1 Samuël 22:1-5
1. Hier zien wij David zich beschuttende in de spelonk van Adullam, vers 1.
Of dit een natuurlijke of door de kunst opgeworpen sterkte was, blijkt niet, waarschijnlijk was de toegang er heen zo moeilijk, dat David dacht instaat te zijn om met Goliaths zwaard hem tegen de gehele krijgsmacht van Saul te kunnen verdedigen, en daarom heeft hij er zich levend in begraven, terwijl hij wachtte om te zien (zoals hij hier zegt: wat God mij doen zal, vers 3.
In de belofte des koninkrijks lag de belofte van bewaring er voor opgesloten, en toch gebruikte David geschikte middelen voor zijn veiligheid anders zou hij God verzocht hebben.
Hij deel niets dat Sauls verderf ten doel had, maar alleen wat strekte om zich te beveiligen.
Hij, die zijn land goeden dienst had kunnen doen als rechter of legerhoofd, is hier opgesloten in een spelonk, weggeworpen als een vat waar men geen lust toe heeft.
Wij moeten het niet vreemd vinden als schijnende lichten soms aldus verduisterd en onder een korenmaat verborgen worden. Misschien doelt de apostel op dit voorbeeld van David, onder anderen, als hij spreekt van sommigen van de Oud-Testamentische geloofshelden die "in woestijnen hebben gedoold, en op bergen en in spelonken, en in de holen van de aarde", Hebreeën 11:38.
Toen was het dat David de 142sten Psalm heeft gedicht, die tot opschrift heeft: "Een gebed als hij in de spelonk was", en daarin klaagt hij dat er niemand was, die hem kende, en er geen ontvlieden voor hem was, maar hoopt dat weldra de rechtvaardigen hem zullen omringen.
2. Daar zijn zijn bloedverwanten tot hem gekomen, zijn broeders en het ganse huis zijns vaders, om door hem te worden beschermd, hem hulp te verlenen, en lotgemeen met hem te zijn. Een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
Nu zijn Joab en Abisai en zijn overige bloedverwanten tot hem gekomen, om met hem te lijden en te strijden, in de hoop om weldra met hem verhoogd te worden, en zo is het ook geschied. De eerste drie van zijn helden waren zij, die hem het eerst erkend en gesteund hebben, toen hij in de spelonk was, 1 Kronieken 11:15.
3. Hier begon hij een krijgsmacht op de been te brengen tot zijn eigen verdediging, vers 2. Door zijn laatste ervaringen is hij tot de overtuiging gekomen, dat hij zich niet kon redden door de vlucht, en dus genoodzaakt is het te doen door kracht van wapenen, waarbij hij echter nooit aanvallenderwijs heeft gehandeld, nooit zijn vorst enigerlei geweld heeft aangedaan, noch de vrede des rijks heeft verstoord, maar zijn krijgsmacht slechts gebruikte als een lijfwacht voor zijn persoon.
Maar welke bescherming hij door zijn soldaten ook genoten heeft, een grote eer zijn zij niet voor hem geweest want zijn regiment bestond niet uit aanzienlijke, achtbare mannen, het waren geen rijke en geen deugdzame mannen, maar mannen die benauwd waren, een schuldeiser hadden, en wiens ziel bitterlijk bedroefd was, mannen die geruïneerd waren, onrustig waren van aard, zichzelf moesten zien te redden daar zij van alle hulp of steun ontbloot waren. Toen David zijn hoofdkwartier in de spelonk van Adullam had gevestigd, kwamen dezen, ten getale van omstreeks vier honderd, zich scharen onder zijn banier.
Zie hoe zwakke werktuigen God soms gebruikt om er Zijn raadsbesluiten door tot stand te brengen.
De Zone Davids is bereid mensen te ontvangen, die in benauwdheid zijn, wier ziel bitterlijk bedroefd is, en die Hem tot hun aanvoerder aannemen, en zich door Hem willen laten regeren.
4. Hij droeg zorg om zijn ouders in een plaats van veiligheid te brengen. Zulk een plaats was in geheel het land Israëls, waar Saul zo verwoed was op hem, en om zijnentwil op allen, die van zijn maagschap zijn, niet te vinden, daarom gaat hij met hen tot de koning van Moab, en stelt hen onder zijn bescherming, vers 3, 4.
Merk hier op:
a. Met welk een tederheid hij voor zijn bejaarde ouders heeft gezorgd. Het was niet voegzaam dat zij blootgesteld zouden zijn aan de angsten en vermoeienissen, die hij in zijn worsteling met Saul had te verwachten, (op hun hoge leeftijd zouden zij daar niet tegen bestand zijn) en zo is dan het eerste wat hij doet voor hen een rustige verblijfplaats te zoeken, wat er dan ook van hem moge worden.
Laat kinderen hieruit leren, "aan hun eigen huis Godzaligheid te oefenen en den voorouderen wedervergelding doen", zie 1 Timotheus 5:4 , in alles hun gemak en genoegen te raadplegen, al zijn zij ook nog zo hooggeplaatst in ambt of bediening, laat hen hun bejaarde ouders niet vergeten.
b. Met welk een ootmoedig geloof hij de uitkomst verwacht uit zijn tegenwoordige benauwdheid: totdat ik weet wat God mij doen zal.
Op zeer bescheiden wijze drukt hij zijn hoop uit, als een die zich geheel aan God heeft overgegeven, zijn weg op Hem heeft gewenteld, een goede uitkomst verwachtende niet van zijn eigen wijsheid of kunst, van zijn wapens of zijn verdiensten, maar van wat de wijsheid, macht en goedheid van God voor hem doen zullen.
Nu hebben Davids vader en moeder hem verlaten, maar niet God, Psalm 27:10.
5. Hij had de raad en de hulp van de profeet Gad, die waarschijnlijk een van de zonen van de profeten was, welke onder Samuël waren opgeleid' en door hem aan David was aanbevolen als zijn geestelijke leidsman.
Een profeet zijnde, zal hij voor hem bidden, en hem onderrichten ten opzichte van de wil van God en hoewel David zelf een profeet was, was hij toch blijde met zijn hulp.
Hij ried hem aan in het land van Juda te gaan, vers 5, als een die zich van zijn onschuld bewust is, en wèl verzekerd is van de bescherming Gods, en begerig is om nu zelfs in zijn moeilijke omstandigheden zijn stam en vaderland van enige dienst te zijn. Laat hem zich niet schamen voor zijn zaak uit te komen, noch de bijstand afwijzen, die hem aangeboden zal worden. Aangemoedigd door dit woord, besloot hij op te treden in het openbaar.
Aldus "worden de gangen des Godvruchtigen door de HEERE bestuurd", Psalm 37:23.