de geschiedenis opgetekend tot bemoediging van haar, die tot de zwakkere kunne behoren, om tot de troon van de genade te gaan, God zal acht slaan op haar gebed en haar dankzegging. De lofzang van de maagd Maria heeft zeer veel overeenkomst met dit lied van Hanna, Lukas 1:46.
In deze dankzegging hebben wij te letten op drie dingen.
I. Hanna's juichen en roemen in God, in Zijn heerlijke volmaaktheden, en de grote dingen, die Hij voor haar gedaan had, vers 1-3.
Merk op:
1. Welke grote dingen zij van God zegt. Zij neemt weinig nota van de bijzonderen zegen, waarin zij zich nu verblijdde, prijst Samuël niet als het schoonste kind, het meest ontwikkelde en verstandige kind voor zijn leeftijd, of dat zij ooit gezien had, hetgeen liefhebbende ouders zo licht geneigd zijn te doen, neen, zij ziet de gave voorbij, en looft slechts de Gever terwijl de meesten de Gever vergeten en slechts op de gave zien. Elke rivier moet ons heenleiden naar de bron, en de gunsten, die wij van God ontvangen, moeten onze bewondering opwekken van de oneindige volmaaktheden die er in God zijn. Er kunnen andere Samuëls wezen, maar geen andere Jehovah. Er is niemand gelijk Gij. God moet geprezen worden als een weergaloos wezen, van ongeëvenaarde volkomenheid, die eer zijn wij verschuldigd aan Zijn naam, dat wij erkennen, niet slechts dat er niemand Hem gelijk is, maar dat er buiten Hem geen God is, alle anderen zijn leugen en bedrog, Psalm 18:32.
Vier van Gods heerlijke eigenschappen worden hier bezongen.
a. Zijn onbevlekte reinheid
Dat is de eigenschap, die het meest geprezen en geloofd wordt in de bovenwereld door hen die altijd Zijn aangezicht aanschouwen, Jesaja 6:3, Openbaring 4:8. Toen Israël triomfeerde over de Egyptenaren, werd God geloofd als verheerlijkt in eeuwigheid, Exodus 15:11. Zo ook hier in Hanna's loflied: Daar is niemand heilig gelijk de Heere. Het is de rechtheid van Zijn natuur, Zijn oneindige overeenstemming met zichzelf, en de billijkheid van Zijn regering en Zijn oordeel in alle bedelingen van die beide. Bij de herinnering daaraan moeten wij dankzegging doen.
b. Zijn almachtige kracht, daar is geen rotssteen (of generlei kracht want aldus wordt het woord soms overgezet:
Gelijk onze God. Hanna had een machtigen steun ervaren door zich op Hem te verlaten, en daarom spreekt zij naar haar ervaring, en zij schijnt te verwijzen naar het woord van Mozes Deuteronomium 32:31.
c. Zijn ondoorgrondelijke wijsheid.
De Heere, de Rechter van allen, is een God van wetenschap, duidelijk en volkomen ziet Hij in het karakter van iederen mens, in het goede of slechte van iedere zaak, en Hij geeft kennis en verstand aan hen, die ze van Hem begeren.
d. Zijn onfeilbare gerechtigheid, door Hem worden daden gewagen.
Zijn eigene zijn het in Zijn eeuwige raadsbesluiten, de daden van de kinderen van de mensen zijn het in de balans van Zijn oordeel, zodat Hij een ieder vergeldt naar zijn werk, en zich niet vergist in hetgeen een ieder is of doet.
2. Hoe zij zich vertroost met deze dingen. Van hetgeen, waarvan wij God de eer geven, kunnen wij voor onszelf de vertroosting van nemen. Hanna doet dit,
a. In heilige blijdschap.
Mijn hart springt op van vreugde in de Heere, niet in haar zoon, maar in haar God, Hij moet de blijdschap wezen van onze verheuging, Psalm 43:4, en onze blijdschap moet in niets minder zijn dan in Hem. Ik verheug mij in Uw heil, niet slechts in deze bijzondere gunst over mij, maar in het heil van Uw volk Israël, het heil, de verlossing inzonderheid, waarvoor dit kind het middel zal wezen, en bovenal het heil door Christus, waarvan dit heil of die verlossing, de afschaduwing is.
b. In heiligen triomf.
"Mijn hoorn is verhoogd, niet alleen is mijne eer gered door dat ik een zoon heb, maar nog zeer verhoogd door zo'n zoon te hebben." Wij lezen van sommigen van de zangers, die David aangesteld heeft "om de hoorn te verheffen," 1 Kronieken 25:5, een muziekinstrument om God te loven, zodat: Mijn hoorn is verhoogd, dit betekent: "Mijn lof is opgeheven tot een ongewoon hogen toon." Verhoogd in de Heere, God moet de eer ontvangen van al onze verhogingen, en in Hem moeten wij roemen en juichen. Mijn mond is wijd opengedaan, dat is: "Nu heb ik iets te antwoorder aan hen, die mij gesmaad hebben", hij, die zijn pijlkoker vol pijlen heeft, zijn huls vol heeft van kinderen, zal niet beschaamd worden, als hij met de vijanden zal spreken in de poort, Psalm 127:5.
3. Hoe zij hiermede hen tot zwijgen brengt, die zich hebben opgeworpen als mededingers van God en rebellen tegen Hem, vers 3. Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken. Laat Peninna en haar kinderen haar niet langer smaden om haar vertrouwen in God en haar bidden tot Hem, zij heeft ten laatste bevonden dat dit vertrouwen niet ijdel was, en dat bidden niet tevergeefs is geschied. Zie Micha 7:10.. Mijne vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken, die tot mij zegt: Waar is de Heere uw God. Of misschien was het beneden haar om in dit lied zoveel notitie te nemen van Peninna en haar boosaardigheid, maar is dit bedoeld als een bestraffing van de schaamteloosheid van de Filistijnen en andere vijanden van God en Israël, die hun mond gezet hebben tegen de hemel, Psalm 73:9. "Laat dit hen doen zwijgen en beschaamd maken, Hij, die aldus geoordeeld heeft voor mij en tegen mijne tegenpartijders, zal ook voor Zijn volk oordelen tegen al hun tegenpartijders,"
II. Hoe zij nota neemt van de wijsheid en vrijmacht van de Goddelijke voorzienigheid in het beschikken van de zaken van de kinderen van de mensen, zij zijn zó wisselvallig en er komen zovele en plotselinge wendingen in voor, dat er dikwijls slechts een kleine stap is tussen de hoogte van voorspoed en de diepte van tegenspoed. God maakt niet slechts de een tegenover de ander, Prediker 7:14, maar Hij stelt de een zeer dicht bij de ander, zonder dat er een kloof tussen gevestigd is, opdat wij blijde zijn als niet blijde zijnde, en wenen als niet wenende.
1. De sterken worden spoedig verzwakt, en de zwakken worden spoedig bekrachtigd, als het Gode behaagt, vers 4. Van de ene kant: als Hij spreekt wordt de boog van de sterken verbroken, zij worden ontwapend, ongeschikt gemaakt om te doen zoals zij gedaan hebben en zoals zij voornemens waren te doen. In de krijg zijn zij verslagen geworden, die voor alles het voordeel aan hun zijde schenen te hebben, en zich zeker waanden van de overwinning, zie Psalm 46:10, 37:15, 17. Particuliere personen worden spoedig verzwakt door ziekte en ouderdom, en zij bevinden dat de boog niet lang in stevigheid blijft, menig krachtig man, die geroemd heeft in zijn sterkte, heeft haar een bedrieglijke boog bevonden, die hem begaf als hij er op steunde of betrouwde. En van de anderen kant: als de Heere het woord spreekt, zullen zij, die struikelden door zwakheid, die zó zwak waren dat zij niet rechtop konden gaan, met sterkte omgord worden, naar lichaam en ziel, en instaat zijn om grote dingen tot stand te brengen. Zij, die verzwakt zijn door ziekte, zullen tot hun kracht wederkeren, Job 33. 25, door smart zullen hun vertroosting terugvinden die "de slappe handen versterkt en de struikelende knieen vaststelt", Jesaja 35:3. De overwinning keert zich naar die zijde, welke als verloren werd beschouwd, en "zelfs de lammen zullen de roof roven", Jesaja 33:23.
2. De rijken worden spoedig verarmd, en de armen op wonderlijke wijze plotseling verrijkt, vers 5. Soms blaast God zó in van de mensen bezittingen, weerstaat hun pogingen, en verteert door een vuur, dat niet aangeblazen is hun bezittingen, dat zij, die vol waren (hun schuren waren vol en hun zakken waren vol, "hun huizen met goed vervuld", Job 22:18, en hun buik vervuld met deze verborgen schatten, Psalm 17:14,) tot zo'n armoede zijn vervallen, dat zij gebrek hadden aan het gewone levensonderhoud, zich moesten verhuren om brood, en, daar zij zich schaamden te bedelen, moesten zij graven. "Rijkdom maakt zich vleugelen", Spreuken 23:5, en laat hen diep ongelukkig, die, toen zij hem hadden, er hun geluk in vonden, voor hen, die vol en vrij zijn geweest, moet armoede en slavernij wel dubbel smartelijk zijn. Maar van de anderen kant beschikt Gods voorzienigheid het soms zo dat zij, die hongerig waren, het niet meer zijn, dat is: zij hielden op van zich te verhuren om brood, zoals zij gedaan hadden, daar zij, door Gods zegen op hun vlijt, vooruit zijn gegaan in de wereld, genoeg hebben om van te leven, en zo zullen zij niet meer hongeren en niet meer dorsten. Dit moet niet toegeschreven worden aan het geluk, de fortuin, noch bloot aan van de mensen wijsheid of dwaasheid, "de rijkdom is niet van de verstandigen, noch gunst van de welwetenden", Prediker 9:11, ook is het niet altijd van de mensen schuld, dat zij arm worden, maar, vers 7, De Heere maakt sommigen arm, en maakt anderen rijk. De verarming van de een is de verrijking van de ander, en het is Gods doen. Aan sommigen geeft Hij het vermogen om rijk te worden, aan anderen ontneemt Hij het vermogen om de rijkdom, die zij verkregen hebben, te behouden. Zijn wij arm? God heeft ons arm gemaakt, dat een goede reden is, waarom wij tevreden moeten zijn en ons moeten verzoenen met onze staat. Zijn wij rijk? God heeft ons rijk gemaakt, dat een goede reden is, waarom wij dankbaar moeten wezen, en Hem blijmoedig moeten dienen, in de overvloed van de goede dingen, die Hij ons geeft. Het kan verstaan worden van dezelfde persoon, zij, die rijk waren, maakt God arm, en na een wijle, maakt Hij hen weer rijk, zoals Job, Hij heeft gegeven, Hij heeft genomen, en dan geeft Hij weer. Laat de rijken niet hoogmoedig zijn, hun rijkdom niet veilig wanen, want God kan hen spoedig arm maken, laat de armen niet wanhopen, want God kan hen op Zijn bestemden tijd weer verrijken.
3. Gezinnen, die ledig waren, heeft Hij vervuld, en talrijke gezinnen heeft Hij verminderd tot op slechts weinigen. Dat is het geval, dat dicht nadert tot de aanleiding van de dankzegging. De onvruchtbare heeft zeven gebaard, met wie zij zichzelf bedoelde, want, hoewel zij voor het ogenblik maar een zoon had, was hij haar, daar hij een Gode gewijde nazireër was, gebruikt in Zijn onmiddellijke dienst, even goed als zeven. Of wel: het is de taal van haar geloof, nu zij er een heeft, hoopt zij op meer en zij werd niet teleurgesteld in die hoop, zij had er nog vijf meer, vers 21, zodat, als wij Samuël slechts voor twee rekenen, wat wij wel kunnen doen, dan heeft zij het aantal dat zij zich beloofd had, de onvruchtbare heeft zeven gebaard, terwijl van de anderen kant zij, die veel kinderen had, krachteloos is geworden, opgehouden heeft te baren zij zegt niets meer Peninna is nu getuchtigd en moedeloos. De overlevering van de Joden zegt dat Peninna, als Hanna een kind baarde, er twee begroef. Er zijn veel voorbeelden beide van de toeneming van gezinnen, die gering waren in aantal, en van het uitsterven van gezinnen, die zeer aanzienlijk waren, Job 22:23, Psalm 107:38 en verv.
4. God is de vrijmachtige Heere van leven en dood, vers 6. De Heere doodt en maakt levend. Versta dit: a. Van Gods vrijmachtige heerschappij en algemene werking in het leven en de dood van de kinderen van de mensen. Hij bestuurt geboorten en begrafenissen. Wanneer het ook is dat wij sterven, het is God, die de pijl des doods richt, de Heere doodt, de dood is Zijn bode, treft wie en wanneer Hij gebiedt, niemand wordt in het stof gelegd, of Hij is het, die er hem toe doet wederkeren, want "Hij heeft de sleutelen van de hel en des doods" Openbaring 1:18. Als iemand geboren wordt, is Hij het "die levend maakt, niemand weet welke de weg des geestes is", Prediker 11:5, maar dit weten wij, dat hij komt van de Vader van de geesten. Is iemand hersteld uit ziekte, gered uit dreigend gevaar, het is God, die doet opkomen, want bij Hem zijn uitkomsten tegen de dood.
b. Van het verschil, dat Hij maakt tussen sommigen en anderen. sommigen doodt Hij, en anderen maakt Hij levend, dat is: behoudt Hij in het leven, terwijl zij zich in dezelfde gevaren bevonden, in de oorlog bijvoorbeeld, of in pestilentie.
Twee kunnen tezamen in een bed zijn, de een wordt door de dood weggenomen, en de ander blijft in het leven, ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Sommigen, van wie men met alle waarschijnlijkheid dacht dat zij in het leven zouden blijven, zijn naar het graf gebracht, en anderen, van wie men met evenveel waarschijnlijkheid dacht dat zij zouden sterven, heeft God doen opkomen, want leven en sterven gaan niet naar waarschijnlijkheid.
Gods voorzienigheid strekt zich naar het doden van sommigen, naar hun verderf, het wegnemen van hun genietingen en vertroostingen, en terzelfder tijd richt zij zich tot de levendmaking van anderen.
c. Van de verandering, die Hij doet plaatshebben in een en dezelfde persoon. Hij doodt en doet ter helle, of in het graf, nederdalen.
Dat is: Hij brengt tot aan de rand van het graf, en dan verlevendigt en wekt Hij weer op, zelfs als er aan het leven gewanhoopt werd, en het vonnis des doods ontvangen was, 2 Corinthiers 1:8, 9. Hij "doet de mens wederkeren tot verbrijzeling", en dan zegt Hij: "Keert weer, gij mensenkinderen!" Psalm 90:3.
Niets is voor God te moeilijk om te doen, neen zelfs niet het doen herleven van de doden, leven te brengen in dorre doodsbeenderen.
5. Verhoging en vernedering zijn van Hem. Sommigen vernedert Hij, anderen verhoogt Hij, vers 7, vernedert de hoogmoedige, geeft genade en eer aan de nederige, werpt in het stof, die willen wedijveren met God, die boven hen is, en allen, die rondom hen zijn, zouden willen vertreden, Job 40:6, 7, maar verhoogt hen, die zich voor Hem vernederen, Jakobus 4:10. Of het kan verstaan worden van dezelfde personen: hen, die door Hem naar beneden gebracht werden, zal Hij, als zij genoegzaam verootmoedigd zijn, weer oprichter. Dit wordt nog verder uitgebreid, vers 8.
Hij verheft de geringe uit het stof, van een lage en geringe staat, ja uit de drek, een lage en slaafse staat, verfoeid en veracht, om te doen zitten bij de vorsten. Zie Psalm 113:7-8. Bevordering komt niet bij geval, maar van het raadsbesluit Gods, waardoor diegenen verhoogd werden, van wie men dit niet zou hebben gedacht, en die door de mensen er onwaardig voor gekeurd werden. Jozef en Daniël, Mozes en David zijn aldus verwonderlijk verhoogd, uit een gevangenis naar een paleis, van de herdersstaf tot de scepter. De vorsten, onder wie zij gezet zijn, kunnen in verzoeking wezen hen te minachten, maar God kan de eer bevestigen, die Hij op zo verrassende wijze geeft, en hen zelfs de stoel van de ere doen beërven. Laat aan hen, die door Gods voorzienigheid aldus verhoogd zijn, het stof en de drek niet verweten worden, waaruit zij opgeheven zijn want hoe geringer hun begin was, zoveel groter was de gunst, die hun geschonken werd, en God werd verheerlijkt in hun bevordering, indien zij door wettige en eerbare middelen verkregen werd.
Eindelijk. Er wordt een reden gegeven voor al deze beschikkingen, die ons verplicht er in te berusten, hoe verrassend en vreemd zij ook zijn, want de grondvesten des aardrijks zijn des Heeren.
a. Indien wij dit in letterlijken zin verstaan, dan geeft het Gods almachtige kracht te kennen, welke niet weerstaan kan worden. Hij houdt de gehele schepping op. Hij fondeerde de aarde, en onderhoudt haar nog door het woord van Zijn kracht.
Wat kan Hij niet, ver boven onze bevatting of verwachting, doen in de zaken van geslachten en koninkrijken, die de aarde hangt aan een niet? Job 26:7. Maar:
b. Indien wij het in overdrachtelijken zin verstaan, dan betekent het Zijn onbetwistbare vrijmacht, waartegen zich niemand kan verzetten. De vorsten en groten van de aarde, de bestuurders van staten en regeringen, zijn de pilaren van de aarde, Psalm 75:4.
Op deze scharnieren schijnen de zaken van de wereld te draaien, maar zij zijn des Heeren, Psalm 47:10. Van Hem hebben zij hun macht, en daarom kan Hij bevorderen wie het Hem behaagt, en wie kan zeggen: Wat doet Gij?
III. Een voorzegging van de bewaring en verhoging van al de getrouwe vrienden Gods, en de ondergang van al Zijn vijanden. Haar blijdschap betuigd hebbende in hetgeen God gedaan heeft, en nog doet, besluit zij met het uitspreken van de blijde hoop van hetgeen Hij doen zal, vers 9, 10. Godvruchtige gemoedsbewegingen, zegt bisschop Patrick, zijn in die dagen dikwijls opgeheven tot de hoogte van profetie, waardoor God onder dat volk Zijn ware aanbidding heeft doen voortduren temidden van hun neigingen tot afgoderij. Deze profetie kan betrekking hebben:
1. Meer onmiddellijk op de regering van Israël door Samuël en David, die hij zal zalven. De Israëlieten, Gods gunstgenoten, zullen beschermd en verlost worden, de Filistijnen. hun vijanden, zullen overwonnen en tenonder gebracht worden, en wel inzonderheid door donder, Hoofdstuk 7:10. Hun heerschappij zal uitgebreid worden, koning David zal versterkt, bekrachtigd, en grotelijks verheven worden, en Israël (dat in de tijd van de richteren zo weinig aanzien had, zeer veel moeite had om te blijven bestaan) zal nu weldra groot en aanzienlijk worden, en aan al zijn naburen de wet stellen. Dat was wel een buitengewone verandering, en de geboorte van Samuël was, als het ware, de dageraad van die dag. Maar:
2. Wij hebben reden te geloven dat deze profetie verder ziet. en wel naar het koninkrijk van Christus, en van het bestuur van dat koninkrijk van de genade, waarvan zij nu zal spreken, na zo uitvoerig gesproken te hebben van het rijk van de voorzienigheid. En hier ontmoeten wij voor de eerste maal de naam Messias, of Zijn Gezalfde. De aloude Schriftverklaarders, Joodse zowel als Christelijke, houden het er voor, dat het verder ziet dan David, namelijk naar de Zone Davids. Heerlijke dingen worden hier gesproken van het koninkrijk van de Middelaar zowel voor als na Zijn menswording, want de bestuursmethode er van, beide door het eeuwige Woord en door dat Woord, vlees geworden ziende, is tamelijk gelijk.
Van dat koninkrijk wordt ons hier verzekerd:
A. Dat alle getrouwe onderdanen er van zorgvuldig en krachtig beschermd zullen worden vers 9. Hij zal de voeten van Zijn gunstgenoten bewaren. Er zijn mensen in de wereld die Gods gunstgenoten zijn, Zijn uitverkorenen en geheiligden, en Hij zal hun voeten bewaren, dat is: allen, die tot hen behoren, zullen onder Zijn bescherming zijn, geheel en al, tot aan hun voeten, het laagste deel huns lichaams toe. Indien Hij hun voeten zal bewaren, dan zal Hij nog veel meer hun hoofd bewaren, en hun hart. Of: Hij zal hun voeten bewaren dat is: Hij zal de grond beveiligen, waar zij op staan, en hun gangen vastmaken. Hij zal een wacht van de genade zetten voor hun genegenheden en hun daden, opdat hun voeten niet afdwalen van de weg, of struikelen op de weg. Als hun voeten op het punt zijn van uit te wijken, Psalm 73:2, zal "Zijn goedertierenheid hen ondersteunen," Psalm 94:18, en "hen van struikelen bewaren", Judas: 24.
Zolang wij Gods wegen bewaren, zal Hij onze voeten bewaren. Zie Psalm 37:23, 24.
B. Dat al de machten, die er tegen aankomen, niet in staat zullen zijn het te verderven, een man vermag niet door kracht. Gods kracht is ten diepste van de kerk, en zo zal geen kracht des mensen er tegen vermogen. De kerk schijnt ontbloot van kracht, haar vrienden zijn weinig talrijk en zwak, maar het overmogen ligt niet in menselijke kracht, Psalm 33:16. God behoeft haar niet voor zich, Psalm 147, 10, noch vreest Hij haar tegen zich.
C. Dat al zijn vijanden gewis verbroken zullen worden en ten ondergebracht, de goddelozen zullen zwijgen in duisternis, vers 9. Zij zullen beide met blindheid en stomheid worden geslagen, niet instaat zijn om hun weg te zien, noch om iets tot hun verdediging te zeggen. Verdoemde zondaren zijn veroordeeld tot de buitenste duisternis, en daar zullen zij voor eeuwig sprakeloos zijn, Mattheus 22:12,13. De goddelozen worden gezegd met de Heere te twisten en er is voorzegd, vers 10, dat zij verpletterd zullen worden. Hun raadslagen tegen Zijn koninkrijk onder de mensen, zullen allen teniet worden, en zij zelf vernietigd, hoe zou het hun beter kunnen gaan die de wapenen hebben opgevat tegen de Almacht? Zie Lukas 19:27. God heeft vele en velerlei middelen om het te doen, en eerder dan er in te falen, zal Hij in de hemel over hen donderen, en hen aldus niet alleen in angst en verschrikking, maar tot verderf en verwoesting brengen. Wie is tegen Gods bliksemschichten bestand?
D. Dat de overwinningen en bevelen van dit koninkrijk zich naar ver verwijderde landen zullen uitstrekken. De Heere zal de einden van de aarde richten. Davids overwinning en heerschappij reikten ver, maar de uiterste einden van de aarde zijn beloofd aan de Messias tot Zijn bezitting, Psalm 2:8, om of tenonder gebracht te worden door Zijn gouden scepter, of verpletterd te worden door Zijn ijzeren scepter. God is Rechter van allen, en zal recht doen voor Zijn volk tegen Zijn en hun vijanden, Psalm 110:5, 6.
E. Dat de macht en de eer van de Messias, de Vorst, al meer en meer zullen toenemen. Hij zal Zijn Koning sterkte geven voor de volbrenging van Zijn grote onderneming, Psalm 89:22, zie Lukas 22:43, en Hem sterkte geven om door de moeilijkheden heen te gaan van Zijn vernedering, en in Zijn verhoging zal Hij "het hoofd omhoog verheffen," Psalm 110:7, de hoorn verhogen, de macht en de eer verhogen van Zijn Gezalfde, en Hem ten hoogste stellen over de koningen van de aarde, Psalm 89:28. Dit kroont de triomf, en is meer dan enig ander ding de stof van haar juichen. Haar hoorn is verhoogd, vers 1, omdat zij voorziet dat de hoorn van de Messias verhoogd zal zijn. Dit verzekert de hoop, de onderdanen van Christus' koninkrijk zullen veilig zijn, en de vijanden er van zullen tenonder worden gebracht, want de Gezalfde, de Heere Christus, is omgord met kracht, en kan volkomen zalig maken en volkomen verderven.