1 Samuël 19:1-7
Saul en Jonathan komen hier uit in hun verschillend karakter met betrekking tot David.
I. Nooit was een vijand zo onredelijk wreed als Saul. Derhalve sprak Saul tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. vers 1
1. Zijn plannen om hem uit de weg te ruimen waren mislukt, en daarom verklaart hij hem buiten de wet, vogelvrij, en beveelt allen om hem heen op hun trouw, om de eerste gelegenheid waar te nemen om David te doden. Het is vreemd dat hij zich niet schaamde om voor zijn boosaardigheid uit te komen, en dat hij, wetende dat al zijn knechten David liefhadden (want dat had hijzelf gezegd, Hoofdstuk 18:2 niet bevreesd was hen door dit bloeddorstig bevel tot opstand te brengen.
De boosaardigheid was toen wellicht nog niet zo listig en het recht nog niet zo verdorven als het later geworden is, want anders zou Saul hem door valse getuigen van hoogverraad hebben laten beschuldigen, en hem onder schijn van recht uit de weg hebben geruimd, zoals dit met Naboth geschied is, maar een onverholen boosaardigheid, zoals deze, is minder gevaarlijk.
Het was vreemd dat hij, die wist hoezeer Jonathan David beminde, kon verwachten dat deze hem zou doden, maar hij dacht dat hij, omdat hij erfgenaam was van de kroon, even afgunstig op David moest zijn als hijzelf was. En Gods voorzienigheid heeft dit zo geleid opdat hij voor Davids veiligheid zou zorgen.
II. Nooit was een vriend zo verwonderlijk vriendelijk als Jonathan geweest is. In de nood leert men de vriend kennen, zo'n vriend was Jonathan voor David. Hij bleef niet slechts groot welgevallen aan David hebben, hoewel Davids roem de zijnen verduisterde, maar is kloekmoedig voor hem in de bres gaan staan nu de stroom zich zo sterk tegen hem keerde.
1. Hij droeg zorg voor zijn ogenblikkelijke veiligheid door hem met zijn gevaar bekend te maken, vers 2. "Neem u in acht, en blijf het kwaad uit de weg. Jonathan wist niet of niet sommigen van de knechten Sauls zo gedienstig zouden zijn voor de koning of zo afgunstig van David, om het bevel ten uitvoer te brengen indien zij David zouden ontmoeten.
2. Hij droeg zorg om zijn vader te bevredigen, en hem met David te verzoenen. De volgenden morgen waagde hij het om over David met hem te spreken, vers 3, niet die avond, hetzij omdat hij zag dat Saul dronken was, en hij dus niet in een toestand was dat men met hem kon spreken, of omdat hij hoopte dat hij, na er een nacht over geslapen te hebben, zelf de order zou herroepen, of omdat hij misschien vóór de volgenden morgen geen gelegenheid zou hebben om met hem te spreken. Zijn voorspraak voor David was:
A. Zeer voorzichtig. Er was grote zachtmoedigheid en wijsheid in, en hij toonde zich getrouw aan zijn vriend door goed van hem te spreken, hoewel hij gevaar liep van zich zijns vaders ongenoegen er mee op de hals te halen. Een zeldzaam voorbeeld van kostelijke vriendschap! Hij pleit
a. Op de goede diensten door David aan het land bewezen, en inzonderheid aan Saul zelf. Zijn daden zijn voor u zeer goed, vers 4. Getuige de verlichting, die hij hem had gegeven tegen zijn ziekte door zijn harp, en zijn stoutmoedig gevecht met Goliath, het gedenkwaardige wapenfeit, waardoor in werkelijkheid Sauls leven en zijn koninkrijk gered werden.
Hij beroept zich hieromtrent op hemzelf, gij hebt het gezien, en zijt verblijd geweest.
Hierin, en bij nog andere gelegenheden, blijkt het dat David een gunstgenoot des hemels was en een vriend voor Israël, zowel als een goed en trouw dienaar van Saul, want door hem heeft de Heere een groot heil aan geheel Israël gedaan, zodat het bevel om hem te doden niet alleen lage ondankbaarheid was jegens zo goed en getrouw een dienaar, maar een grote belediging aan God, en een groot nadeel voor het publiek.
b. Hij pleit op zijn onschuld. Had hij vroeger ook goede diensten bewezen, maar zich thans aan enigerlei misdaad schuldig gemaakt dan zou het een andere zaak zijn, maar omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, vers 4, zijn bloed is onschuldig, vers 5, en zo hij gedood wordt dan is het zonder oorzaak. En Jonathan had reden om er tegen te protesteren, omdat hij niets verderfelijkers over zijn geslacht kon brengen dan de schuld van onschuldig vergoten bloed.
B. Zijn voorspraak aldus voorzichtig zijnde heeft hij overmocht. God neigde het hart van Saul om naar Jonathans stem te horen. Wij moeten bereid wezen om naar rede te luisteren en bestraffing en goeden raad ook van onze minderen willen aannemen, ouders van hun eigen kinderen. Hoeveel kracht is er in ware woorden! Saul was voor het ogenblik in zoverre overtuigd van het onredelijke van zijn vijandschap tegen David, dat:
a. Hij zijn bloeddorstig bevel om hem ter dood te brengen herriep, vers 6. Zo waarachtig als de HEERE leeft, hij zal niet gedood worden.
Of Saul hier al of niet met behoorlijke plechtigheid heeft gezworen, blijkt niet, misschien heeft hij het gedaan, en de zaak was van zoveel gewicht dat zij het verdiende, en van zo'n onzekerheid, dat zij het nodig had, maar op andere tijden heeft Saul roekeloos en op onheilige wijze gezworen, waardoor de oprechtheid van zijn eed met recht betwijfeld kon worden, want het is te vrezen, dat zij, die kunnen schertsen met een eed, zodat zij er een stopwoord van maken en hem om de minste beuzeling breken niet zo'n besef hebben van het verplichtende er van, als zij moesten hebben. Sommigen denken dat Saul dit gezworen heeft met de boze bedoeling van David weer onder zijn bereik te brengen, voornemens zijnde hem bij de eerste gelegenheid te doden, maar, slecht als Saul was, kunnen wij toch nauwelijks z60 slecht van hem denken, en daarom onderstellen wij dat hij toen sprak zoals hij dacht maar weldra verzwakten deze gevoelens, en had zijn bederf de overhand.
b. Hij vernieuwde zijn aanstelling aan het hof. Jonathan bracht hem tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren, vers 7, hopende dat de storm nu voorbij was, en dat zijn vriend Jonathan het middel zou wezen om zijn vader altijd in deze goede gezindheid te houden.