12. Zo is, zoals ik boven (
Hoofdstuk 3:7) het onderscheid tussen de kinderen van God en de kinderen van de duivel heb uiteengezet, wat het Joodse volk betreft, het onderscheid tussen hen, die in Christus gelovig geworden zijn en hen, die in Hem niet wilden geloven. dit: Die de Zoon heeft, die heeft het leven, dat zich eens tot eeuwigeheerlijkheid ontwikkelt (
Hoofdstuk 2:24 v.); die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet, de toorn van God blijft op hem en hij zal sterven in zijn zonden (
Johannes 3:18,
36;
8:24).
Voor deze vrij moeilijke plaats (Vers 6-12) is het bij de wetenschappelijke uitleggers bijna vaste gewoonte geworden om aan te nemen, dat Johannes hier tegen het docetisme van Cerinthus 1Jo 4:3 polemiseert. Welke scheve en vreemde woordverklaring bij zo'n voorstelling voor de dag komt, is reeds door anderen zo duidelijk aangewezen, dat wij die gehele opvatting wel dadelijk terzijde kunnen laten. Ook in elke andere vorm blijkt de mening verkeerd te zijn, alsof hier bij het "water" in Vers 6, 8 gesproken werd van de van Christus ontvangen doop. Wij hebben alleen te denken aan de door Christus ingestelde doop, waardoor Hij het Nieuw-Testamentische verbondsvolk samen brengt en in de plaats van het Oud Testamentische Israël de Christelijke kerk plaatst als het tegenwoordig huis van God (1 Petrus 2:9; 4:17). Wij moeten nu echter niet menen, zoals velen hebben gedaan, dat naast het "water" als doopsacrament het "bloed" het andere sacrament zou moeten betekenen, want het heilig avondmaal wordt wel in 1 Corinthiërs 11:29 lichaam van de Heere genoemd, maar daaruit volgt niet, dat het even goed ook kort van het "Heeren bloed" zou kunnen heten. In zijn eerste uitlegging spreekt Luther zich daarover op de volgende wijze uit: "De meeste uitleggers zien op de twee sacramenten, omdat bij het openen van de zijde van Christus daaruit water en bloed zijn gevloeid (Johannes 19:34). Mij mishaagt wel deze verklaring niet, maar ik versta het bepaald van de doop, want Johannes vat samen wat wij aan het rijk van Christus hebben en prijst de kracht van onze dierbare doop en van het lijden of bloed van Christus; hij vat alles samen als in een bundeltje en maakt een drietal uit die getuigenis, dat tevens alle drie samen en met elkaar aan ons geloof getuigenis geven en het bevestigen: "water, bloed en geest. " Intussen moeten wij ons nog verder verwijderen van de uitleggers, zelfs van die, met wie wij tot hiertoe dezelfde weg konden gaan. Zij geloven namelijk, dat Johannes hier de getuigen, waarvan hij spreekt, daartoe aanvoert, dat Jezus, zoals aan het einde van Vers 15 wordt gezegd, Gods Zoon is. Wij menen, dat de juiste vertaling van het einde van Vers 6 moet zijn: "want de Geest is de waarheid (het Griekse woord oti toch heeft evenzeer die betekenis). Het voorname punt toch, dat Johannes in Vers 8 wil zeggen, ligt niet achterwaarts, maar voorwaarts in hetgeen hem in Vers 9-12 vervult. En het is het ongeloof van het uitverkoren volk van Israël, dat hij om dit door de oversten over hen gebracht ongeloof, hen noemt met de minder schoon klinkende naam van Joden en hen als een vreemd lichaam behandelt, hoewel hij zelf van nature een Jood was Joh 1:19. Op dit ongelovige volk van de Joden doelde hij zonder twijfel reeds, toen hij in Vers 4 schreef: "dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof"; want daarom was nu werkelijk reeds de wereld naar het een gedeelte van haar toenmalig bestaan (Romeinen 3:29) overwonnen, daar, al was ook Jeruzalem met zijn tempel nog niet verwoest en het volk nog niet uit zijn land verdreven, toch Christus' woord in Mattheus 21:43 reeds vervuld was en het Jodendom voor het Christendom had moeten wijken. Herinneren wij ons, hoe het in het jaar 67 na Christus, in welk jaar volgens onze mening Johannes zijn brief schreef, in het Joodse land stond, hoe toen de oorlog met de Romeinen, om hun juk te verbreken en hun macht te overwinnen reeds woedde en de Joden door alle neerlagen, die zij leden, slechts des te fanatieker voor hun geloof ontbrandden en meenden, dat de overwinning toch ten slotte aan de zijde van Gods volk moest zijn, dan is het, alsof Johannes op die dwaze waan met zijn vraag zinspeelt: "wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? " Niet de Joden, zo makkelijk daarin opgesloten, zullen Rome en zijn heerschappij breken, maar zelf erdoor gebroken worden. Wel is het Christelijk geloof reeds begonnen Rome en zijn afgodstempels te overwinnen en hoewel de Christelijke gemeente voor een tijd door dit Rome en zijn keizer tot de dood vervolgd wordt, zal toch aan haar ten slotte de overwinning zijn. Van dit standpunt van beschouwing, als de apostel voornamelijk het ongelovige Israël op het oog heeft, doet zich het gezegde in Vers 6-8 voor als een theodicée of verdediging van God tegenover het Joodse ongeloof. Van Zijn zijde heeft hij niets verzuimd, om Jezus Christus, die de Joden als een valsen Messias of Heiland hebben bestempeld, opdat zij Hem met een schijn van recht zouden kunnen verwerpen, maar toch alleen daarom Hem niet wilden hebben, omdat Hij geen Helper en Zaligmaker naar hun smaak was, voor dit volk te legitimeren als Gods Zoon en als de ware Christus van de Heere. Hij wilde Hem doen kennen als degene, die in alle stukken datgene had gedaan en aangebracht, wat van de toekomende Verlosser in de wet en de profeten was voorspeld, en die ook werkelijk en volkomen, zoals wij Christenen onszelf daarvan een bewijs zijn, zalig heeft gemaakt allen, die zich in het geloof tot Zijn weg ter behoudenis hebben gewend. Omgekeerd komt het in Vers 9-12 gezegde voor als de erkentenis van het veroordelend gericht, waarmee de Joden om zo te zeggen uit het proces met God zijn gekomen. Terwijl men toch de getuigenis van de mensen laat gelden, als het met de eisen van de wet overeenkomt, hebben zij Gods getuigenis, die oneindig groter is, niet aangenomen hebben, terwijl zij dat niet lieten gelden, God tot een leugenaar gemaakt, hebben echter ook tot straf daarvoor zichzelf van het leven beroofd, dat in de Zoon van God hun was aangeboden; en wat het gevolg daarvan zal zijn, dat zal die dag ten volle aan het licht brengen, die reeds is aangevangen (Hoofdstuk 2:18). Wij vinden dus hier een dergelijke beschouwing van de apostel, als wij in het Evangelie van Johannes (Hoofdstuk 12:37) lezen op dat tijdstip, dat de Heere Zich nu het voltooien van Zijn openbare werkzaamheid voor de Joden verborg. Johannes weet uit hetgeen hem in het gezicht, volgens het zesde Hoofdstuk van de Openbaring p Patmos door hem ontvangen, afgebeeld was, dat nu in het heilige land die tijd was begonnen, dat Jezus Zich geheel en al voor de lange tijd van de verwerping van het Joodse volk verborgen had en de heerlijkheid van de Joodse tempel was geweken (Hooglied 5:6. Ezechiel 11:22,. Zou hij dan in zijn brief, als deze, zoals wij hebben aangenomen, op zo'n tijd van Patmos door hem geschreven is, datgene, wat zijn hart bij de gedachte daaraan bewoog, niet hebben uitgedrukt? Het is toch, zoals wij in zijn Evangelie zien, zijn manier, om niet alleen vertellend, lerend, vermanend, maar op geschikte plaatsen ook reflecterend of beschouwend te schrijven en juist in zijn reflecties of beschouwingen ligt de voornaamste kracht van Zijn leren en vermanen. Heeft hij nu hier juist te doen met Christelijke gemeenten uit de heidenen, terwijl op de eerste blik het kon schijnen, dat hij volstrekt geen aanleiding had in een zendbrief aan hen zich uit te laten over Israëls hardnekkige verstokking en latere verwerping, zo zien wij toch uit Paulus brief aan de Romeinen (Hoofdstuk 9-11), dat de apostelen de zaak anders beschouwden, dat zij integendeel nodig achtten aan de Christelijke kerk uit de heidenen de waarschuwing te geven (Romeinen 11:22): "Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, als u in de goedertierenheid blijft, anderszins zult u afgehouwen worden. " Als in Vers 6 wordt gezegd: "deze is het, die gekomen is door water en bloed enz. ", dan verplaatst Johannes zich daarmee in de tijd, dat hij voor 3-4 tientallen van jaren in gemeenschap met Petrus en de overige apostelen te Jeruzalem de kerk van Christus stichtte. Evenals de Doper, van wie de Heere zegt: "onder allen, die uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter" met water was gekomen, zo kwam ook hij zelf eerst met water, als zij, die tot zijn gemeente overgingen, door de doop in zijn naam zo'n overgang moesten bewerken. Zijn adoptie van de Johannesdoop was zijn feitelijk erkennen van de heilsweg van het Oude Testament, die in de Doper zijn toppunt had bereikt. Kennis van zonde, behoefte aan vergeving en verlangen naar vernieuwing van het hart, waartoe het oude verbond had moeten brengen, maakte hij daardoor als het ware tot het postament of onderstel van het door hen opgerichte nieuwe verbond. Maar niet met water alleen kwam hij, maar met water en bloed; zijn doop was niet, zoals Luther het uitdrukt, louter water, maar bloedig water en dat nu is, zoals hij verder zegt, de juiste zeep, die niet alleen de onreinheid van de huid van het lichaam afwast, maar doordringt en de inwendige onreinheid naar buiten dringt, zodat het hart voor God rein wordt. Uit dit zo nadrukkelijk verklaren van de apostel "niet door water alleen, maar door het water en het bloed", mogen wij met recht besluiten, dat bij de Nieuw-Testamentische Christelijke doop het Johanneïsche onderdompelen in het water niet van zo'n gewicht is, als bijvoorbeeld de Baptisten menen. Integendeel zal een blote besprenging, die aan de besprenging met bloed (Hebreeën 9:13 v. 1 Petrus 1:2 herinnert en deze als het eigenlijk hoofddeel in het sacrament op de voorgrond plaatst, nog zekerder en wel reeds vroegtijdig in bepaalde gevallen, dat geen of slechts weinig water aanwezig was ("Ac 16:34, of als de doop aan vrouwelijke personen of kleine kinderen werd bediend, ook in de apostolische kerk hebben plaats gehad. Het profetische woord van het Oude Testament, als het op de Nieuw-Testamentische doop wijst, spreekt ook alleen van een besprenging (Jeremia 52:15 Ezechiel 36:25), maar nergens van een onderdompelen in het water. Evenals nu Petrus in zijn Pinksterrede de Joden, die zien, in wie zij gestoken hebben en in hun zielsangst vragen "mannen, broeders! wat moeten wij doen? " antwoordt: "bekeer u en een ieder van u wordt gedoopt in de naam van Jezus Christus", niet alleen daarvoor de vergeving van de zonde belooft, maar ook de belofte er bijvoegt: "u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen" (Handelingen 2:37), zo voegt hier ook Johannes bij het bijkomen van de gaven van het Heilige Geest tot de doop van Christus. De zin, die geheel parallel aan de vorige: "deze is het, die gekomen is" ingericht is; en "de Geest is het, die getuigt", verheft het boven allen twijfel, dat de Heilige Geest hiermee moet worden voorgesteld als een bijzondere, van Christus onderscheiden persoon. Als vervolgens van Hem wordt gezegd: "die getuigt, dat de Geest de waarheid is", dan hebben wij reeds boven bij de verklaring van Christus' woord "wat uit Geest geboren is, dat is Geest" erop gewezen wat nu hier onder "Geest" moet worden verstaan en eveneens geeft ons het woord van de apostel in Johannes 1:14, 17, waar hij de genade en waarheid prijst, die in Christus te vinden zijn, aanwijzing, wat wij ook op deze plaats onder waarheid moeten denken. De genade brengt Christus door middel van de doop in Zijn naam, die niet alleen met water, maar met water en bloed geschiedt en terwijl de Heilige Geest op de aldus gedoopte en in Gods genadeverbond opgenomene neerdaalt, maakt Hij hem tot een uit de Geest geborene, zodat zijn nieuwe leven nu geest is en dit nieuw geschapen geestelijk leven is "waarheid". Men is dan uit de waarheid, en wandelt in de waarheid, men is gesteld in het bezit van de volle zaligheid en de Heilige Geest geeft zo getuigenis aan onze geest, dat wij Gods kinderen zijn. Hij betuigt, dat niet slechts aan de gedoopte alleen, door hem een bewustzijn te schenken van zijn genadestaat, maar hij betuigt ook voor de wereld wat de gedoopten in Christus Jezus zijn geworden, namelijk nieuwe schepselen. Die getuigenis hebben de Joden in hun tijd vooral op bijzonder sterke en hartvertederende wijze voor zich gehad in de apostolische gemeente te Jeruzalem (vgl. Handelingen 2:47; 5:13 Maar zij, die er door hun wet uitdrukkelijk aan gewend waren een getuigenis van drie, als het overeenstemde, hoog te achten, omdat gewoonlijk reeds zo een van twee voldoende was, hebben de hier optredende goddelijke getuigen niet erkend. Het water was reeds in Johannes de Doper als getuige onder hen opgetreden en hier kwam de door God geroepen getuige voor de tweede maal weer met zijn aanmaning: "Bekeer u en geloof het Evangelie. " Het bloed trad voor hun ogen en klopte aan hun gewetens aan, toen de apostelen hen herinnerden aan Hem, die zij genomen hadden door de handen van de onrechtvaardigen en die zij aan het kruis genageld en gedood hadden (Handelingen 2:23; 3:13, ; 4:10; 5:30; 7:52 Het werd hun echter tevens aangeboden als het genademiddel tot afwassing van hun zonden, als zij zich in de naam van de Gekruisigde wilden laten dopen. De Geest trad als getuige voor hen op in de Christelijke gemeente, van die leden in die bozen, verdeelde tijd zich als één hart en een ziel aaneensloten, waarvan in allerlei tekenen en wonderen enkel zegeningen uitgingen over het gehele volk, waaraan in hun met de Geest begaafde mannen mond en wijsheid was verleend, die al hun tegenstanders niet konden weerstaan. Maar wat baatte het? Zij waagden het in de allerzwaarste zelfverblinding, die er ooit was geweest, God tot een leugenaar te maken, omdat zij Hem, voor wie Hij met drievoudige getuigenis getuigde en die Hij als de ware Heiland en Zaligmaker voorstelde, evenwel voor een volksverleider verklaarden, voor een godslasteraar en een met recht uit Israël uitgevoerde boosdoener, wiens naam te noemen reeds een vloek aanbracht, maar die te vervloeken (1 Corinthiërs 12:3) het kenmerk van een waren Israëliet was (1 Timotheus 1:13 Handelingen 26:11) en die men daarom in Zijn belijders voor altijd tot zwijgen moest brengen, als men voor God een dienst wilde doen (Johannes 16:2).
E. De apostel heeft uit hetgeen hij in de eerste kleinere helft van de vorige afdeling aan de lezers schreef, aanleiding genomen, om zich in de tweede, grotere helft over het gros van het Joodse volk uit te laten, dat zich op bijzonder zware wijze had schuldig gemaakt aan de loochening, dat Jezus de Christus, de Zoon van God was en dat nu, evenmin als de Zoon de Vader bezat, die het integendeel tot een leugenaar had gemaakt. Nu wendt hij zich, om zijn brief te besluiten, tot de lezers, om hun, die in de naam van de Zoon van God geloven, te doen voelen, hoe zij in zulk geloof het eeuwige leven hebben en als Gods kinderen, die zij daardoor zijn geworden, een vrije, open toegang hebben tot Hem en voor al hun gebeden het zeker vertrouwen tot verhoring (Vers 13-15). Johannes past nu wat hij over het bidden naar Gods wil gezegd heeft, toe op de voorbede voor anderen, die men ziet zondigen en om wier bekering te bidden de broederliefde zich gedrongen voelt. Hij merkt op, dat, waar de zonde van een ander een zonde ten dode is, men zich van de voorbede voor die moet onthouden, om niet in zijn verwachting van verhoring bedrogen te worden. Dit hoeft bij hen wel voor een deel dit als verborgen reden, dat hij voor zijn volk niet meer heeft geboden, maar alleen zijn oordeel erover heeft uitgesproken. Wat de lezers betreft ziet hij echter zonder twijfel op de antichristen, die van Christus zijn afgevallen en reddeloos verloren zijn en over wie men zich niet met de hoop moet vleien, alsof zij nog door bede en voorbede hen als een vuurbrand uit het vuur zou kunnen trekken (Vers 16, 17). Als hij nu bij deze uitdrukkingen nog heeft opgemerkt, dal sommige zonden, alhoewel altijd onrecht, toch niet ten dode waren, stelt hij verder voor, dat ook zulke zonden bij een Christen niet moesten voorkomen. Hij plaatst het onderscheid tussen Christendom en wereld in een helder licht en sluit met een dringende waarschuwing tegen afgoderij (Vers 18-21).