1 Johannes 5:6-9
Het geloof van den Christelijken gelovige (of gelovige in Christus) is dus machtig en overwinnend, het moet daarom wèl gegrond zijn en voorzien van ontwijfelbare en hemelse bewijzen betreffende de goddelijke zending, het gezag en de bediening van den Heere Jezus. En dat is het, Hij brengt Zijne geloofsbrieven mede, en Hij doet dat door de wijze waarop Hij kwam en in de getuigenissen, die Hem verzellen.
I. In den weg en de wijze waarin Hij kwam, niet slechts waarin Hij in de wereld kwam, maar door welke Hij kwam en verscheen en handelde als een Zaligmaker der wereld. Deze is het, die gekomen is door water en bloed. Hij kwam om ons zalig te maken van onze zonden, ons het eeuwige leven te geven en ons tot God te brengen. En opdat Hij dit des te zekerder doen zou, kwam Hij door -of met-water en bloed. Deze Jezus Christus, ik herhaal: Jezus Christus deed dat, en niemand behalve Hij. En: niet door het water alleen, maar door het water en het bloed, vers 6. Jezus Christus kwam met water en bloed, als de kentekenen en bewijzen, dat Hij de ware Zaligmaker der wereld is, en Hij kwam met water en bloed als de middelen, waardoor Hij ons zou genezen en zalig maken. Dat Hij zo moest komen en kwam in Zijn zaligende bediening wordt duidelijk, wanneer wij ons de volgende dingen herinneren.
1. Wij zijn inwendig en uitwendig bezoedeld.
A. Inwendig, door de kracht en de besmetting der zonde in onze natuur. Om daarvan gereinigd te worden hebben wij behoefte aan geestelijk water, dat de ziel en hare vermogens kan bereiken. En daarom is er in en door Jezus Christus het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes. Dit werd aan de apostelen te kennen gegeven door onzen Heere, toen Hij hun de voeten wies. Tenzij Ik u wasse, hebt gij geen deel aan Mij.
B. Wij zijn uitwendig bezoedeld, door de schuld en veroordelende macht van de zonde over onze personen. Daardoor zijn wij gescheiden van God, verbannen uit Zijn gunstrijke, genadige, heerlijke tegenwoordigheid, voor eeuwig. Daarvan moeten wij gereinigd worden door Zijn verzoenend bloed. Dit is de wet van de hemelse rechtbank: Zonder bloedstorting geen vergeving, Hebreeën 9:22. De Zaligmaker van zondaren moest derhalve komen met bloed.
2. Deze beide reinigingsmiddelen waren vertegenwoordigd in de oude ceremoniële instellingen van God. Mensen en dingen moeten daarbij gereinigd worden door water en bloed. Er waren verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen des vlezes, tot op den tijd der verbetering opgelegd, Hebreeën 9:10.
De as der jonge koe, met water gemengd, besprengende de onreinen, heiligde tot de reinigheid des vlezes, Hebreeën 9:3, Numeri 19:9.
En bijna alle dingen worden door bloed gereinigd naar de wet, Hebreeën 9:22. Gelijk deze beide middelen onze dubbele onreinheid aantonen, zo wijzen zij op des Zaligmakers tweevoudige reiniging.
3. Bij en na den dood van Jezus Christus, doorstak de speer van den krijgsknecht Zijne zijde, onmiddellijk stroomde uit de wond water en bloed. Dit heeft de geliefde apostel gezien en het blijkt dat het gezicht daarvan hem getroffen heeft, hij alleen deelt het mede, en hij acht zich verplicht het te vermelden, omdat daarin iets geheimzinnigs lag. En die het gezien heeft, die heeft het getuigd en zijne getuigenis is waarachtig. En hij weet, als ooggetuige, dat hij de waarheid spreekt, opdat gij geloven moogt, en dat gij in het bijzonder dit geloven moogt, dat er uit Zijn doorboorde zijde terstond bloed en water kwam, Johannes 19:34, 35. Nu dit water en dit bloed zijn de zinnebeelden van al hetgeen nodig en werkzaam is tot onze zaligmaking. Door het water worden onze zielen gewassen en gereinigd voor den hemel en het erfdeel der heiligen in het licht. Door het bloed wordt God verheerlijkt, Zijn wet geëerd, en Zijn wrekende eigenschappen tentoongesteld en ontplooid.
Dien God heeft voorgesteld (of voorgenomen, aangeboden) tot ene verzoening door het geloof in Zijn bloed, of ene verzoening in en door Zijn bloed door het geloof, tot ene betoning van Zijne rechtvaardigheid, opdat Hij rechtvaardig zij en rechtvaardigende degenen, die uit het geloof van Jezus is, Romeinen 3:25, 26. Door het bloed worden wij gerechtvaardigd, verzoend en rechtvaardig voor God gesteld. Door het bloed wordt aan den vloek der wet voldaan en wordt de reinigende Geest verkregen voor de inwendige zuivering van onze natuur. Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof, Galaten 3:13 v. v. Het water zowel als het bloed, stroomde uit de zijde van den geofferden Verlosser. Het water en het bloed bevatten dus alle dingen, die nodig kunnen zijn voor onze zaligmaking. Zij zullen tot dat doel wijden en heiligen al wat God zal aanwijzen of waarvan Hij gebruik zal maken tot dat grote doel. Christus heeft de gemeente liefgehad en zich zelven voor haar overgegeven opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het woord, opdat Hij haar zich zelven heerlijk zou voorstellen, ene gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, Efeze 5:25-27. Hij, die gekomen is door water en bloed, is een nauwgezette, volkomen Zaligmaker. En dat is Hij die komt door water en bloed, namelijk Jezus Christus. Hier zien wij in welken weg en op wat wijze, of: wilt ge liever, door welke middelen Hij komt. Maar ook lezen wij hier Zijn geloofsbrieven.
II. De getuige die Hem vergezelt, dat is de goddelijke Geest, de Geest aan wie de voltooiing van de werken Gods gewoonlijk wordt toegeschreven. En de Geest is het die getuigt , vers 6. Het was betamelijk dat de gezonden Zaligmaker een voortdurend afgezant zou hebben om Zijn werk te ondersteunen en van Hem in de wereld te getuigen. Het was betamelijk dat de goddelijke macht zou vergezellen Hem, Zijn Evangelie en Zijn dienaren, en aan de wereld zou bekendmaken met welke boodschap zij kwamen, met welk gezag zij uitgezonden waren. En dat wordt gedaan in en door den Geest van God, overeenkomstig de voorzegging van onzen Zaligmaker zelven. Hij zal Mij verheerlijken, ook wanneer Ik door de mensen verworpen en gekruisigd zal worden, want Hij zal het uit het mijne nemen (of ontvangen). Hij zal niet mijn onmiddellijke bediening ontvangen, Hij zal niet sterven en opstaan voor u, maar Hij zal van het mijne ontvangen, Hij zal voortbouwen op het fondament, dat Ik gelegd heb, Hij zal nemen uit mijn instellingen, en waarheid en zaak, en Hij zal het u verkondigen, en door u aan de wereld, Johannes 16:14. En daar voegt de apostel de aanbeveling van de geloofwaardigheid van dezen getuige bij: Omdat de Geest waarheid is, vers 6. Hij is de Geest van God en kan niet liegen. Een handschrift biedt ons een zeer aannemelijke lezing aan, daar staat: omdat, of dat Christus waarheid is. En dan zou dit slaan op den inhoud van de getuigenis des Geestes, hetgeen Hij getuigt, en dat is de waarheid van Christus. En de Geest getuigt, dat Christus de waarheid is, en bijgevolg dat het Christendom, de Christelijke godsdienst, de waarheid van deze dagen, de waarheid Gods, is. Maar het is niet betamelijk dat een of twee handschriften den tekst veranderen, en daarbij is onze tegenwoordige lezing zeer aannemelijk, derhalve behouden wij die. De Geest is de waarheid. Hij is inderdaad de Geest der waarheid, Johannes 14:17. En dat de Geest de waarheid is en een getuige aller aanneming waardig, wordt daardoor getoond dat Hij een hemels getuige is, of een van de getuigen, die in en van den hemel getuigen geven betreffende de waarachtigheid en het gezag van Christus.
Want (of omdat) drie zijn er, die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord. en de Heilige Geest, en deze drie zijn een. Daardoor doet vers 7 zich voor als bewijs voor de echtheid van het getuigenis des Geestes, Hij moet noodzakelijk waar, ja de waarheid zelf zijn, want Hij is niet slechts een getuige in den hemel, maar zelfs een (niet enkel in getuigenis, dat kan een engel ook zijn, maar in bestaan en wezen) met den Vader en het Woord.
1. Hier worden wij echter in den geregelden gang der bespreking gestuit door den strijd, die bestaat over de echtheid van vers 7. Bewezen is dat verscheidene oude Griekse handschriften het niet bevatten. Wij behoeven hier niet op het geschil zelf in te gaan. Het schijnt dat de onderzoekers het niet samen eens zijn welke handschriften het hebben en welke niet, ook lichten zij ons niet voldoende in omtrent de echtheid en de waarde van de handschriften, die zij bedoelen. Sommigen zijn zo gebrekkig, gelijk ik een oud gedrukt Grieks Testament bezit, zo vol errata, dat men zich niet voorstellen kan, dat iemand op gezag daarvan een veranderde lezing zou willen voorstellen. Maar de oordeelkundige onderzoekers van handschriften mogen deze zaak verder behandelen. Er zijn sommige redelijke gronden, die onzen tekst en de tegenwoordige lezing schijnen te steunen. En wel:
A. Indien wij vers 8 in plaats van vers 7 stellen, doet dat zich voor als een onnodige herhaling van hetgeen in vers 6 gezegd is.
Deze is het. die gekomen is door water en bloed, Jezus de Christus, niet door het water alleen, maar door het water en het bloed, en het is de Geest die getuigt. Want drie zijn er, die getuigen, de Geest en het water en het bloed. Dit geeft niet zulk een verheven voorstelling van deze drie getuigen als onze tegenwoordige lezing doet.
B. Het verdient opmerking, dat vele handschriften deze zinsnede lezen op de aarde. Drie zijn er, die getuigen op de aarde. Dit is duidelijk in tegenstelling met sommige getuigen of getuigenissen elders, en daarom wordt ons door de bestrijders van den tekst gezegd, dat deze woorden moeten verondersteld worden te ontbreken in de meeste boeken, die vers 7 missen. Maar om dezelfde reden zou dat dan in die alle het geval moeten zijn. Nemen wij vers 6. Deze is het, die gekomen is door water en bloed. En de Geest is het, die getuigt omdat de Geest de waarheid is. Hier zou nu niet natuurlijk en eigenaardig bijgevoegd worden: Want drie zijn er, die getuigen op de aarde, tenzij wij moeten onderstellen dat de apostel ons wil zeggen, dat alle getuigen op de aarde zijn, terwijl hij ons wil verzekeren dat een daarvan onfeilbaar waar of de waarheid zelf is.
C. Ook heeft het de aandacht getrokken, dat er verschil van lezing is zelfs in den Grieksen tekst, bijvoorbeeld in vers 7. Sommige handschriften lezen hen eisi, zijn een, andere (ten minste de Complutens) eis to hen eisi, zijn tot een, of stemmen overeen. En in vers 8 (in dat deel dat wordt ondersteld tussengevoegd te zijn), in plaats van het gewone en têi gêi, in aarde, leest de Complutens epi tês gês, op de aarde. Dit schijnt aan te duiden, dat deze uitgave berustte op een of ander Grieks gezag, en niet bloot, zoals enigen ons willen doen geloven, op het gezag van het gewone Latijn of van Thomas Aquinas, ofschoon zijn getuigenis hierbij gevoegd mag worden. D. Vers 7 komt zeer wel overeen met den stijl en de godgeleerdheid van den apostel, te weten:
a. Hij gebruikt gaarne den naam de Vader, wanneer hij daarmee alleen God aanduidt, of een goddelijk persoon onderscheiden van den Zoon. Ik en de Vader zijn een. Nochtans ben Ik niet alleen, maar de Vader is met Mij. Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster zenden. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde van den Vader is niet in hem. Genade zij u en vrede van God den Vader, en van den Heere Jezus Christus, den Zoon van den Vader, 2 Johannes 3.
b. Men weet dat de naam het Woord bijna (misschien geheel) uitsluitend door dezen apostel gebruikt wordt. Indien de tekst door een ander herzien was, zou het gemakkelijker en aannemelijker geweest zijn, uit de doopformule en de gewone spreekwijze der kerk, den naam Zoon in plaats van den naam het Woord te gebruiken. Men heeft aangemerkt dat Tertullianus en Cyprianus dien naam gebruiken, zelfs wanneer zij dit vers aanhalen. Ook is dat gebruikt als tegenwerping tegen de bewering, dat zij op dit vers doelen, omdat zij spreken van den Zoon, en niet van het Woord. Toch schijnt de uitdrukking van Cyprianus zeer duidelijk te zijn door de aanhaling van Facundus zelven: Quod Johannis apostoli testimonium beatus Cyprianus, Carthaginensis antistes et martyr, in epistolâ sine libro, quem de Trinitate scripsit, de Patre, Filio, et Spiritu sancto dictum intelligit, ait enim, Dicit Dominus, Ego et Pater unum sumus, et iterum de Patre, Filio, et Spiritu sancto scriptum est. Et hi tres unum sunt. De gezegende Cyprianus, bisschop en martelaar te Carthago, beschouwde in de verhandeling of het boek, dat hij over de Drie-eenheid schreef, het getuigenis van den apostel Johannes als betrekking hebbende op den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, want hij zegt: de Heere zei: Ik en de Vader zijn een, en verder: Van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest staat geschreven: En deze drie zijn een. Nu staat er nergens geschreven dat deze drie een zijn, behalve in dit vers 7. Het is daarom waarschijnlijk dat hij, op zijn geheugen afgaande, of meer de dingen zelven dan de woorden bedoelende, meer op de personen dan op de namen lettende, of de personen liever noemende bij de namen, die in de gemeente zowel in gewone als in twistgesprekken, gebruikelijk waren, den tweeden persoon eer met den naam Zoon dan met den naam het Woord aanduidde. Zo iemand zich inbeelden kan dat Facundus aan Cyprianus de bedoeling toeschreef om te zeggen dat de Geest, het water en het bloed eigenlijk den Vader, het Woord en den Geest betekenden, waarvan Johannes dan zou zeggen dat zij een zijn, dan laten wij hem dat genoegen. Want: Ten eerste, moet hij dan onderstellen, dat Cyprianus niet alleen al de namen veranderde, maar de volgorde van den apostel bovendien. Want het bloed (de Zoon) door Cyprianus de tweede genoemd, vermeldt de apostel het laatst.
Ten tweede. Hij moet dan aannemen, dat volgens Cyprianus het bloed, dat uit de zijde van den Zoon vloeide, door den apostel voor den Zoon zelf gehouden werd, die evenzeer door het water had kunnen voorgesteld worden, en dat met het water, dat evenzeer uit de zijde van den Zoon vloeide, de persoon van den Heiligen Geest door den apostel bedoeld werd, dat hij verder met den Geest, die in vers 6 wordt gezegd de waarheid te zijn en in het Evangelie den Geest der waarheid genoemd wordt, den persoon des Vaders bedoelde, ofschoon hij nergens elders in vereniging met den Zoon en den Geest zo genoemd wordt. Zonder deugdelijk bewijs dat Cyprianus de woorden van den apostel in dien zin opvatte, geloven wij dat niet. Die het zo verstaat, moet ook geloven dat de Vader, de Zoon en de Geest als drie getuigen op aarde voorgesteld worden. Ten derde. Facundus erkent dat Cyprianus zegt, dat er geschreven staat: Et hi tres unum sunt: En deze drie zijn een. Dat zijn de woorden van vers 7, en niet van vers 8. Zij worden niet gebezigd ten opzichte van de drie op aarde: de Geest, het water en het bloed, maar van de drie in den hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest. Verder wordt ons meegedeeld dat de schrijver van het boek: De baptismo haeritoricum, dien men voor een tijdgenoot van Cyprianus houdt, de woorden van Johannes aanhaalt volgens de Griekse handschriften en de oude lezingen aldus: Ait enim Johannes de Domino nostra in epistolâ nos docens, Hic es qui venit per aquam et sanguinam, Jesus Christus, non in aquâ tantiem, sed in aquâ et sanguine, et Spiritus est qui testimonium perhibet, quia Spiritus est veritas, quia tres testimonium perhibent, Spiritus et aqua et sanguis, et istri tres in nuum sunt. Want Johannes, in zijn brief, zegt betreffende onzen Heere: Deze is Hij, Jezus Christus, die kwam door water en bloed, niet in water alleen, maar in water en bloed, en het is de Geest, die getuigt, omdat de Geest de waarheid is, want er zijn drie die getuigen, de Geest, het water en het bloed, en deze drie stemmen overeen. Indien al de Griekse handschriften en oude lezingen zeggen betreffende den Geest, het water en het bloed, dat in unum sunt, zij tot een zijn, dan was het niet over hen, dat Cyprianus sprak, welke verscheidenheid er ook tijdens zijn leven in de handschriften moge geweest zijn, wanneer hij zegt: er staat geschreven: unum sunt, zij zijn een. En daarom schijnen de woorden van Cyprianus een krachtig getuigenis voor vers 7 te zijn, en een aanduiding dat een vervalser van den tekst waarlijk niet zo nauwkeurig zou gelet hebben op de apostolische benaming van den tweeden getuige in den hemel: het Woord. Want:
c. Evenals alleen deze apostel de gebeurtenis verhaalt van het water en het bloed, dat uit de zijde des Zaligmakers vloeide, zo is hij ook de enige, of de voornaamste, die ons de mededeling doet van de belofte des Zaligmakers en Zijne voorzegging van de komst des Heiligen Geestes om Hem te verheerlijken en van Hem te getuigen, en de wereld te overtuigen van haar eigen ongeloof en van Zijne rechtvaardigheid, in zijn Evangelie: Hoofdstuk 14:16, 17, 26, 15:26, 16:7-15. Het is dus meest overeenkomstig de spreekwijze en het Evangelie van dezen apostel om den Heiligen Geest op die wijze te noemen als een getuige voor Jezus Christus.
E. Het was veel lichter voor een overschrijver, die bijvoorbeeld even van zijn werk opzag, of die onduidelijk schrift had over te schrijven, dat aan het begin of aan het einde van een bladzijde uitgevlekt was. of bedorven door de slechte hulpmiddelen, die de ouden soms moesten gebruiken, om een zin te verliezen of over te slaan, dan voor een ander om een zin te bedenken en tussen te voegen. Hij moest zeer trots en aanmatigend zijn, die hoopte aan ontdekking en beschaming te ontsnappen, en zeer oneerbiedig bovendien, die een bijvoeging zou durven zetten in een boek, dat voor heilig gehouden werd.
F. Men kan nauwelijks onderstellen dat de apostel, die het Christelijk geloof voorstelt als de overwinning der wereld, en den grondslag die het heeft in de erkenning van Jezus Christus, en het verschillend getuigenis dat aan Jezus Christus in de wereld gegeven wordt, zou verzuimen het voornaamste getuigenis, dat hij bijwoonde, te vermelden, vooral wanneer wij bedenken dat hij in vers 9 vervolgt: Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder, want dit (wat hij tevoren genoemd heeft) is de getuigenis van God, welken Hij van Zijn Zoon getuigd heeft. Welnu, in de drie getuigenissen op aarde is niet al de getuigenis van God, en evenmin een getuige, die waarlijk en onmiddellijk God is. De loochenaars van de Drie-eenheid, die zich tegen dezen tekst verzetten, zullen ontkennen dat de Geest, het water of het bloed God zelf zijn, maar de gangbare lezing is een uitnemende opsomming van de verschillende getuigen en getuigenissen, die de waarachtigheid van den Heere Christus en de goddelijkheid van Zijn instellingen ondersteunen. Hier is het uitnemendste kort-begrip van de beweegredenen voor het geloof in Christus, van de geloofsbrieven, die onze Zaligmaker met zich bracht, van de bewijzen voor het Christendom, welke men vinden kan in Gods Woord, alleen reeds om die reden, nog buiten het leerstuk van de goddelijke Drie-eenheid, is deze tekst alle aanneming waardig.
2. Daar wij al deze zedelijke gronden aan onze zijde hebben, gaan wij nu verder. De apostel, na aangetoond te hebben dat de Geest, die van Christus getuigt, de waarheid is, bewijst dat nu door de verzekering, dat Hij in den hemel is, en dat daar nog anderen zijn, die niet anders dan waar kunnen wezen, of de waarheid in zich zelven zijn, en met Zijne getuigenis instemmen. Want drie zijn er, die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn een, vers 7.
A. Hier is een drie-eenheid van hemelse getuigen, die hebben getuigd en verkondigd aan de wereld de waarheid en het gezag van den Heere Christus, in Zijn bediening en aanspraken.
a. De eerste in rang, die genoemd wordt, is de Vader. Deze heeft Zijn zegel gezet op de zending van den Heere Christus, gedurende al den tijd dat Hij hier was, meer bepaaldelijk: Ten eerste. Door Hem Zijn Zoon te verklaren bij Zijn doop, Mattheus 3:17.
Ten tweede. Door Zijne hoedanigheid te bevestigen door Zijne verheerlijking op den berg, Mattheus 17:5.
Ten derde. Door Hem te vergezellen met wonderdadige krachten en werken. Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet. Maar indien Ik ze doe, en zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken, opdat gij moogt bekennen en geloven dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem, Johannes 4:37, 38.
Ten vierde. In de getuigenis bij Zijn dood, Mattheus 27:54.
Ten vijfde. Door Hem op te wekken uit de doden, en Hem op te nemen in Zijne heerlijkheid. Hij zal de wereld overtuigen van gerechtigheid, omdat Ik tot den Vader heenga en gij zult Mij niet meer zien, Johannes 16:10, Romeinen 1:4.
b. De tweede getuige is het Woord, een geheimzinnige benaming, die aanduidt de hoogste natuur van onzen Zaligmaker Jezus Christus, waarin Hij bestond voordat de wereld was, waardoor Hij de wereld gemaakt heeft, en waardoor Hij waarlijk God was met den Vader. Hij moet getuigen voor de menselijke natuur of voor den mens Christus Jezus, in en door wie Hij ons verzoende en zalig maakte, en Hij getuigde: Ten eerste. Door de machtige werken, die Hij verrichtte. Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook, Johannes 5:17.
Ten tweede. Door Hem heerlijkheid mede te delen tijdens Zijne verandering op den berg.
Wij hebben Zijne heerlijkheid gezien, ene heerlijkheid als van den eniggeborene des Vaders, Johannes 1:14. Ten derde. Door Hem van de doden op te wekken. Verbreekt dezen tempel en in drie dagen zal Ik hem opbouwen, Johannes 2:19.
c. De derde getuige is de Heilige Geest, een verheven, eerwaardige naam, de bezitter, eigenaar en werker van heiligheid. Getrouw en heilig moet Hij zijn, dien de Geest van heiligheid Zijn zegel en plechtig getuigenis geeft. Dat deed Hij aan den Heere Jezus, het hoofd van de Christelijke wereld, en dat wel op deze wijzen: Ten eerste. Door de wonderbare ontvangenis van Zijn aangenomen menselijke natuur in de baarmoeder der maagd. De Heilige Geest zal over u komen, enz., Lukas 1:35.
Ten tweede. Door de zichtbare nederdaling op Hem bij Zijn doop. De Heilige Geest daalde op Hem neer in lichamelijke gedaante, Lukas 3:22.
Ten derde. In werkelijke overwinning van de geesten der hel en der duisternis. Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het koninkrijk Gods tot u gekomen, Mattheus 12:28.
Ten vierde. In de zichtbare macht gevende nederdaling op de apostelen, om hen te voorzien van gaven en krachten, om Hem en Zijn Evangelie aan de wereld te verkondigen, nadat Hij zelf ten hemel gegaan was, Handelingen 1:4, 5, 2:2-4 enz.
Ten vijfde. Door den naam, het Evangelie en de belangen van Christus te steunen door wonderdadige gaven en werkingen in en op de discipelen en in de gemeenten, gedurende twee honderd jaren, 1 Corinthiërs 12:7. Dezen zijn de getuigen in den hemel en zij geven getuigenis van uit den hemel. En zij zijn een, niet enkel in hun getuigenis, want dat ligt reeds opgesloten in hun drievoudig getuigenis voor dezelfde zaak, zij zijn een in hun hemels wezen en bestaan, en indien zij een zijn met den Vader, moeten zij een God zijn.
B. Van hen onderscheiden, ofschoon met hen verenigd, is een drie-eenheid van getuigen op aarde, zoals wij zien uit hetgeen volgt. En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest en het water en het bloed, en die drie zijn tot een, vers 8..
a. Van deze drie getuigen is de eerste de Geest. Deze moet onderscheiden worden van den Heiligen Geest, die in den hemel is. Wij moeten dus zeggen met den Zaligmaker, overeenkomstig hetgeen de apostel ons bericht: Hetgeen uit den Geest geboren is, is geest, Johannes 3:6. De discipelen van den Zaligmaker zijn, evenals de overige mensen, geboren uit het vlees. Zij komen ter wereld met een bedorven, vleselijke gezindheid, welke vijandschap is tegen God. Deze gezindheid moet gedood en vernietigd worden. Een nieuwe natuur moet hun gegeven worden. De oude begeerlijkheden en verdorvenheden moeten verwijderd worden en de ware discipel een nieuwe natuur ontvangen. De wedergeboorte of vernieuwing der zielen is een getuigenis van den Zaligmaker. Het is Zijn daadwerkelijke zaligmaking, alhoewel in beginsel. Het is een getuigenis op aarde, omdat zij voortgaat met de gemeente hier, en niet geschiedt op die aangrijpende verwondering-wekkende wijze, waarop tekenen van den hemel verricht worden. Tot dezen geest behoren niet alleen de wedergeboorte en bekering van de gemeente, maar ook haar trapsgewijze heiliging, overwinning van de wereld, haar vrede en liefde, en blijdschap en alle genade, waardoor zij bekwaam gemaakt wordt voor de erfenis van de heiligen in het licht. b. De tweede is het water. Dit werd tevoren beschouwd als een middel ter zaligheid, maar hier als een getuigenis van den Zaligmaker zelven, en geeft te kennen Zijn reinheid en reinigende kracht. En dus schijnt er mede bedoeld te worden: Ten eerste. De reinheid van Zijn eigen natuur en wandel in de wereld. Hij was heilig, onnozel en onbesmet. Ten tweede. Het getuigenis van den doop van Johannes, die van Hem getuigde, Hem een volk toebereidde en hen naar Hem verwees, Markus 1:4, 7, 8.
Ten derde. De reinheid van Zijn eigen leer, door welke de zielen gereinigd en gewassen worden. Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb, Johannes 15:3.
Ten vierde. De werkelijke en werkende reinheid en heiligheid van Zijne discipelen. Zijn lichaam is de heilige algemene kerk. Hebbende uwe zielen gereinigd in gehoorzaamheid der waarheid door den Geest, 1 Pet. 1:22. En dit alles wordt betekend en verzegeld: Ten vijfde. Door den doop, dien Hij ingesteld heeft voor de inlijving of aanneming van Zijne discipelen, in welken Hij door dat teken zegt: Indien Ik u niet was, zo hebt gij geen deel aan Mij. Niet de aflegging van de vuiligheid des lichaams, maar de vraag van een goed geweten tot God, 1 Pet. 3:21.
c. De derde getuige is het bloed, dat Hij vergoot als een rantsoen voor ons. Dit getuigt van Jezus Christus: Ten eerste. Door te bezegelen en te vervullen de offeranden van het Oude Testament.
Christus, ons Pascha, is voor ons geslacht. Ten tweede. Doordien het Zijn eigen voorzeggingen bevestigt en de waarheid van geheel Zijn bediening en leer, Johannes 18:37.
Ten derde. Doordien het de onvergelijkelijke liefde tot God toont, dat Hij sterven wilde als een offer voor Zijn eer en heerlijkheid, door verzoening aan te brengen voor de zonden der wereld, Johannes 14:30, 31.
Ten vierde. Doordien het een onuitsprekelijke liefde voor ons aan het licht brengt, en niemand aan wie die liefde betoond wordt, bedrogen zal uitkomen, Johannes 14:13-15.
Ten vijfde. Doordien het getuigt van de belangeloosheid van den Heere Jezus voor eigenbelang of voordeel. Geen bedrieger of vervalser stelt ooit zich zelven bloot aan verachting en een geweldigen wreden dood, Johannes 18:36.
Ten zesde. Daarin dat het Zijnen discipelen de verplichting oplegt om voor Hem te lijden en te sterven. Geen bedrieger zal trachten volgelingen te winnen op de voorwaarden, die de Heere Jezus aanbood. Gij zult van allen gehaat worden om Mijnentwil. Zij zullen u uit de synagoge werpen, ja de ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen, Johannes 16:2. Hij roept gewoonlijk Zijne dienaren tot gelijkvormigheid aan Zijn lijden. Laat ons daarom met Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijne smaadheid dragende, Hebreeën 13:13. Dit toont ons dat noch Hij noch Zijn koninkrijk van deze wereld is.
Ten zevende. De zegeningen, voortvloeiende en teweeggebracht uit en door Zijn bloed (wèl verstaan) moeten onmiddellijk aantonen, dat Hij inderdaad de Zaligmaker der wereld is. Ten achtste. Deze zijn afgebeeld en bezegeld door de instelling van Zijn eigen avondmaal. Dit is Mijn bloed des Nieuwen Testaments (waardoor het Nieuwe Testament bekrachtigd wordt) hetwelk vergoten wordt voor velen, tot vergeving der zonden, Mattheus 26:28. Deze zijn de getuigen op aarde. Deze verscheidene getuigenissen zijn gegeven aan den bewerker van onze zaligheid. Geen wonder, dat de verwerper van al deze bewijzen wordt geoordeeld als een lasteraar van den Geest Gods en zonder herstel overgelaten wordt aan de verlorenheid zijner zonden. Deze drie getuigen, die onderling meer verschillen dan de eerste drie, worden niet eigenlijk gezegd een te zijn, maar tot een, dienende voor een en hetzelfde doel, voor dezelfde zaak, of in overeenstemming met elkaar, in een en dezelfde zaak onderling, en in hetzelfde getuigenis, dat van den hemel getuigd wordt.
III. Terecht besluit de apostel: Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder, want dit is de getuigenis van God, die Hij van Zijnen Zoon getuigd heeft, vers 9. Hier hebben wij:
1. Een onderstelling, die terecht op het voorgaande gebouwd wordt. Dit is de getuigenis van God, de getuigenis, die God betreffende Zijn Zoon afgelegd heeft, dat zeker een onmiddellijk onwraakbaar getuigenis van den Vader bedoelt betreffende Zijn Zoon, Hij heeft zelf Hem voorgesteld en van Hem getuigd aan de wereld.
2. Het gezag en de aannemelijkheid van dit getuigenis, en daarbij wordt van het kleinere naar het grotere bewezen. Indien wij de getuigenis der mensen aannemen (en die getuigenis wordt en moet worden aangenomen door alle rechtbanken en alle volken), de getuigenis van God is meerder, vers 9. Die is de waarheid zelf, dus van het hoogste gezag en de meest ontwijfelbare onfeilbaarheid.
3. De toepassing van dezen regel op het onderhavige geval. Want dit is de getuigenis, en hier is de getuige, van God, zowel van den Vader, als van het Woord en den Heiligen Geest, die Hij van Zijnen Zoon getuigd heeft. God, die niet liegen kan, heeft voldoende verzekering aan de wereld gegeven, dat Jezus Christus Zijn Zoon is, de Zoon Zijner liefde en de Zoon door Zijne bediening, om de wereld te verzoenen met Hem en terug te brengen tot Hem, Hij bevestigde daardoor de waarheid en den goddelijken oorsprong van den Christelijken godsdienst, en dat is de veilige aangewezen weg en middel om ons tot God te brengen.