Psalm 147:1-11
I. Hier wordt de plicht des lofs ons aanbevolen. Het is niet zonder reden dat wij er aldus telkens en nogmaals toe geroepen worden. Looft de Heere, vers 1, en wederom: zingt de Heere bij beurte met dankzegging, psalmzingt onze God op de harp, vers 7, laat al onze lof Hem gewijd zijn en in Hem als het middelpunt samenkomen, want het is goed het te doen, het is onze plicht, en daarom goed op zichzelf, het is ons belang, en daarom goed voor ons, het is onze Schepper welbehaaglijk, en het beantwoordt aan het doel van onze schepping. De wet er van is heilig, rechtvaardig en goed, en de beoefening ervan zal blijken voordelig te wezen. Het is goed, want:
1. Het is lieflijk, heilige blijdschap en zielsverlustiging worden vereist als het beginsel ervan, en dat is lieflijk voor ons als mensen, eer te geven aan God is er het doel en het werk van, en dat is lieflijk voor ons als heiligen, die toegewijd zijn aan Zijn eer. God te loven is werk, dat zijn eigen loon meebrengt, het is de hemel op aarde, daarin moeten wij zijn als in ons element.
2. Het is betamelijk, het is hetgeen ons betaamt als redelijke wezens, en nog veel meer als een volk, dat in verbond met God is. Door eer te geven aan God doen wij onszelf grote eer aan.
II. God wordt ons aanbevolen als het gepaste voorwerp van onze lof, van onze meest hartelijke en verheven lof, en dat wel in verscheidene opzichten.
ed.
.
147:11: Om de zorg, die Hij draagt voor Zijn uitverkoren volk, vers 2. Moet Jeruzalem opgericht worden uit een klein begin? Moet zij weer opgebouwd worden uit het puin? In beide gevallen is het waar: De Heere bouwt Jeruzalem. De Evangeliekerk, het Jeruzalem dat van boven is, is Zijn bouwwerk, Hij vormde het plan ervan in Zijn eigen raad, Hij fundeerde haar door de prediking van het Evangelie, Hij doet er dagelijks aan toe degenen, die zalig worden, en aldus doet Hij haar toenemen. Hij zal haar opbouwen tot volkomenheid, haar opbouwen tot aan de hemel. Zijn sommigen van Zijn volk verdrevenen? Zijn zij dit geworden door hun eigen dwaasheid? Hij vergadert hen door hun bekering te geven en hen wederom in de gemeenschap van de heiligen te doen komen. Waren zij weggedreven door oorlog, hongersnood of vervolging? Hij opent een deur voor hun terugkeer, velen die vermist waren, die men verloren waande, zijn teruggebracht, en zij, die verstrooid waren ten dage van de wolk en de donkerheid, worden weer bijeenvergaderd.
2. Om de vertroosting, die Hij heeft weggelegd voor hen, die in waarheid boetvaardig zijn, vers 3. Zij zijn gebroken van hart, gewond, verootmoedigd en benauwd vanwege de zonde, gevoelen innerlijke smart bij de herinnering er aan, zoals iemand, die zwaar gewond is, zij zijn niet slechts verslagen in het hart, maar hun hart is verscheurd onder het besef van de oneer, die zij Gode hebben aangedaan, en het kwaad, dat zij zichzelf hebben berokkend door de zonde. Tot hen, die God geneest door de vertroostingen van Zijn Geest, spreekt Hij van vrede, Hij verzekert hun dat hun zonden vergeven zijn, en dat Hij met hen verzoend is, en aldus stelt Hij hen gerust en stort balsem van Gilead in de bloedende wonden, en dan verbindt Hij hen en doet hen juichen van blijdschap. Zij, die daar ervaring van hebben, behoeven niet opgeroepen te worden om de Heere te loven, want toen Hij hen uit de ruisende kuil heeft opgetrokken en hun voeten op een rotsteen heeft gesteld, heeft Hij een nieuw lied in hun mond gegeven, Psalm 40:3, 4, laat ook anderen Hem hiervoor loven.
3. Om de soevereine heerschappij, die Hij heeft over de lichten des hemels, vers 4, 5. De sterren zijn ontelbaar, vele er van zijn voor het blote oog nauwelijks zichtbaar, en toch telt Hij ze, kent Hij er het juiste getal van, want zij zijn alle het werk van Zijn handen, en de werktuigen van Zijn voorzienigheid, haar omvang en kracht zijn zeer groot, maar Hij noemt ze alle bij namen, hetgeen Zijn heerschappij over haar aanduidt, en dat zij onder Zijn bevel staan, om er het gebruik van te maken, dat Hem behaagt. Zij zijn Zijn dienaren, Zijn krijgslieden, Hij monstert ze, Hij rangschikt ze, zij komen en gaan op Zijn bevel, en al hun bewegingen worden door Hem bestuurd. Hij maakt hier melding van als van een uit vele voorbeelden, om aan te tonen dat onze Heere groot is en van veel kracht, Hij kan doen wat Hem behaagt en Zijns verstands is geen getal, zodat Hij alles ten beste kan schikken. Der mensen kennis is spoedig uitgeput, gij hebt er de uiterste maat van, tot hiertoe kan zijn wijsheid reiken, en niet verder, maar Gods kennis is een diepte, die nooit gepeild kan worden.
4. Om het vermaak, dat Hij er in schept om de hoogmoedigen te vernederen en de nederigen te verhogen, vers 6. De Heere houdt de zachtmoedigen staande, die zich voor Hem vernederen en die door de mensen vertreden worden-maar de goddelozen, die zich beledigend gedragen tegenover God en met verachting tegenover de mensen, die zich in hoogmoed en dwaasheid verheven, vernedert Hij tot de aarde toe, soms door zeer vernederende leidingen van Zijn voorzienigheid in deze wereld, op zijn laatst in de dag, wanneer hun aangezicht met eeuwige schande bedekt zal zijn. God bewijst zich God te zijn door alle hoogmoedigen te zien en tenonder te brengen, Job 40:7.
5. Om Zijn voorziening voor de mindere schepselen. Hoewel Hij zo groot is dat Hij de sterren gebiedt, is Hij zo goed dat Hij zelfs de vogelen niet vergeet, vers 8, 9.
Merk op hoe en op wat wijze Hij mens en aller voedt.
a. Hij bedekt de hemelen met wolken, die de lucht verduisteren en de stralen van de zon onderscheppen, en toch bereidt Hij daarin die regen voor de aarde, die noodzakelijk is voor haar vruchtbaarheid. Wolken hebben een treurig aanzien, maar zonder haar zouden wij geen regen kunnen hebben, en bijgevolg geen vruchten. Zo hebben ook beproevingen voor het ogenblik een somber aanzien, donker en onaangenaam zien zij er uit, en wij zijn er treurig en bezwaard onder, zoals wanneer de lucht betrokken is en dit ons droevig stemt, maar zij zijn noodzakelijk, want uit deze wolken van de beproeving komen de regens, die de oogst van een vreedzame vrucht van de gerechtigheid doen voortbrengen, Hebreeën 12:11, die er toe moet bijdragen om ons ermede te verzoenen. Let op de noodzakelijke afhankelijkheid, waarin de aarde zich bevindt van de hemel. Al de regen, waardoor de aarde bewaterd wordt, heeft God geleid.
b. Door de regen, die op de aarde afdruipt, doet Hij het gras op de bergen uitspruiten, zelfs op de hoge bergen, waar de mens zijn zorgen niet aan wijdt, en er ook het voordeel niet in oogst. De bergen, die niet zoals de dalen, bewaterd worden door fonteinen en rivieren, worden toch bevochtigd, zodat zij niet dor en onvruchtbaar zijn.
c. Dit gras geeft Hij aan het vee voor zijn voeder, aan de dieren op de bergen, die daar in het wild lopen, en waarvoor de mens geen voorziening maakt. En zelfs de jonge raven, die, verlaten zijnde door hun ouden, roepen, worden door Hem gehoord, en Hij voorziet in middelen om ze te voeden, zodat zij er voor bewaard worden om in het nest om te komen.
6. Om het welbehagen, dat Hij heeft in Zijn volk, vers 10, 11 In tijden wanneer grote dingen gebeuren en grote verwachtingen gekoesterd worden van het succes ervan, is het van belang voor ons (daar de uitkomst van de Heere is), om te weten tot de eer van wie en van wat God een welbehagen heeft, en wie Hij dus zal kronen met de overwinning. Het is niet de sterkte van heirlegers, maar de kracht van de genade, die het God belieft te erkennen.
a. Niet de sterkte van heirlegers, Hij heeft geen welbehagen in de ruiterij, want Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards, des krijgspaards vermaard om zijn moed, Job 39:22 en verv, noch in het voetvolk, want Hij heeft geen welbehagen aan de benen des mans, hij bedoelt niet in de snelheid ervan om te vlieden, het slagveld te verlaten, maar de standvastigheid ervan om stand te houden en niet te wijken. Als een koning, die krijg voert tegen een andere koning, God bidt om voorspoed, dan zal het hem niet baten om te pleiten: Heere, ik heb een dapper leger, ruiterij en voetvolk zijn in goede orde, het zou jammer zijn als zij een nederlaag leden, want dat is bij God geen argument, Psalm 20:8. Josafats pleitrede was veel beter: O onze God, in ons is geen kracht, 2 Kronieken 20:12. Maar, b. Het behaagt Gode de kracht van de genade te erkennen, een ernstig opzien tot God is hetgeen in Gods ogen van grote waardij is in zo'n geval. De Heere heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
Merk op:
Ten eerste. Een heilig vrezen van God is niet slechts bestaanbaar met hoop op God, maar moet er mee samengaan. Er moet in hetzelfde hart en op dezelfde tijd beide eerbied zijn voor Zijn majesteit en vreugde over Zijn goedheid, beide een gelovig vrezen voor Zijn toorn en een gelovige verwachting van Zijn gunst. Niet dat wij in onzekerheid moeten zijn, en als het ware tussen hoop en vrees blijven hangen, maar wij moeten onder de Godvruchtige invloeden handelen van hoop en vrees. Onze vrees moet onze troop er voor bewaren om in aanmatiging te ontaarden, en onze hoop moet onze vrees er voor bewaren om tot wanhoop over te slaan, aldus moeten wij ons werk voor ons nemen.
Ten tweede. Wij moeten hopen op Gods genade, op Zijn algemene genade, zelfs dan, wanneer wij geen bijzondere belofte kunnen vinden om op te steunen. Een nederig vertrouwen op de goedheid van Gods wezen is Hem zeer welbehaaglijk, daar dit strekt tot eer van die hoedanigheid, waarin Hij het meeste roemt. Ieder man van eer heeft het gaarne, dat men vertrouwen in hem stelt.