13. En van de anderen die zich nog niet tot het geloof in Christus hadden bekeerd, maar in het Jodendom verhardden, durfde niemand zich bij hen voegen, niemand waagde het zich in de gemeente in te dringen, waardoor deze tot een mengsel van gelovigen en ongelovigen zou zijn geworden; maar het volk hield hen in grote achting, alsof zij een heilige gemeente vormden, die geen vreemde ongestraft mocht naderen (
Numeri 17:13;
1 Timotheus 3:15 Het "eendrachtig in de voorhof van Salomo" moet een bewijs van kracht van de Heere zijn, omdat het staat te midden van betoningen van kracht. En inderdaad, het is er één en niet het minste. Was het ook niet een wonder dat het volk van God zo open en vrij, zonder vrees voor de Joden (
Johannes 20:19) op een openbare plaats vergaderd kon zijn, nadat reeds de hoge raad had gedreigd? En nog meer, dat de gemeente van de Heere bewaard bleef voor vermenging met de wereld, dat de wereld in louter eerbied voor haar zich niet aan haar durfde toevoegen, omdat zij voelde dat zij zelf wereld wilde blijven en toch in de gemeente van de Heere niet blijven kon?
Het gericht over Ananias en Saffira was een openlijk getuigenis dat het de Heere niet te doen was om een grote gemengde hoop; daarom had het ook in het begin de uitwerking dat niemand waagde zich er aan toe te voegen, maar dat de kracht van de Geest en van de waarheid, die men bij de gelovigen opmerkte, anderen terughield zich niet zonder grond voor iets uit te geven.
Het volk kreeg de indruk dat men zich geheel en al met ziel en geweten aan de besturing van de Heilige Geest moest overgeven, indien men zich aan de gemeente wilde aansluiten; dat derhalve een uitwendige gemeenschap voor de schijn alleen tot niets diende.
Nog tot op de huidige dag merkt men op dat valse zielen, die zich aan het woord niet willen houden, de omgang mijden met een ware dienstknecht van Christus en niet graag in zijn nabijheid komen.
13. En van de anderen die zich nog niet tot het geloof in Christus hadden bekeerd, maar in het Jodendom verhardden, durfde niemand zich bij hen voegen, niemand waagde het zich in de gemeente in te dringen, waardoor deze tot een mengsel van gelovigen en ongelovigen zou zijn geworden; maar het volk hield hen in grote achting, alsof zij een heilige gemeente vormden, die geen vreemde ongestraft mocht naderen (Numeri 17:13; 1 Timotheus 3:15
Het "eendrachtig in de voorhof van Salomo" moet een bewijs van kracht van de Heere zijn, omdat het staat te midden van betoningen van kracht. En inderdaad, het is er één en niet het minste. Was het ook niet een wonder dat het volk van God zo open en vrij, zonder vrees voor de Joden (Johannes 20:19
) op een openbare plaats vergaderd kon zijn, nadat reeds de hoge raad had gedreigd? En nog meer, dat de gemeente van de Heere bewaard bleef voor vermenging met de wereld, dat de wereld in louter eerbied voor haar zich niet aan haar durfde toevoegen, omdat zij voelde dat zij zelf wereld wilde blijven en toch in de gemeente van de Heere niet blijven kon?
Het gericht over Ananias en Saffira was een openlijk getuigenis dat het de Heere niet te doen was om een grote gemengde hoop; daarom had het ook in het begin de uitwerking dat niemand waagde zich er aan toe te voegen, maar dat de kracht van de Geest en van de waarheid, die men bij de gelovigen opmerkte, anderen terughield zich niet zonder grond voor iets uit te geven.
Het volk kreeg de indruk dat men zich geheel en al met ziel en geweten aan de besturing van de Heilige Geest moest overgeven, indien men zich aan de gemeente wilde aansluiten; dat derhalve een uitwendige gemeenschap voor de schijn alleen tot niets diende. Nog tot op de huidige dag merkt men op dat valse zielen, die zich aan het woord niet willen houden, de omgang mijden met een ware dienstknecht van Christus en niet graag in zijn nabijheid komen.