1 Samuël 12:1-5
I. Samuël geeft hun hier een kort overzicht van de onlangs plaats gehad hebbende omwenteling en van de tegenwoordigen stand van de regering, bij wijze van inleiding tot hetgeen hij verder te zeggen heeft, vers 1, 2.
1. Hem aangaande, hij had zijn degen doorgebracht in hun dienst, hij is intijds begonnen hun nuttig te wezen, en hij is het lang gebleven.
"Ik heb voor uw aangezicht gewandeld, en als een gids om u te leiden, als een herder, die zijn schapen leidt", Psalm 80:2, "van mijne jeugd af tot deze dag toe".
(Zodra hij verlicht was door het licht van de profetie, in zijn jonge jaren, begon hij een brandend en schijnend licht te wezen voor Israël) "en nu zijn mijn beste dagen voorbij, ik ben oud en grijs". Daarom waren zij te meer onvriendelijk in hem te verwerpen, en was hij te meer gewillig om de regering neer te leggen, daar hij het gewicht er van zwaar vindt voor zijn gebogen schouders.
Oud, en daarom te meer instaat hun raad te geven, en behoorden zij te meer acht te geven op hetgeen hij zei, want, laat de dagen spreken, en veelheid van de jaren wijsheid te kennen geven, en de ouden is men bijzondere eerbied verschuldigd, inzonderheid oude magistraatspersonen en leraren.
"Oud, en daarom zal ik waarschijnlijk niet lang meer leven, misschien zal ik nooit weer de gelegenheid hebben om tot u te spreken, geeft dus acht op hetgeen ik zeggen zal.
2. Aangaande zijn zonen. "Ziet", zegt hij, mijne zonen zijn bij ulieden, gij kunt, zo gij wilt, hun rekenschap vragen van wat zij verkeerds gedaan hebben. Zij zijn bij ulieden, en zijn na deze omwenteling van het staatsbestuur hun land niet ontlopen, zij staan op gelijken bodem met u, zijn onderdanen van de nieuwe koning, zowel als gij indien gij onrecht tegen hen kunt bewijzen, kunt gij hen nu naar wettig recht vervolgen, hen straffen en noodzaken vergoeding te doen".
3. Aangaande hun nieuwe koning, Samuël is hun ter wille geweest in hem aan te stellen vers 1 , Ik heb naar ulieder stem gehoord in alles dat gij mij gezegd hebt, verlangende u genoegen te geven, zo het mogelijk is, en u gerust te doen zijn, zij het ook ten koste van mij en mijn geslacht, wilt gijlieden nu naar mij horen en mijn raad aannemen?"
De verandering was nu voltooid, Ziet, daar trekt de koning voor uw aangezicht heen, vers 2, hij verschijnt in het openbaar, bereid om u in openbare zaken te dienen. Nu gij u in uw burgerlijke regering als andere volken gemaakt hebt, en de Goddelijke administratie daarin verworpen hebt, hoedt u thans er voor om u ook in de Godsdienst aan andere volken gelijk te maken en de aanbidding Gods te verwerpen.
II. Hij doet een plechtig beroep op hun getuigenis betreffende zijn oprechtheid in de administratie van zijn bestuur, vers 3. Betuigt tegen mij, wiens os ik genomen heb. Hiermede bedoelde hij 1. Hen te overtuigen van het leed, dat zij hem aangedaan hebben door hem op zijde te zetten, toen zij hem niets verkeerds konden ten laste leggen. Zijn regering had geen ander gebrek dan dat zij te goedkoop was, te gemakkelijk, te zacht. Ook van het kwaad, dat zij zichzelf gedaan hebben, door een man te verwijderen, die zelfs geen os of ezel van hen genomen heeft, om zich onder de macht te stellen van een man, die hun hun akkers en wijngaarden zal ontnemen, ja zelfs hun zonen en dochteren, Hoofdstuk 8:11 , zo ongelijk zal des konings wijze van doen zijn aan zijn wijze van doen.
2. Om zijn eigen goede naam te bewaren. Zij, die van Samuëls verwerping hoorden, zouden allicht denken dat hij iets kwaads gedaan heeft, want anders zou hij toch niet zo slecht behandeld zijn, zodat het nodig was om dit getuigenis van hen te eisen, en het in de geschiedenis vermeld te laten, dat het niet om een ongerechtigheid van hem was, dat hij terzijde werd geschoven, maar om de gril van een lichtzinnig, wispelturig volk te bevredigen hetwelk toch erkende, dat zij door geen beter man geregeerd konden worden, maar slechts een groter man begeerden, dat is: een man die groter vertoning maakte.
Het is een dure plicht, die iedereen, maar inzonderheid personen die een openbaar ambt bekleden, aan zijn goeden naam verschuldigd is, en welke hierin bestaat, dat men zich beschermt tegen onrechtvaardige verdenking en tegen laster, opdat wij onze loop met eer, zowel als met blijdschap voleindigen.
3. Gelijk hij hiermede bedoelde een goeden naam achter te laten, zo bedoelde hij ook hiermede aan zijn opvolger een goed voorbeeld te geven, laat hem naar dit voorbeeld schrijven, en hij zal een goed schrift schrijven.
4. Samuël bedoelde aan het einde van zijn rede het volk te bestraffen, en daarom begint hij met een rechtvaardiging van zichzelf, want hij, die met gerustheid een ander van zijn zonde wil spreken, moet wèl toezien dat hijzelf rein is. Merk nu op:
A. Wat het is, waarvan Samuël zich zuiverde.
a. Hij had nooit, onder generlei voorwendsel, genomen wat het zijne niet was, os noch ezel had nooit hun vee aangeslagen voor tribuut boeten of verbeurdverklaringen, noch hun diensten gebruikt zonder er voor te betalen.
b. Hij had nooit hen bedrogen met wie hij handelde, noch degenen verdrukt, die in zijn macht waren.
c. Hij had nooit steekpenningen aangenomen, noch het recht gebogen, was noodt vooringenomen door gunst of genegenheid in zijn rechtspraak, zodat hij nooit tegen zijn geweten een oordeel heeft uitgesproken.
B. Hoe hij zich hiervoor beroept op henzelf, die hem terzijde stelden. Ziet, hier ben ik, betuigt tegen mij, indien gij mij jets ten laste kunt leggen, doet het thans voor het aangezicht des Heeren en des konings, de bevoegde rechters. Hij legt eer op Saul, door zich aan hem verantwoordelijk te erkennen, indien hij zich aan onrecht schuldig had gemaakt. III. Op dit beroep wordt hij eervol vrijgesproken. Hij heeft niet verwacht dat zij hem bij het scheiden eer zouden aandoen, hoewel hij dit zeker verdiend heeft, en daarom maakt hij geen melding van de goede diensten, die hij hun bewezen had, waarvoor zij hem hadden behoren te danken in de naam van het volk, wier vertegenwoordigers zij waren, al wat hij verlangde was, dat zij hem recht zouden doen, en dat deden zij, vers 4, geredelijker kennende,
1. Dat hij zijn regering niet drukkend heeft gemaakt, noch zijn macht gebruikt had om hun onrecht te doen.
2. Dat hij haar niet duur voor hen gemaakt heeft, gij hebt van niemands hand iets genomen om uw waardigheid op te houden, evenals Nehemia heeft hij "het brood des landvoogds niet gezocht", Nehemia 5:18, is hij niet slechts rechtvaardig, maar edelmoedig geweest, had hij "niemands zilver, of goud, of kleding begeerd", Handelingen 20:33.
IV. Dit eervol getuigenis van Samuëls oprechtheid is in de geschiedenis vermeld tot zijn eer, vers 5. De HEERE zij een getuige, die het hart doorgrondt, en Zijn gezalfde zij getuige, die open daden onderzoekt en oordeelt, en het volk stemt er mee in: Hij zij getuige. Het getuigenis van onze naburen, en inzonderheid het getuigenis van ons eigen geweten, dat wij in onze plaats en roeping eerlijk en oprecht geleefd hebben, zal ons ter vertroosting zijn onder de minachting, die ons wordt aangedaan. Demetrius is een gelukkig man, daar "hij getuigenis heeft van allen en van de waarheid zelf", 3 Johannes : 12.