1 Johannes 5:14-17
Hier hebben wij:
I. Een voorrecht, behorende bij het geloof in Christus, namelijk de verhoring des gebeds.
En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijnen wil, Hij ons verhoort, vers 14. De Heere Jezus Christus geeft ons vrijmoedigheid om in alle omstandigheden, met al onze smekingen en verzoeken tot God te komen. Door Hem worden onze verzoeken door God toegelaten en aangenomen. De inhoud van onze gebeden moet overeenkomen met den geopenbaarden wil van God. Wij, die de Zijnen en van Hem afhankelijk zijn, mogen niets vragen, dat tegenovergesteld is aan Zijne Majesteit en heerlijkheid en ons welzijn. En dan mogen wij vrijmoedigheid hebben, dat het gebed des geloofs in den hemel zal verhoord worden..
II. Het voordeel, dat wij door zulk gebed verkrijgen. En indien wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben, vers 15. Groot zijn de verlossingen, barmhartigheden en zegeningen, welke de heilige bidder behoeft. Te weten dat zijn gebeden aangenomen worden, is zoveel als te weten dat zij beantwoord worden, en dus dat hij zo ontfermd, vergeven, geraden, geheiligd, bijgestaan en gezaligd is of zal worden, als hem toegestaan wordt van God te vragen.
III. Richtsnoer in het gebed met betrekking tot de zonden van anderen. Indien iemand zijn broeder ziet zondigen ene zonde niet tot den dood, die zal God bidden, en Hij zal hem het leven geven, degenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is ene zonde tot den dood, voor deze zonde zeg ik niet dat hij zal bidden, vers 16. Hier moeten wij opmerken:
1. Wij behoren te bidden voor anderen zowel als voor ons zelven, voor onze broederen uit de mensheid, dat zij mogen verlicht, bekeerd en behouden worden, voor onze broederen in de Christelijke belijdenis, dat zij oprecht mogen zijn, hun zonden mogen vergeven worden, en dat zij mogen verlost worden van het boze en van de kastijdingen Gods, en bewaard in Christus Jezus.
2. Er is groot verschil in de misdadigheid en schuld der zonde. Er is ene zonde tot den dood, vers 16, en ene zonde niet tot den dood, vers 17.
A. Er is ene zonde tot den dood. Alle zonde is, volgens haar verdienste en het wettige vonnis, zonde tot den dood. De bezoldiging der zonde is de dood, en vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, Galaten 3:10. Maar er is ene zonde tot den dood in tegenstelling van die, welke hier genoemd wordt zonde niet tot den dood. Er is dus:
B. Een zonde niet tot den dood. Hieronder moet zeker begrepen worden al zulke zonde, welke volgens goddelijke of menselijke instelling met het leven bestaan kan, in de menselijke instelling met het tijdelijke of lichamelijke leven, in de goddelijke instelling met het lichamelijke of geestelijke evangelische leven.
a. Er zijn zonden welke, volgens rechtvaardige menselijke instelling, niet tot den dood zijn, zoals verschillende soorten van ongerechtigheid, die niet door den dood van den overtreder geboet worden. In tegenstelling met deze zijn er zonden, die volgens rechtvaardige instelling tot den dood zijn, waardoor wettelijk het leven verbeurd wordt, die wij kapitale misdaden noemen.
b. Voorts zijn er zonden die, volgens goddelijke instelling, tot den dood zijn, zowel tot den lichamelijken als den geestelijken dood.
Ten eerste. Zonden, die tot den lichamelijken dood zijn. Dat kunnen de zonden zijn van verharde huichelaars, gelijk Ananias en Sapphira, of zover wij weten van oprechte Christelijke broeders, zoals de apostel zegt van de overtredende leden der gemeente te Corinthe. Daarom zijn er onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen, 1 Corinthiërs 11:30. Er kan zonde tot den lichamelijken dood zijn onder degenen, die niet met de wereld veroordeeld zullen worden. Zulke zonden, zeg ik, zijn of kunnen zijn tot den lichamelijken dood. De goddelijke straffelijke instelling onder het Evangelie bedreigt niet beslist en onherroepelijk den dood aan de meer zichtbare zonden der leden van Christus, maar alleen evangelische kastijding: Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij en Hij geselt een iegelijk zoon, dien Hij aanneemt, Heb. 12:6. Er is plaats gelaten voor de goddelijke wijsheid of goedheid, ook zelfs voor de evangelische gestrengheid, om te bepalen hoever de kastijding en de geseling gaan zullen. En wij kunnen niet zeggen dat anders dan bij uitzondering, ter waarschuwing voor anderen, tot den dood wordt voortgegaan.
Ten tweede. Daar zijn zonden, die door de goddelijke instelling, geestelijk en evangelisch tot den dood zijn, dat is, die onbestaanbaar zijn met geestelijk en evangelisch leven, met geestelijk leven in de ziel en met een evangelisch recht op het leven hiernamaals. Zo zijn algehele onboetvaardigheid en ongeloof voor het tegenwoordige. Algehele onboetvaardigheid en ongelovigheid zijn onfeilbaar tot den eeuwigen dood, evenals de lastering van den Geest Gods in het getuigenis, dat deze van Christus en Zijn Evangelie heeft gegeven, en een algehele afval van het licht en het overtuigend bewijs van de waarheid van den Christelijken godsdienst. Deze zijn de zonden, die de schuld van den eeuwigen dood met zich brengen.
IV. Thans volgt de aanwijzing, het richtsnoer voor het gebed, volgens de verschillende soorten van zonden, welke op die wijze onderscheiden worden. Het gebed wordt ondersteld voor het leven te zijn: Hij zal God bidden en Hij (God) zal hem het leven geven. Leven moet van God gevraagd worden. Hij is de God des levens, en Hij geeft het wanneer en aan wie het Hem behaagt, en neemt het weg, door Zijn instelling of door Zijne voorzienigheid, of door beide, wanneer Hij dat goed oordeelt. In het geval van eens broeders zonde, welke niet, op de reeds vermelde wijze, is tot den dood, mogen wij in geloof en hoop voor hem bidden, en bijzonder voor zijn leven naar ziel en lichaam. Maar in geval van zonde tot den dood, op een der bovengenoemde wijzen, hebben wij geen verlof om te bidden. Wellicht houdt des apostels uitdrukking: Voor deze zeg ik niet dat hij zal bidden, niet meer in dan: In dat geval heb ik geen belofte voor u, geen grond voor het gebed des geloofs.
1. De wetten der straffende gerechtigheid moeten voltrokken worden, ten nutte van de algemene veiligheid en ten welzijn van de mensheid, en zelfs een broeder, die overtreden heeft, moet in zulk een geval aan den arm der gerechtigheid overgeleverd worden, want dat is een goddelijke instelling, en terzelfder tijd aanbevolen aan de goddelijke barmhartigheid. 2. Om het eindigen van evangelische kastijdingen (zoals ze mogen genoemd worden), of om den dood te voorkomen (die het noodzakelijk gevolg zou kunnen zijn, of die als straf schijnt te naderen, voor enige bepaalde zonde) mag alleen voorwaardelijk en onder voorbehoud gebeden worden, dat is: met de voorwaarde dat het bestaanbaar is met de wijsheid, den wil en de heerlijkheid Gods, dat de zondaar herstellen moge en vooral zijn sterven voorkomen.
3. Wij kunnen niet bidden, dat de zonden van de onboetvaardigen en ongelovigen, terwijl zij in dien toestand blijven, zullen vergeven worden, of dat enige barmhartigheid naar lichaam of ziel, welke de vergeving der zonden zou doen onderstellen, hun bewezen worde zolang zij daarin volharden. Maar wij mogen bidden om hun berouw (gesteld dat zij verkeren in den algemenen toestand van de onbekeerde wereld), en om hun verrijking met het geloof in Christus en daardoor met alle zaligmakende barmhartigheid.
4. Indien bleek dat iemand de onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest bedreven had en geheel en al afgevallen was van de verlichtende en overtuigende krachten van den Christelijken godsdienst, dan zou voor zo iemand in het geheel niet mogen gebeden worden. Voor hem blijft alleen een schrikkelijke verwachting des oordeels en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden, Hebreeën 10:27. En vooral deze laatste schijnt door den apostel bedoeld te worden met zonde tot den dood.
5. Want het schijnt, dat de apostel voor de stelling: er is ene zonde niet tot den dood, als bewijs aanvoert: Alle ongerechtigheid is zonde, vers 17, maar ware alle ongerechtigheid tot den dood, dan zouden wij allen onherroepelijk aan den dood overgeleverd zijn. Want wij hebben allen enige ongerechtigheid jegens God of mensen bedreven, al is het slechts door te verzuimen of te verwaarlozen wat wij schuldig waren te doen. Maar nu dat niet zo is en de broeders in Christus, om zo te zeggen, recht op het leven hebben, moet er ook zonde niet tot den dood zijn. Ofschoon er, in den gewonen zin des woords, geen vergeeflijke zonde bestaat, is er toch vergeven zonde, zonde, die geen onherroepelijk oordeel des doods met zich brengt. Ware dat niet zo, dan zou er geen rechtvaardiging of voortzetting van den staat der rechtvaardigheid kunnen zijn. De instelling van het Evangelie, het verbond, vermindert, krimpt of vernietigt de schuld der zonde.