1. Toen kwamen, overeenkomstig de uitnodiging, de mannen van Kirjath-Jearim 1) en haalden de ark van de HEERE op van Beth-Semes, dat 4 of 5 uur zuidwestelijk van hen gelegen was, en zij brachten ze in het huis van Abinadab (= vader van de milddadigheid), een Leviet, die als vreemdeling bij hen verkeerde (Jud 17:7), die op de heuvel zijn woonplaats had; en zij heiligden door bijzondere godsdienstige plechtigheden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van de HEERE bewaarde 2) en niemand in haar nabijheid toeliet.
1) Deze stad was noch priester- noch levietenstad. Zij lag echter dicht bij Silo en was op de weg van Beth-Semes naar laatstgenoemde plaats, de grootste stad. Nu draagt zij de naam van Kuryet el Enab..
Hoogstwaarschijnlijk is Abinadab een Leviet geweest, omdat men zijn zoon heiligde en tot bewaarder van de ark aanstelde..
2) Hier bleef de ark 60 tot 70 jaar totdat David haar naar Jeruzalem haalde, en daar onder een bijzondere tent liet brengen (2 Samuël 6:1vv.), naar het voorbeeld van de tabernakel ingericht. Waarom men haar niet reeds nu, in plaats van naar Kirjath-Jearim, naar Silo bracht, heeft zonder twijfel daarin zijn reden, dat men in het wegnemen door de Filistijnen een Godsgericht over het door de zonde van Eli's zonen ontheiligde heiligdom zag, en daarom de ark na haar terugkeren niet zonder een uitdrukkelijk bevel van God daarheen wilde brengen. Daarin handelde men dan ook recht en overeenkomstig Gods bedoelingen; niet uitwendig zou allereerst de oude orde van zaken weer hersteld worden; het volk moest eerst inwendig gereinigd en het uitwendige herstel voorbereid worden, die pas onder David begon, totdat het vervolgens onder Salomo vrede was. De stad Kirjath-Jearim heeft op een naburige steile berg een klooster, dat door een onderaardse gang met de ruïnes van een mooie, tamelijk goed onderhouden kerk verbonden is; deze is waarschijnlijk de plaats, waarheen men de ark bracht..
I. Vers 2-17. Gedurende de eerste twintig jaar na de wegvoering van de ark van het verbond en de terugzending van haar door de Filistijnen brengt Samuël door zijn profetische werkzaamheid een waarachtige bekering in Israël teweeg, waarvan de vrucht is, dat de afgodsbeelden uit het gehele land worden uitgeroeid. Nu de verdrukking door de Filistijnen reeds 40 jaar geduurd heeft en de tijd gekomen is, dat de Heere zijn volk weer kan helpen, roept hij de kinderen van Israël naar Mizpa om hen op geestelijke wijze op de strijd voor te bereiden; de Filistijnen, die van de vergadering in Mizpa gehoord hebben, wachten de aanval van Israël niet af, maar komen hen voor. De profeet bidt tot de Heere en Hij geeft een heerlijke overwinning bij Eben-Haëzer, zodat het land van zijn onderdrukkers bevrijd wordt. Daarmee begint nu ook de tijd van Samuëls rechterlijke werkzaamheid. 2. En het geschiedde van die dag af, dat de ark van de HEERE in Kirjath-Jearim aankwam en daar bleef, totdat David haar verder vervoerde, dat is van het jaar 1115 of 1114 vóór Christus, en de dagen werden vermenigvuldigd, en het werdentwintig jaar, dus ongeveer tot het jaar 1095 v. Chr.; en het gehele huis van Israël, door Samuëls profetische werkzaamheid tot kennis van zijn diepe afval van God gebracht, klaagde tot de HEERE; 1) het begon tot de Heere te bidden om verlossing van het juk van de Filistijnen.
1) Hieruit mogen wij leren, dat indien wij tot zonde zijn vervallen, wij niet van God genade kunnen verwachten, noch dat wij met Hem verzoend zullen worden, indien wij niet hevig berouw krijgen en op onszelf verontwaardigd worden. Want indien wij niet begeren God als Rechter te leren kennen is ervoor te zorgen, zoals Paulus zegt, en te bidden, dat Hij ons de Heiligen Geest mededeelt, onder Wiens leiding en bewerking wij bedroefd worden, opdat Hij niet met Zijn oordelen over ons komt..
Bij de treurige toestand, die Samuëls werkzaamheid voorafging is het gemakkelijk te verklaren, waarom pas zo'n geruime tijd voorbij moest gaan, voordat deze arbeid een besliste omkering bij het volk tot gevolg had. Men voelde wel de ellende van de tijd, erkende ook dat de oorzaak in de afval van God gelegen was, en probeerde Zijn genade weer te verkrijgen; maar een hervorming, de vernieuwing van een diep gezonken volk is nooit het werk van enkele jaren. Bovendien was de slag, die het heiligdom getroffen had door de wegvoering van de ark en door de dood van de hogepriester voor Israël een te zware verzoeking om zich des te meer aan de dienst van de Baäls en Astharoths vast te houden, hoe minder zij gelegenheid hadden, hun godsdienstige behoeften op wettige wijze te bevredigen. Wij hebben nu in de eerste plaats met Samuëls profetische werkzaamheid te doen, die zijn rechterlijke en priesterlijke, waarover wij bij Vers 17 spreken zullen, voorbereidde. Omdat echter in en met hem een eigenlijk geregeld profetisme in het leven getreden is (wat vroeger daarvan voorkwam waren slechts voorbijgaande beginselen en afzonderlijke verschijningen) moeten wij vooraf over het wezen van het profetisme en over de profetenstand in het grote geheel van de theocratie duidelijkheid proberen te verkrijgen.
Nadat door de wet de fundamenten van het oudtestamentische Godsrijk gelegd waren en de betrekking, die tussen de Heere en Israël bestaan moest, was aangewezen, was er nog een bijzonder opvoedingsmiddel nodig om tot een nieuwe hogere trap van de goddelijke economie te komen: want het doel, waarnaar het Oude Verbond streeft, is dat, wat door Christus en Zijn verlossingswerk werkelijkheid geworden is; de noodzakelijke voorbereidselen voor die nieuwe tijd moeten reeds in de oude bedeling zijn, om tot het doel te kunnen komen.
De wet in haar instellingen en geboden is wel geen dood formalisme, maar op zichzelf reeds een vereniging van het inwendige met het uitwendige, op alle bijzondere levensomstandigheden toegepast. Toch is zij altijd slechts het omkleedsel, waaronder zich de reine, volle waarheid verbergt; de priesters, die tot handhaving en instandhouding van dit formalisme geroepen zijn, behoren zelf mede tot de heilige symboliek van de cultus. De gehele dienst is een leer door de daad, waarnaast de leer door het woord op de tweede plaats staat. Deze leer door het woord moet daarom als iets zelfstandigs daarbij komen om de wet in haar diepe voorspellende betekenis en de toepassing op het leven van het volk te verklaren; zij moet er zijn, opdat de wet geen gevaar loopt alleen in haar vormen en uiterlijkheden gehandhaafd te worden, maar naar haar bestemming in de harten indringe en de gehele gemeente hervormende doordringe. Hiermee hebben wij zowel de noodzakelijkheid van het profetisme aangewezen, als ook zijn bijzonder karakter verklaard; het is de verlevendiging en verdere ontvouwing van hetgeen de wet in zich bevat, de hogere toepassing van haar op de geschiedenis van het leven van het volk. Het profetisme, zij het hervormend werkzaam, of trede het in sterke bedreigingen en heerlijke beloften op, overal is het een "toetsen van de tijd aan de hogere, onveranderlijke, goddelijke wil en een doordringen van deze goddelijke wil door de geschiedenis van het volk; het staat niet boven de wet, maar midden in de wet vol diepe inzichten in de rijke schat van haar inzettingen, vol innige liefde tot de volheid van haar zegeningen, met een hart, brandende voor de wil van God." Volgens deze verhouding tot de wet, kan het profetisme nooit in strijd komen met haar inhoud; het kan slechts als voortzetting van het werk van Mozes optreden, waar het zou willen beproeven van haar af te leiden, daar zou het zich aanstonds als vals openbaren, dat niet geduld mocht worden. Zo kunnen de profeten slechts leden van het uitverkoren volk zijn, slechts broeders van hen, voor wie zij bestemd zijn; binnen het uitverkoren volk is echter het profetische ambt niet, zoals het priesterlijke, aan een bepaald geslacht verbonden. De Heere verwekt zich zelf Zijn profeten en plaatst hen onmiddellijk in hun ambt, terwijl het heidendom zijn orakels en zijn mantiek nauw aan het priesterlijk werk, aan het gezag van een wettige afkomst verbindt.
In de geschiedenis van het Oude Testament treedt de Mozaïsche tijd te zeer op de voorgrond, dan dat wij in deze geen profetische geest, ten minste niet de beginselen zonden mogen verwachten; inderdaad bevestigt zowel Mirjams profetische gave (Exodus 15) als de gebeurtenis, die in Numeri 11 verteld wordt, onze verwachting. Wanneer later in de volgende periode van de richters enkele profetenstemmen gehoord worden (Richteren 4:4vv.; 6:7vv.; 1 Samuël 2:27vv. vinden wij dit toch zeer zeldzaam; het woord van de Heere was schaars in die dagen (1 Samuël 3:1). Uit de noodzakelijke werkzaamheid naar buiten, de herovering van Kanaän, ontwikkelde zich een materialistische gezindheid, die voor het profetische leven geen grondslag aanbood; in de plaats van profeten traden richters op, die de theocratie voornamelijk naar buiten moesten beschermen. Een nieuwe tijd voor de ontwikkeling van het profetisme begint daarentegen met Samuël. "Hoe moeilijker en treuriger de tijd was, waarin de Heere hem tot Zijn profeet riep, des te grootser en bewonderenswaardiger is zijn optreden en handelen. Heiligdom en cultus waren in verval, het hogepriesterschap (Numeri 25:13) in onrechtmatige handen, het hart van het heiligdom, de ark, viel in de macht van de vijand en de heilige plaats te Silo was een ontheiligde, een door de HEERE verworpen plaats geworden. Uit deze toestand van verderf rukte Samuël het volk door zijn woord en zijn kracht. Zijn roeping was de vernieuwing van het Oude Verbond, de opwekking van een nieuwe geest; de verandering van het volk, een nieuwe cultus, een nieuw priesterschap kon niet voortkomen door uitwendige inrichtingen, Samuëls roeping was, van binnen beginnende, het volk naar buiten te veranderen." Hoe voortreffelijk hij zijn roeping in die tijd van 20 jaar vervuld heeft, zien wij uit hetgeen in het volgende verteld wordt; wij hebben daar een volk voor ons, dat zich met zijn gehele hart tot de Heere bekeert en de vreemde goden van zich doet. Op welke weg dit tot stand gebracht is, blijkt uit de in zijn tijd ontstane profetenschool. Dat hij overal in het land rondtrok en zijn profetische stem, die op Gods wet en op Gods daden in de dagen van de vaderen wees, de harten tot boete en bekering vermaande, de hoop op nieuwe hulp van boven opwekte, en dit bij het beter gezinde deel van het volk levendige instemming vond, hebben wij reeds eerder (3:19vv.) vernomen.
De Heere toonde echter bovendien nog een bijzonder welgevallen in zijn prediking, omdat een aanzienlijk getal van mannen en jongelingen zich nader aan de man van God aansloot, zich in zijn onmiddellijke nabijheid naar Rama en Gibea begaf, en zich hem tot hulp in de dienst van het Woord stelde. Ook zij werden met de Geest van God vervuld en op gelijke wijze met de gave van de profetie gezegend, zoals eens de 70 oudsten, die Mozes ter zijde gesteld werden (Numeri 11). Het profeteren is nu bij hen niet in die zin te verstaan, dat zij bepaalde goddelijke openbaringen ontvangen en die aan het volk meegedeeld zouden hebben; behalve deze profetische voorzegging in engere zin van het woord (als de profeet van de Heere nieuwe mededelingen ontvangt en gedachten van God verneemt, die hij als Woord van God verder zal verkondigen), vinden wij in de Heilige Schriften ook een profeteren in meer uitgebreide zin vermeld, wanneer de mens door de Geest van God wordt aangegrepen, en spreekt zoals de Geest hem dringt, woorden van lof of van vermaning en vertroosting. Wij zullen hierover bij 10:10 nader moeten spreken; het zij intussen genoeg hier nog op te merken dat, omdat het profeteren met een krachtige opgewektheid en met verhoogd gevoelsleven samenhangt, een sterke opwekking van het gevoel aan de profetische toestand voorafgaat, en alzo middelen kunnen aangewend worden om deze te verkrijgen (2 Koningen .3:15). Daarom werden muziek en gezang, die de invloeden van de buitenwereld terugdringen, opdat de geest, tot nadenken gekomen, naar het Gods Woord luistere, benevens de heilige dichtkunst in de profetenscholen bijzonder beoefend (10:5). Men heeft hen meermalen voor oudtestamentische kloosterorden gehouden, en hun medeleden woonden ook in Coenobiën of gemeenschappelijke gebouwen (Hebreeuws: Najoth, 19:19; 20:1) bij elkaar, zodat wanneer er in Gibea ook zo'n profetenschool was, hetgeen wel niet met zekerheid kan beweerd worden (10:5,10), daar nu in de plaats van de vroeger daar bestaande vereniging van krijgslieden (Richteren 19:22) een geestelijke broederschap gekomen was. Er bestaat evenwel een groot onderscheid tussen de middeleeuwse kloosterorden en de profetenscholen uit het Oude Testament, want deze wilden niet, zoals die orden, zich uit het gewoel van de wereld in de eenzaamheid terugtrekken en daar een beschouwend leven leiden; hun verenigingen dienden tot geestelijke voorbereiding voor een krachtig werken op de tijdgenoten, om de afvalligen tot de wet en de getuigenis terug te leiden. Behalve in poëzie, muziek en gezang oefende men zich daar vooral om een grondige kennis te verkrijgen van de Wet en van de vroegere goddelijke openbaringen, met andere woorden van het reeds voorhanden Woord van God.
Van Samuëls tijd af is dan ook de beschrijving van de geschiedenis een wezenlijk deel van de profetische werkzaamheid geweest, zoals wij in het slotwoord op de Richteren reeds opmerkten. Aan geestelijke oefeningen heeft het daarnaast natuurlijk niet ontbroken, omdat het profeteren noch onderwezen noch geleerd kon worden, maar een gave was, die de Geest van God kon toedelen aan wie Hij wilde. Het was een waarlijk God gewijd leven. Gesticht en gevormd door Samuëls profetische geest, werden de verenigingen van de profeten weer een steun voor hem bij zijn moeilijke roeping; zij gaven hem helpers in zijn ambt, zoals onder andere omstandigheden later de apostelen in hen medehelpers bezaten.. 3. Toen door die arbeid van twintig jaar de harten waren voorbereid, zodat Israël tot de Heere klaagde (Vers 2), sprak Samuël tot het gehele huis van Israël, bij gelegenheid van een vergadering, toen de oudsten en hoofden over de treurige toestand beraadslaagden en tot hem kwamen met de vraag of die God hun niet voor altijd had verstoten, zeggende: Indien gij u met uw gehele hart 1) tot de HEERE bekeert, doet de vreemde goden uit het midden van u weg, de Baäls en ook de Astharoths, die gij tegen het uitdrukkelijk verbod van de Heere (Exodus 20:3vv.) gediend hebt (Jud 2:13); en a) richt uw hart tot de HEERE b) en dient Hem alleen, 2) dan zal Hij u uit de hand van de Filistijnen rukken.
a)Deuteronomium 6:13; 10:20 Mattheus 4:10 Lukas 4:8 b) Psalm 78:8
1) Uit de grondtekst blijkt duidelijk (er staat toch het verleden deelwoord), dat de bekering van Israël reeds een aanvang had genomen, dat Israël onder de werkzaamheden van Samuël reeds het verkeerde van hun handelwijze had ingezien, om de Heere te verlaten en andere afgoden te volgen. Samuël wijst hen erop, dat ook de innerlijke bekering zichtbaar moet worden in de uitwendige, door het wegdoen van de Baäls en de Astharoths..
De innerlijke bekering gaat vooraf en daarna volgt ook de uitwendige openbaring ervan..
2) Met deze woorden leert hij het volk, om de dienst van God niet half te doen, maar òf Hem alleen òf in het geheel niet te dienen. Zelfs gaat hij verder, wanneer hij beweert, de harten vast te doen staan om God alleen te dienen, n.l. dat zij een vast en standvastig voornemen zouden hebben om Hem geheel en van harte te dienen. Een onderwijs waardig, om in ons geheugen te prenten en op te nemen..
Letterlijk staat er, het hart vast richten op de Heere en Samuël wil daar niets anders mee zeggen, dan dat zij zich door niets zouden laten afleiden, om de Heere te dienen. Hem niet half, met een verdeeld hart, maar Hem geheel en al dienen. De Heere wil een beslist en onverdeeld hart. Het verdeelde hart is Hem niet aangenaam..