Handelingen 2:37-41
Wij hebben de grote, machtige uitwerking gezien van de uitstorting des Geestes in den invloed, die er door teweeggebracht werd op de predikers van het Evangelie. In zijn ganse leven heeft Petrus nooit met zulk ene volledigheid, klaarheid en kracht gesproken als nu. Thans zullen wij ene andere, gezegen de vrucht zien van de uitstorting des Geestes in den invloed, die dit had op de hoorders van het Evangelie. Van het eerste ogenblik af dat deze Goddelijke boodschap gebracht werd, is er ene Goddelijke kracht van uitgegaan, en zij was krachtig door God om wonderen te doen: duizenden werden er onmiddellijk tot de gehoorzaamheid des geloofs door gebracht, het was de scepter van Gods sterkte uit Zion gezonden Psalm 110:2, 3. Wij hebben hier de eerstelingen van den groten oogst van zielen, die er voor Jezus Christus door ingezameld werden. Kom, en zie in deze verzen den verhoogden Verlosser, rijdende in deze wagens des heils, overwinnende en opdat Hij overwonne, Openbaring 6:2. In deze verzen vinden wij het woord Gods als middel om een goed werk der genade in het hart van velen te beginnen en voort te zetten, de Geest des Heeren er door werkende. Laat ons de methode er van nagaan. l. Zij waren verschrikt, van zonde overtuigd en tot een ernstig onderzoek bewogen, vers 37.
Als zij dit hoorden, Petrus geduldig hadden aangehoord, en hem niet in de rede waren gevallen, zoals zij gewoon waren Christus in de rede te vallen. (Er was al veel gewonnen, nu zij hun aandacht schonken aan het woord), werden zij verslagen in het hart, en in grote bekommering en verlegenheid zijnde, richtten zij zich tot de predikers met de vraag: Wat zullen wij doen? Het was treffend, dat op zulke harde harten plotseling zulk een indruk werd teweeggebracht. Hier waren Joden, opgevoed in het denkbeeld, de vaste overtuiging van de genoegzaamheid van hun godsdienst om hen zalig te maken. Zij hadden kort geleden dezen Jezus in zwakheid en versmaadheid zien kruisigen, en door hun oversten was hun gezegd. dat Hij een bedrieger was. Petrus had hen beschuldigd van de hand- ene boze hand -gehad te hebben in Zijn dood, hetgeen hen in toorn tegen hem had kunnen ontsteken. En toch, na deze eenvoudige, Schriftuurlijke prediking gehoord te hebben, waren zij er ten diepste door getroffen.
1. Het veroorzaakte hun smart: Zij waren gestoken in het hart. Wij lezen van personen, wier harten berstten van toorn op den prediker, Hoofdstuk 7:54 :maar dezen hier waren gestoken in hun hart, hun hart was doorprikkeld van toorn op zich zelven wegens hun medeplichtigheid aan den dood van Christus. Petrus heeft, door hen hiervan te beschuldigen, hun geweten wakker geschud, hun diepen kommer veroorzaakt, en bij hun nadenken hierover ging hun een zwaard door het gebeente, het doorstak hen, zoals zij Christus hadden doorstoken. Als de ogen der zondaren geopend worden, dan kunnen zij niet anders dan gestoken zijn in hun hart vanwege de zonde, zij kunnen niet anders dan ene innerlijke onrust gevoelen. Dit is het gescheurd zijn van het hart, Joël 2:13, het verbroken en verslagen van hart zijn, Psalm 51:19. Zij, die waarlijk bedroefd zijn om hun zonden, er zich voor schamen, en bevreesd zijn voor de gevolgen er van, zijn verslagen of gestoken in hun hart. Een steek in het hart is dodelijk, en onder deze bewegingen, of beroeringen, (zegt Paulus) ben ik gestorven, Romeinen 7:9. Al mijn vertrouwen in mij zelven, mijn goede dunk van mij zelven, faalde.
2. Het bracht hen er toe om een onderzoek in te stellen. Uit den overvloed van het hart, dat aldus verslagen en doorstoken was, sprak hun mond. Merk op: A. Tot wie zij zich richtten: Tot Petrus en de andere apostelen, sommigen tot den een, en sommigen tot een ander, aan hen legden zij hun toestand bloot, door hen waren zij tot overtuiging van zonde gekomen, en daarom verwachtten zij van hen raad en vertroosting te erlangen. Van hen beroepen zij zich niet op de schriftgeleerden en Farizeeën om zich tegen de beschuldiging der apostelen te verdedigen, neen, zij wenden zich tot hen, daar zij erkennen, dat de beschuldiging juist is, en brengen de zaak tot hen. Mannen broeders noemen zij hen, zoals Petrus hen had genoemd, vers 29, het is ene benaming, door vriendschap en liefde ingegeven, veeleer dan een eretitel, "Gij zijt mannen, ziet op ons met menslievendheid, gij zijt broeders, beschouwt ons met broederlijke liefde". Evangeliedienaren zijn geestelijke artsen, zij behoren geraadpleegd te worden door hen, wier consciëntie gewond is, en het is goed voor de mensen om vrij en gemeenzaam te zijn met hun leraren, zoals mensen met hun broeders, die voor hun ziel zorgen als voor hun eigene ziel.
B. Wat zij tot hen zeggen: Wat zullen wij doen? Zij spreken als mensen, die in verlegenheid zijn, die niet weten wat te doen, zij zijn verrast en overvallen. "Is deze Jezus, dien wij gekruist hebben, beide Heere en Christus? Wat zal er dan worden van ons, die Hem gekruist hebben? Wij zijn verloren!" Er is geen ander middel om gelukkig te zijn, dan door ons rampzalig en verloren te zien. Als wij vinden, dat wij in gevaar zijn van voor eeuwig verloren te gaan, dan is er hoop, dat wij voor eeuwig behouden zullen worden, maar eerder ook niet. Zij spreken als mensen, die besloten zijn terstond te doen wat hun aangewezen zou worden te doen, zij willen geen tijd van beraad, zij willen niet uitstellen om te doen wat als gevolg uit hun overtuiging zal voortvloeien, tot een meer gelegenen tijd, zij verlangen, dat hun nu gezegd kan worden wat zij doen moeten om aan de ellende te ontkomen, waaraan zij zich blootgesteld hebben. Zij, die van zonde overtuigd zijn, wensen te weten wat de weg is tot vrede en vergeving, Hoofdstuk 9:6, 16:30.
II. Petrus en de andere apostelen zeggen hun in korte woorden wat zij doen moeten, en wat zij, dit doende, kunnen verwachten, vers 38, 39. Overtuigde zondaren moeten bemoedigd worden, en het gebrokene moet worden verbonden, Ezechiël 34:16. Er moet hun gezegd worden, dat hun toestand wel treurig, maar niet hopeloos is, er is hoop voor hen.
1. Hij toont hun hier hoe zij te handelen hebben.
a. Bekeert u, dat is een plank na de schipbreuk. "Laat de bewustheid van de schrikkelijke schuld, die gij door Christus ter dood te brengen over u gebracht hebt, u opwekken tot een berouwvol nadenken over al uwe zonden (zoals het opeisen van ene grote schuld al de andere schulden van een' armen bankroetier aan het licht brengt) en tot een bitter berouw er van, en smart er over". Dit was dezelfde plicht, dien Johannes de Doper en Christus gepredikt hadden, en thans, nu de Geest is uitgestort, wordt nog steeds op dien plicht aangedrongen, "bekeert u, bekeert u, verandert uwen zin, uw willen, verandert uwen weg, uwe wijze van leven, komt tot andere gedachten".
B. Een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus. Dat is: "Gelooft vastelijk de leer van Christus, en onderwerpt u aan Zijne genade en bestuur, doet ene openlijke en plechtige belijdenis hier van, en verbindt u om daarbij te blijven door u te onderwerpen aan de inzetting van den doop, weest proselieten van Christus en van Zijn heiligen Godsdienst, en verzaakt uw ongeloof". Zij moeten gedoopt worden in den naam van Jezus Christus. Zij geloofden in den Vader en in den Heiligen Geest, sprekende door de profeten, maar zij moeten ook geloven in den naam van Jezus, dat Hij is de Christus, de Messias, beloofd aan de vaderen. "Neemt Jezus aan als uwen Koning, en zweert Hem door den doop hulde en trouw, neemt Hem aan als uwen Profeet, en hoort Hem, neemt Hem aan als uwen Priester, om verzoening voor u te doen", hetgeen hier inzonderheid bedoeld schijnt te zijn, want zij moeten gedoopt worden in Zijn' naam tot vergeving van zonden om den wille van Zijne gerechtigheid.
C. Dit wordt een iegelijk persoonlijk op het hart gedrukt. Een iegelijk van u. "Zelfs diegenen onder u, die de grootste zondaars geweest zijn, zullen, indien zij zich bekeren en geloven, welkom wezen om gedoopt te worden, en zij, die denken de grootste heiligen geweest te zijn, hebben het evenzeer nodig zich te bekeren, te geloven en gedoopt te worden. Er is in Christus genade genoeg voor ieder uwer, hoe velen gij ook zijt, en genade, die voor ieder uwer voegt. Het Israël van ouds was gedoopt in Mozes in het leger, het gehele volk van Israël toen zij onder de wolk waren en door de zee doorgegaan zijn, 1 Corinthiërs 10:1-2, want het verbond was nationaal, maar nu moet een iegelijk van u, onderscheidenlijk gedoopt worden in den naam van Jezus, en voor zich zelven handelen in deze grote zaak". Zie Colossenzen 1:28.
2. Hij moedigt hen aan om aldus te handelen:
A. Het zal wezen tot vergeving der zonden. Bekeert u van uwe zonde, zo zal zij uw verderf niet wezen, wordt gedoopt in het geloof van Christus, en gij zult in waarheid gerechtvaardigd worden, hetgeen gij nooit door de wet van Mozes zoudt kunnen worden. Streeft hier naar, en betrouwt op Christus er voor, en gij zult het hebben. Gelijk de beker van des Heeren Avondmaal is het Nieuwe Testament in het bloed van Christus tot vergeving van zonden, zo is de doop in den naam van Christus tot vergeving van zonden. Wordt gewassen, en gij zult gewassen zijn".
B. "Gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen, zowel als wij, want zij is bestemd om een algemene zegen te zijn. Sommigen van u zullen deze uitwendige gaven ontvangen, en een iegelijk van u zal, indien gij oprecht zijt in uw geloof en uwe bekering, Zijne genade en vertroosting ontvangen, verzegeld worden met den Heiligen Geest der belofte". Allen, die vergeving van zonden ontvangen, ontvangen de gave des Heiligen Geestes. Allen, die gerechtvaardigd zijn, zijn geheiligd.
C. "Uwe kinderen zullen nog deel hebben, gelijk zij deel gehad hebben, in het verbond, en een recht op het uitwendig zegel er van. Komt tot Christus, om deze onschatbare weldaden te ontvangen, want de belofte van de vergeving der zonden, en de gave des Heiligen Geestes is voor u en uwe kinderen, vers 39. Het was zeer uitdrukkelijk: Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, Jesaja 44:3, en in Jesaja 59:21, Mijn Geest, die op u is, en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads. Toen God met Abraham een verbond aanging, zei Hij: Ik zal u zijn tot een God, en uw zaad na u, Genesis 17:7, en dienovereenkomstig heeft ieder Israëliet zijn zoon ten achtsten dage doen besnijden. Nu voegt het een' Israëliet, om, wanneer hij door den doop in ene nieuwe bedeling is gekomen van dat verbond, te vragen: "Wat moet er met mijne kinderen geschieden? Moeten zij buiten geworpen worden, of met mij in het verbond worden opgenomen?" "Voorzeker moeten zij er met u in opgenomen worden", zegt Petrus, "want de belofte, die grote belofte, dat God uw God zal zijn, is thans even zeer als ooit te voren, voor u en uwe kinderen".
D. "Hoewel de belofte zich nog, evenals vroeger uitstrekt tot uwe kinderen, is zij toch nu niet, zoals zij vroeger geweest is, tot u en hen beperkt, want de weldaad er van is bedoeld en bestemd voor allen, die daar verre zijn", wij kunnen er bijvoegen: en tot hun kinderen, want de zegen van Abraham komt tot de Heidenen in Christus Jezus, Galaten 3:14. De belofte heeft langen tijd behoord aan de Israëlieten, Romeinen 9:4, maar nu is zij gezonden aan hen, die verre zijn, de verst verwijderde stammen der Heidenen, en ook tot een iegelijk van hen, tot allen, die daar verre zijn. Tot dit algemene moet nu de volgende beperking gebracht worden: zo velen -zo vele bijzondere, of afzonderlijke personen van elke natie-als er de Heere, onze God, toe roepen zal, krachtdadiglijk zal roepen tot gemeenschap met Jezus Christus. God kan Zijne roeping doen reiken tot hen, die nog zo verre zijn, en niemand komt, dan die Hij geroepen heeft.
III. Deze aanwijzingen worden gevolgd door ene nodige waarschuwing, vers 40. Met veel meer andere woorden, van dezelfde strekking, betuigde hij Evangeliewaarheden, en vermaande hij hen tot Evangelieplichten. Nu het woord begon te werken, volgde hij het, hij had veel gezegd in weinige woorden, vers 38, 39, en hetgeen, naar men zou denken, alles bevatte, en toch had hij nog meer te zeggen. Als wij de woorden gehoord hebben, die ons goed hebben gedaan aan onze ziel, dan kunnen wij niet anders dan wensen nog meer te horen, nog zeer velen van zulke woorden te horen. Onder anderen zei hij (en hij scheen hun dit ingeprent te hebben): Wordt behouden van dit verkeerd geslacht. Weest los van hen. De ongelovige Joden waren een verkeerd geslacht, verdorven en hardnekkig. Zij wandelden in tegenheid met God en de mensen, 1 Thessalonicenzen 2:15, zij waren gehuwd aan de zonde en getekend tot verderf. Wat hen nu betreft:
1. "Benaarstigt u om u te behouden van hun verderf, opdat gij er niet mede in begrepen zijt en deze dingen moogt ontvlieden" (zoals de Christenen ze ook ontvloden zijn.) Bekeert u, en wordt gedoopt, en dan zult gij gene deelgenoten zijn met hen, met wie gij deelgenoten waart in zonde." Raap mijne ziel niet weg met de zondaren.
2. Te dien einde moet gij niet met hen blijven in hun zonde, volhardt niet met hen in hun ongeloof. Behoudt u, dat is: scheidt u van hen af, onderscheidt u van dit verkeerd geslacht. Weest gij niet weerspannig, gelijk dat weerspannig huis, hebt geen deel aan hun zonde, opdat gij niet deelt in hun plagen." Ons af te scheiden van goddeloze mensen is het enige middel, om ons van hen te behouden, al is het ook, dat wij ons hierdoor blootstellen aan hun woede en vijandschap, zullen wij ons in werkelijkheid toch van hen behouden, want, als wij bedenken waar zij zich heen spoeden, dan zullen wij zien, dat het beter is om de moeite te hebben van tegen hun' stroom in te zwemmen, dan in gevaar te zijn van met hun stroom afgevoerd te worden. Zij, die zich bekeren van hun zonden, en zich overgeven aan Jezus Christus, moeten hun oprechtheid doen blijken door den vertrouwelijken omgang met slechte mensen af te breken.
Wijkt van mij, gij boosdoeners, is de taal van iemand, die besloten is de geboden zijns Gods te bewaren, Psalm 119:115. Wij moeten ons van hen behouden, hetgeen te kennen geeft, dat wij hen met afkeer en heilige vreze moeten mijden, zoals wij ons van een vijand zouden behouden, die ons zoekt te verderven, of van een huis, dat door de pest is besmet.
IV. Hier is de gelukkige uitslag hiervan, vers 41. De Geest werkte met het woord, en heeft er wonderen door gewerkt. Velen van diezelfde personen, die ooggetuigen geweest waren van den dood van Christus en van de wonderen, die er bij plaats hadden, zonder er door getroffen te zijn, werden nu diep aangedaan door de prediking des woords, want deze is het, die ene kracht Gods is tot zaligheid. 1. Zij ontvingen het woord, en dan alleen doet het woord ons goed, als wij het wezenlijk ontvangen, het aannemen en welkom heten. Zij erkenden het overtuigende er van, en namen er de aanbiedingen van aan.
2. Zij hebben het gaarne aangenomen. Herodes heeft het woord gaarne gehoord, maar dezen hebben het gaarne aangenomen, zij waren niet slechts blijde dat zij het hadden om aan te nemen, maar blijde, dat zij door Gods genade bekwaam waren gemaakt om het aan te nemen, hoewel het een verootmoedigend, hart veranderend woord voor hen was, en hen bloot zal stellen aan de vijandschap hunner landslieden.
3. Zij werden gedoopt, gelovende met het hart, hebben zij belijdenis gedaan met den mond, en zich door de heilige plechtigheid, die Hij had ingesteld, geschaard onder Zijne discipelen. En hoewel Petrus had gezegd: "wordt gedoopt in den naam van den Heere Jezus" (omdat de leer van Christus de tegenwoordige waarheid was), hebben wij toch reden te geloven, dat bij hun doop geheel de formule, door Christus voorgeschreven, gebruikt was, en dat zij dus gedoopt werden in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes, zij, die het Christelijk verbond aannemen, behoren den Christelijken doop te ontvangen.
4. Hierdoor werden zij ten getale van omtrent drie duizend zielen op dien dag tot de discipelen toegedaan. Al degenen, die den Heiligen Geest hadden ontvangen, gebruikten hun tong om te prediken, en hun handen om te dopen, want het was een tijd om ijverig werkzaam te zijn, nu er zulk een oogst was in te zamelen. De bekering van deze drie duizend door deze woorden was een groter werk dan de spijziging van vier of vijf duizend met enkele broden. Nu begon Israël na den dood van Jozef te vermenigvuldigen. Zij worden gezegd drie duizend zielen te zijn (welk woord gemeenlijk gebruikt wordt voor personen, als vrouwen en kinderen zijn inbegrepen met de mannen, zoals Genesis 14:21. Geef mij de zielen, en Genesis 46:27, zeventig zielen, hetgeen aanduidt, dat zij, die hier gedoopt werden, niet zo vele mannen waren, maar hoofden van gezinnen, die met hun kinderen en dienstboden, drie duizend gedoopten uitmaakten. Dezen werden tot hen toegedaan. Zij, die aan Christus worden toegevoegd, worden toegedaan tot Zijne discipelen en met hen saamgevoegd. Als wij God aannemen tot onzen God, dan moeten wij Zijn volk aannemen als ons volk.