1 Samuël 9:1-2
Hier wordt ons gezegd:
1. Van welk een goede familie Saul geweest is, vers 1. Hij was van de stam van Benjamin, dat was ook de Nieuw-Testamentische Saul, die ook Paulus genaamd werd, en hij maakt hier melding van als van zijn eer, want Benjamin was een gunsteling, een bevoorrechte Romeinen 11:1, Filippenzen 3:5.
Die stam was tot op een zeer klein aantal verminderd door de noodlottigen oorlog met Gibea, en er was veel te doen geweest om vrouwen te verkrijgen voor de zes honderd mannen, die de armzalige overblijfselen waren van die verminderden stam, die zeer terecht de kleinste van de stammen Israëls genoemd wordt, vers 21. Saul ontsproot als een wortel uit een dorre aarde.
Die stam, hoewel de minste in aantal, was de eerste in waardigheid, daar God "overvloediger eer gaf aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft," 1 Corinthiers 12:24. Zijn vader was Kis, een dapper held, of naar de lezing van de kanttekening een man van vermogen, stoutmoedig van aard, sterk van lichaam, rijk in goederen.
Daar het gehele erfdeel van Benjamin er toe kwam om verdeeld te worden onder zes honderd man, kunnen wij onderstellen, dat ieders erfdeel daar veel groter was dan dat van hen, die van andere stammen waren-een voordeel, dat enigszins opwoog tegen het nadeel van hun minderheid in aantal.
2. Welk een goed voorkomen Saul had, vers 2. Er wordt hier geen melding gemaakt van zijn wijsheid, of deugd, zijn geleerdheid of Godsvrucht, of van enigerlei gave van geest, maar alleen daarvan, dat hij een hoge gestalte had en schoon was van gelaat, zich goed en bevallig voordeed. Er was geen schoner man dan hij onder de kinderen Israëls, en alsof de natuur hem getekend had voor uitnemendheid en voorrang, was hij een hoofd groter dan enig ander man van het volk, des te geschikter om opgewassen te zijn tegen de reuzen van Gath, de kampioenen van de Filistijnen.
Toen God een koning verkoos naar Zijn hart, viel Zijn keus niet op iemand, die merkwaardig was om de hoogte van zijn statuur, noch om iets anders in zijn gelaat dan het onschuldige en lieflijke, dat er in uitblonk, Hoofdstuk 16:7, 12, maar toen Hij een koning verkoos naar het hart des volks, die op niets meer achtgeven dan op statigheid en grootsheid, verkoos Hij deze statiger man van een hoge gestalte, die, al zou hij dan ook geen andere goede hoedanigheden bezitten, toch altijd een groot aanzien zou hebben. Het blijkt niet dat hij evenzeer uitmuntte in kracht als in statuur. Met Simson was dit wel het geval, en hem hebben zij geminacht, gebonden, en overgeleverd in de handen van de Filistijnen, het was dus recht, dat zij er een kregen die, hoewel van ongewone lengte, toch zwak was als andere mensen. Zij wilden een koning hebben, zoals de volken, en de volken verkozen meestal kloek uitziende mannen tot hun koningen.