1 Samuël 29:1-5
I. Hier is: de grote moeilijkheid, waarin David zich bevond, wij kunnen veronderstellen, dat hij zelf er zich wel van bewust was, hoewel wij niet lezen dat hij God om raad heeft gevraagd, noch zelf enig plan heeft gemaakt om er zich uit te redden. De twee legers van de Filistijnen en van de Israëlieten waren gereed om de strijd met elkaar te beginnen, vers 1. Achis, die vriendelijk was geweest voor David, had hem verplicht om met zijn krijgsmacht in zijn dienst te komen. David kwam en werd bij een wapenschouwing van het leger bij Achis gevonden op de post, die hem in de achterhoede was aangewezen, vers 2.
1. Indien hij nu, als de legers slaags met elkaar waren, zich terugtrok en zijn post verliet dan zou de onuitwisbare smaad en schande over hem komen, niet slechts van lafhartigheid en verraad, maar ook van lage ondankbaarheid jegens Achis, die zijn beschermer en weldoener is geweest, vertrouwen in hem had gesteld, en hem een eervolle opdracht had gegeven. Tot zo'n beginselloze wijze van handelen heeft hij zich niet kunnen brengen.
2. Indien hij, zoals van hem verwacht werd, voor de Filistijnen zou strijden tegen Israël, hij zou zich het verwijt op de hals halen een vijand te zijn van Gods Israël en een verrader van zijn land, zich door zijn eigen volk hebben doen haten, dat zich eenstemmig verzet zou hebben tegen zijn komst op de troon, als zijnde de naam van Israëliet onwaardig, en nog veel meer de eer en het vertrouwen onwaardig om een koning Israëls te zijn, daar hij tegen hen onder de banier van de onbesnedenen had gestreden.
Indien Saul in deze strijd gedood werd (zoals bleek het geval te zijn) men zou gezegd hebben dat David hem gedood had, zodat aan beide zijden zowel zonde als ergernis scheen te zijn.
Dit was de moeilijkheid, waarin hij zich bevond, en voor een Godvruchtig man was het een grote moeilijkheid, erger om zonde voor zich te zien dan gevaar. In deze moeilijkheid heeft hijzelf zich gebracht door zijn onbedachtzaamheid om het land van Juda te verlaten en zich onder de onbesnedenen te begeven.
Het is wel zeer zeldzaam dat zij, die zich met goddelozen vermengen en vertrouwd met hen worden, er zonder schuld of smart afkomen. Wat hijzelf zich voorstelde te doen, blijkt niet.
Misschien was hij voornemens slechts als bewaarder van des konings hoofd -de post, die hem was opgedragen-Hoofdst. 28:2, op te treden, maar niet aanvallenderwijs tegen Israël te handelen.
Doch het zou zeer moeilijk zijn geweest, zó nabij de rand van de zonde te komen en er niet in te vallen, daarom zou God hem rechtvaardiglijk in deze moeilijkheid hebben kunnen laten, om hem te kastijden voor zijn dwaasheid, maar omdat zijn hart oprecht voor Hem was, wilde Hij hem niet laten verzacht worden boven hetgeen hij vermocht, maar heeft Hij hem met de verzoeking ook de uitkomst gegeven, 1 Corinthiers 10:13.
II. Er wordt hem een deur geopend om uit deze moeilijkheid te geraken. God neigde het hart van de oversten van de Filistijnen om er zich tegen te verzetten dat hij gebruikt werd inden krijg, en er op aan te dringen dat hij weggezonden werd. Aldus heeft hun vijandschap hem hulp verleend, toen geen vriend nabij was om hem te helpen.
1. Het was een gepaste vraag, die zij deden bij de monstering van hun krijgsmacht: Wat zullen deze Hebreeën? vers 3.
Welk vertrouwen kunnen wij in hen stellen? Welken dienst kunnen wij van hen verwachten? Een Hebreeër is buiten zijn plaats, en zo hij de geest heeft van een Hebreeër, dan is hij buiten zijn element, als hij in het leger van de Filistijnen is, en hij verdient er geslagen te worden. David placht de vergadering van de boosdoeners te haten, Psalm 26:5, nu was hij echter onder hen gekomen.
2. Het was een eervol getuigenis, dat Achis toen van David heeft afgelegd. Hij beschouwde hem als een man, die voor een onrechtvaardige vervolging uit zijn land was gevlucht, en zich onder zijn bescherming had gesteld, voor wie hij dus naar recht en billijkheid had te zorgen, en die hij dacht in wijsheid te kunnen gebruiken, want, zegt hij, hij is deze dagen of deze jaren, dat is: geruime tijd, bij mij geweest, vele dagen aan het hof, en een jaar of twee in het land, en ik heb in hem niets gevonden, dat mij reden gaf om zijn trouw te verdenken of om er aan te twijfelen, dat hij van harte tot mij is overgekomen.
Hieruit blijkt dat David met grote voorzichtigheid heeft gehandeld, en wijs zijn genegenheid, die hij nog voor zijn volk had, verborgen heeft gehouden. Het is ons nodig met wijsheid te wandelen bij degenen, die buiten zijn, onze mond te bewaren terwijl de goddeloze nog tegenover ons is.
3. Maar de oversten bleven er bij dat hij weggezonden moest worden, en zij geven er goede redenen voor op,
a. Omdat hij een oud vijand was van de Filistijnen, getuige wat tot zijn eer in de rei werd gezongen: Saul heeft zijn duizenden verslagen en David zijn tienduizenden vers 5. "Het zou ons ten verwijt wezen, als wij zo bekend een verderver van ons volk onder ons duldden en hem vertrouwden, en het is ook niet te denken dat hij thans van harte tegen Saul zal optreden, die toen zo krachtig met hem en voor hem is opgetreden".
Wie zou gesteld zijn op volkstoejuiching, als een andermaal datgene tegen iemand wordt aangevoerd, wat toen tot zijn lof gezegd werd?
b. Omdat hij een zeer gevaarlijk vijand voor hen worden kan, en hen meer kwaad zou kunnen berokkenen dan Sauls gehele leger, vers 4. opdat hij ons niet tot een tegenpartijder worde in den strijd, ons verrassen en overrompelen door een aanval in de achterhoede, terwijl hun leger tegen ons strijdt in de voorhoede, en wij hebben redenen te denken dat hij dit doen zal opdat hij door ons te verraden, zich met zijn heer zou kunnen verzoenen. Wie kan vertrouwen stellen in een man, die behalve nog zijn liefde voor zijn land, het zijn belang kan achten ons ontrouw te wezen?" Het is gevaarlijk om in een verzoend vijand vertrouwen te stellen.