Psalm 107:33-43
De psalmist had Gode de eer gegeven van de hulp, die Hij door Zijn voorzienigheid verleend heeft aan personen, die in nood en benauwdheid verkeerden, en nu geeft hij Hem de eer van de omwentelingen en de verbazingwekkende veranderingen, die Zijn voorzienigheid soms in de zaken van de mensen doet plaatshebben.
I. Hij geeft enige voorbeelden van die omwentelingen.
1. Vruchtbare landen worden dor en onvruchtbaar, en dorre, woeste landen worden vruchtbaar. Veel van de gerieflijkheden en aangenaamheid van dit leven hangt af van de grond, waarop wij wonen.
a. Nu heeft de zonde van de mens dikwijls de vruchtbaarheid van de grond geschaad en hem ondienstig gemaakt, vers 33, 34. Land, besproeid door rivieren, wordt soms in een woestijn verkeerd, en hetgeen vol is geweest van watertochten, heeft nu niet eens rivieren, het is tot een dorstig land geworden, dat geen vochtigheid genoeg heeft om iets van waarde voort te brengen. Menig vruchtbaar land is tot zoute grond geworden, niet zozeer uit natuurlijke oorzaken als wel door het rechtvaardig oordeel van God, die aldus de boosheid strafte dergenen, die daarin wonen, zoals het dal van Sodom de Zoutzee geworden is. Als het land slecht is, dan is het omdat de inwoners slecht zijn. Rechtvaardiglijk wordt de grond onvruchtbaar gemaakt voor hen, die Gode geen vrucht voortbrengen, maar met hun koren en most Baal dienen.
b. De goedheid van God heeft dikwijls de onvruchtbaarheid van de bodem verbeterd, en een woestijn, het dorre land, tot watertochten gesteld, vers 35. Het land van Kanaän, dat eens vanwege zijn vruchtbaarheid de roem van alle landen was, wordt gezegd heden een onvruchtbare, onnutte, waardeloze plek gronds te zijn, zoals dit ervan voorzegd was, Deuteronomium 29:23. Ons land dat vroeger grotendeels een onbebouwde woestijn was, is nu vol van allerlei goed, en er is overvloediger eer gegeven aan hetgeen gebrek aan dezelve had. Laat de plantages in Amerika en de kolonies, die daar gevestigd zijn, vergeleken met veel verwoeste landen in Azië en Europa, die vroeger beroemd waren, hier de uitlegging van geven.
2. Arme, onaanzienlijke families worden verhoogd en verrijkt, terwijl welgestelde families verarmen en tot verval geraken. Als wij rondzien in de wereld, zien wij velen grotelijks toenemen, wier begin klein was, en wier voorouders gering waren en geen voorname rol hebben gespeeld in de wereld, vers 36, 38. Zij, die hongerig waren, wonen in een vruchtbaar land, waar zij wortel schieten, een vestiging verkrijgen, en een stad ter woning stichten voor henzelf en voor de hunnen na hen. Gods voorzienigheid gaf hun goed land in handen en zij bouwden er op. Steden ontstonden uit opkomende geslachten. Maar daar landerijen geen dienst kunnen doen aan de mensen, als er geen woningen op zijn, moeten zij een stad ter woning stichten, en evenzo zullen woningen hoe gerieflijk ook, niet kunnen baten zonder landerijen, en daarom moeten zij de akkers bezaaien en wijngaarden planten, vers 37, want de koning zelf wordt van het veld gediend. Maar de akkers, hoewel bevoorrecht met watertochten, zullen geen inkomende vrucht voorbrengen, tenzij zij bezaaid worden, der mensen vlijt moet samengaan met de zegen Gods, en dan zal Gods zegen de vlijt van de mensen kronen. De vruchtbaarheid van de grond moedigt de vlijt van de mensen aan en behoort hen dus tot vlijt aan te sporen, en gewoonlijk zal, door de zegen van God, de hand van de vlijtigen rijk maken vers 38.
a. Hij zegent hen, zodat zij binnen weinig tijds zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet. Gelijk in den beginne, zo is het nog, dat door de zegen van God de aarde en alle schepselen "vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen," Genesis 1:22, en wij zijn van God afhankelijk voor de vruchtbaarheid van het vee zowel als voor de vruchtbaarheid van de grond. Het vee zou op velerlei wijze verminderen indien God het slechts toeliet, en de mensen zouden er spoedig onder lijden.
b. Wij zien velen, die aldus plotseling zijn opgekomen, even plotseling wederom afnemen en tot niet worden, vers 39. Daarna verminderen zij en komen tenonder door verdrukking, kwaad en droefenis, en zo eindigen zij hun dagen in even nederige omstandigheden als zij ze begonnen zijn, of wel: hun kinderen na hen verliezen even snel als zij hebben gewonnen, en verstrooien wat zij bijeenvergaderd hebben. Wereldlijke rijkdom is een onzeker iets, en dikwijls zullen zij, die er veel van hebben, eer zij het weten zo gerust en zinnelijk er door worden, dat zij hem eer zij het weten weer verliezen. Vandaar dat zij bedrieglijke rijkdommen en onrechtvaardige mammon genoemd worden. God heeft velerlei middelen om de mensen arm te maken, Hij kan het doen door verdrukking, kwaad en droefenis, zoals Hij Job beproefd heeft, en hem zeer naar de diepte heeft gebracht.
3. Zij, die hoog en groot zijn in de wereld, worden vernederd, en zij, die gering en veracht waren, worden tot eer bevorderd, vers 40, 41. Wij hebben:
a. Vorsten onttroond gezien en in zeer armoedige omstandigheden gebracht. Hij stortte verachting over hen uit, zelfs onder degenen, die hen vroeger vergood hadden. Hen, -die zichzelf verhogen, zal God vernederen, en te dien einde zal Hij hen verdwaasd doen worden. Hij doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is. Hij verijdelt hun raadslagen, waardoor zij zich in hun macht en pracht dachten staande te houden, en drijft hen blindelings voort, zodat zij niet weten waarheen zich te keren of te wenden, wat te doen of aan te vangen. Wij hebben dit tevoren ontmoet, Job 12:24, 25.
b. Personen van lage rang en afkomst worden verhoogd tot posten van eer, vers 41. "Maar Hij brengt de nooddruftigen uit de verdrukking in eer hoog vertrek, verheft de geringe uit het stof, om te doen zitten bij de prinsen," 1 Samuël 2:8, Psalm 113:7, 8. Zij die verdrukt en vertreden waren, zijn niet slechts verlost, maar in een hoog vertrek gesteld, buiten het bereik van hun moeilijkheden, boven hun vijanden, en zij hebben heerschappij over hen, aan wie zij onderworpen waren geweest. Hetgeen hun eer nog vermeerdert en hen versterkt in hun verheffing, is de menigte hunner kinderen. Hij maakt de huisgezinnen als kudden van schapen, zo talrijk, zo nuttig, zo gezellig onder elkaar, zo nederig, zachtmoedig en vreedzaam. Hij, die hun spijze zendt, zendt hun monden: Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker gevuld heeft met pijlen, want hij zal met vrijmoedigheid spreken met de vijanden in de poort, Psalm 127:5. God moet erkend worden zowel in het oprichten als in het opbouwen van gezinnen. Laat de vorsten niet benijd en de armen niet veracht worden, want God heeft velerlei middelen om in de toestand van beide verandering te brengen.
II. Hij maakt enig gebruik van deze opmerkingen, zulke verbazingwekkende omkeringen zijn nuttig: 1. Tot vertroosting van de heiligen, zij nemen deze beschikkingen waar met genoegen, vers 42. De oprechten zien het en verblijden zich in de verheerlijking van Gods eigenschappen en de openbaring van Zijn heerschappij over de kinderen van de mensen. Het is voor een Godvruchtige een grote vertroosting om te zien hoe God de kinderen der mensen leidt en bestuurt, hen bewerkt zoals de pottenbakker het leem, om door hen Zijn eigen doeleinden te dienen, de geminachte deugd bevorderd te zien en de goddeloze hoogmoed in het stof te zien vernederd, het onbetwistbaar te zien aangetoond dat er een God is, die op de aarde richt.
2. Om aan zondaren het zwijgen op te leggen: alle ongerechtigheid stopt haar mond. Het zal een volkomen overtuiging zijn van de dwaasheid van de atheïsten en van hen, die de Goddelijke voorzienigheid loochenen, en in zover practisch atheïsme op de bodem is van alle zonde, zal het in werkelijkheid alle ongerechtigheid de mond stoppen. Als zondaren zien hoe hun straf beantwoordt aan hun zonde en hoe rechtvaardig God met hen handelt door hun Zijn gaven te ontnemen, die zij hadden misbruikt dan zullen zij geen woord hebben in te brengen want God zal gerechtvaardigd zijn, rein zijn in Zijn richten.
3. Ter voldoening van allen betreffende Gods goedertierenheid, vers 43. Wie is wijs, die neme deze dingen waar, deze onderscheidene beschikkingen van de Goddelijke voorzienigheid, zij zullen de goedertierenheden Gods verstaan, vers 43..
a. Hier is een begerenswaardig doel voorgesteld, namelijk de goedertierenheden des Heeren recht te verstaan. Het is van groot nut voor ons in de Godsdienst, om ten volle verzekerd te wezen van de goedertierenheid Gods, er uit ervaring mee bekend te zijn, zodat Zijn goedertierenheid voor onze ogen is, Psalm 26:3.
b. Een gepast middel voorgeschreven om dit doel te bereiken, en dat is: behoorlijk te letten op de voorzienigheid Gods. Wij moeten deze dingen bewaren, ze overleggen in ons hart, Lukas 2:19. Een aanbeveling van het gebruik van dit middel als een blijk van ware wijsheid: Wie is wijs, laat hem hierdoor zijn wijsheid doen blijken en er gebruik van maken. Een verstandig letten op de leidingen van Gods voorzienigheid zal er zeer veel toe bijdragen om van de mens een goed Christen te maken.