4. a) Wanneer nu de in de hemel opgenomen (
Handelingen 3:21) Christus geopenbaard zal zijn, omdat Hij nu in Zijn heerlijkheid van de hemel verschijnt (
1 Corinthiërs 1:7.
2 Thessalonicenzen 1:7;
2:8 namelijk Christus, die ons leven is, die in u leeft en in wie weer ook u leeft (
Filippenzen 1:21 Galaten 2:20), dan zult ook u, als die dan het doel van uw hemelse roeping bereikt heeft (
Romeinen 8:17) met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (
1 Petrus 1:7 v. ; 4:13.
1 Johannes 3:2 a)
Filippenzen 3:21Bij de woorden aan het einde van Vers 2 "niet die op aarde zijn" bedoelde de apostel met "die op aarde zijn" de aardse dingen, die de goederen van de natuurlijke mens uitmaken. Nu staat een leven, dat zich in het bezit van deze dingen bevindt, in een heerlijkheid openbaar voor de wereld; de Christen daarentegen moet zich, zolang Christus voor de wereld en in God verborgen is, daarmee tevreden stellen, dat hij een leven bezit, dat wel in de volle zin van het woord leven is, maar zonder voor de wereld als datgene voor te komen wat het is (vgl. Romeinen 8:19). Dit zegt de apostel en wel in twee verschillende opzichten, als hij aan de ene kant hun leven noemt verborgen met Christus en aan de andere kant de openbaring van Christus als het tijdpunt van hun openbaring in heerlijkheid voorstelt.
Omdat het nieuwe leven van de Christenen in het nauwste verband staat met het leven van de verhoogde en verheerlijkte Verlosser, spreekt het vanzelf, dat ook hun leven zolang verborgen blijft, d. i. niet tot heerlijke openbaring op aarde komt, zolang de terugkomst van Christus nog niet heeft plaats gehad. Door "in God" wordt uitgedrukt, dat Christus zelf tot aan de terugkomst in God blijft. Daarmee worden twee zaken beweerd, zowel het verborgene van het leven van Christus in het leven van God, als ook de eenheid daarvan met God en eveneens worden van de Christenen twee zaken beweerd dat hun waarachtig leven aan de ene kant als zuiver inwendig en geestelijk in het leven van God verborgen is en dat het aan de andere kant met God op het innigst verbonden is. Zeer schoon zegt Chr. Fr. Richter van het verborgen leven van God in Christus: "Het inwendig leven van de Christen blinkt alhoewel de zon hen uitwendig verbrandt; wat de Koning van de hemel hun heeft gegeven is aan niemand bekend dan alleen aan henzelf. Wat niemand bedenkt, wat niemand vermoedt heeft hun verhelderd oog aanschouwd en hen verhoogd tot goddelijke waardigheid. " - Dit verborgen leven kan pas dan openbaar worden, als Christus zelf op aarde in de majesteit van de Heere en van het Hoofd aller schepselen en in het bijzonder van de verhoogde Koning van Zijn gemeente te voorschijn zal treden; desalniettemin is het tot op die tijd aanwezig en de Christenen zijn zichzelf daarvan volkomen bewust.
Het leven in God: 1) een leven in het verborgene, maar niet zonder openbaar te worden; 2) een leven in zalige rust, maar niet zonder dagelijkse moeite en arbeid; 3) een leven in de hemel, maar niet zonder rijke zegen voor de aarde.
Paulus' wonderbaar diepe uitdrukking duidt aan, dat Christus de bron van ons leven is. U heeft Hij levend gemaakt, omdat u dood was door de misdaden en de zonden. Dezelfde stem, die Lazarus uit het graf riep, heeft ons doen opstaan tot een nieuw leven. Hij is nu het leven van ons geestelijk leven. Door Zijn leven leven wij; Hij is in ons de hoop van de heerlijkheid, de drijfveer van onze daden, de hoofdgedachte, die elke andere gedachte beweegt. Christus is de onderhouder van ons leven. Waarvan kan de Christen anders leven dan van het vlees en bloed van de Heere Jezus. Dit is het brood, dat van de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet en niet sterft. U vermoeide pelgrims in de woestijn van de zonde, nooit zult u een stuk brood verkrijgen om de honger van uw ziel te verzadigen, tenzij u die in Hem vindt. Christus is de troost van ons leven. Al onze ware blijdschap komt van Hem en in tijden van beproeving is Zijn nabijheid onze vertroosting. Hij alleen is waardig, dat wij voor Hem leven en Zijn goedertierenheid is beter dan het leven. Christus is het doel van ons leven. Zoals het schip zich naar de haven spoedt, zo haast de gelovige zich om tot de haven van de boezem van zijn Verlosser te komen. Zoals de pijl vliegt naar het wit, zo vliegt de Christen naar de volkomen gemeenschap met Christus Jezus. Zoals de krijgsknecht voor Zijn bevelhebber strijdt en gekroond wordt door de overwinning van zijn veldheer, zo strijdt de gelovige voor Christus en ontvangt Zijn erepalmen uit die van zijn Meester. Voor hem is het leven Christus, Christus is het voorbeeld van ons leven. Overal waar hetzelfde inwendige leven is, zal en moet ook in grote mate dezelfde ontwikkeling uitwendig zijn; en als wij in nauwe gemeenschap met de Heere Jezus leven, zullen wij Hem gelijkvormig worden. Wij willen Hem voor ons stellen als ons goddelijk voorbeeld en trachten in Zijn voetstappen te wandelen, totdat Hij de kroon van ons leven en heerlijkheid wordt. O, hoe veilig, hoe heerlijk, hoe zalig is de Christen, omdat Christus ons leven is!
Pas hoorden wij hem over de wondere levensaanvang en de doorgaande levensinrichting, nu over de verborgen levensglans en de blijde levenshoop van de Christen, die met Christus voor het nieuwe leven is opgewekt. Want u bent gestorven, zo dringt hij zijn vorige opwekking aan, natuurlijk in geestelijk opzicht en uw leven is met Christus verborgen in God. Uw hoogst, waarachtig, zalig leven, wil hij zeggen, waaraan u door gemeenschap met de opgewekte Christus deel heeft, het treedt hier beneden nog niet in volle glans aan het licht. Evenals en met de verheerlijkte Heere is het nu nog verborgen, een leven in God, omdat het, hoezeer ook naar buiten te voorschijn tredend, echter wortelt en groeit op het gebied van een onzichtbare wereld. Uw leven, u heeft het. Ja, maar wat u eraan heeft in al de kracht van het woord, het is nog bedekt voor anderen, ten dele zelfs voor uw eigen blikken. In één woord, het is nog niet geopenbaard, wie wij zijn en wat wij zijn zullen. Diepzinnig denkbeeld, voorwaar onverstaanbaar zelfs voor de ongelovige wereld, die in onze tijd van openbaarheid in alles vaak niet weinig verlegen zou staan, als zij de vraag beantwoorden moest: verhaal mij de innerlijke levensgeschiedenis van de verborgen mens van uw hart. En toch wat Christen beseft niet, welke hoge, heilige waarheid hier door de apostel uitgesproken en later door de Christendichter (C. F. Richter) op deze manier vertolkt is:
Hoe schittert des Christenen innerlijk leven, Ofschoon hen van buiten de zonnenbrand schendt, Wat hun door hen Heer van omhoog is gegeven Is niemand behalve hun zelf bekend. Zij staan in het lijden en zijn toch de blijden; Zij schijnen gestorven van de vreugd van de zinnen En leiden toch het zaligste leven daar binnen.
Ja echt zo is het, het kan niet anders het moet ook niet anders en verwonderen kan het ons niet, dat uit die hoofde ons niet dat juist het beste in de Christen in de regel het minst van allen begrepen wordt. De wereld kent ons niet, schrijft Johannes, omdat zij Hem niet kent. Toch lijdt het geen twijfel, of ook deze wolk zal verdwijnen, wanneer eenmaal de zon in volle heerlijkheid opgaat. Wanneer nu Christus wordt geopenbaard, die ons leven is, schrijft de apostel, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Die ons leven is; weer een van die kernvolle uitspraken, die onvermijdelijk bij elke omschrijving verliezen. Stel ervoor in de plaats: die de bron, de kracht, de steun, de hoop van ons leven is, u heeft zeker iets, maar lang niet alles gezegd. Niet Zijn woord alleen, niet de Geest zelfs, Christus zelf is het leven van het nu nog verborgen leven van de Zijnen en - Hij moet nu nog geopenbaard worden, meer dan van te voren. Eens zal Hij aan het einde van de eeuwen in volle koningsglans blinken en nu, niet eerder worden de Zijnen met en in Hem geopenbaard in al de heerlijkheid van het hun inwonend geestelijk leven. Nu, niet eer weer, wordt het openbaar wie zij eigenlijk waren, deze miskende en verafschuwde Christenen; tegelijk met het zegevierend Hoofd treden al Zijn levende leden als uit hun duister te voorschijn; de hemelroos van de voltallige zaligen ontplooit haar laatste blad en praalt in volle heerlijkheid voor mensen en engelen ogen. Nu blijkt het, wat eigenlijk het leven was van een Paulus; de martelkroon is er voor Stefanus herschapen in een lichtdiadeem en uit de draden van de rokken, door Tabitha voor de armen gesponnen, is haar hemels feestkleed geweven. Hoe menig discipel van Christus, die wij hier gekend of - niet gekend hebben met zijn hart vol geloof en liefde, maar in onaanzienlijk gewaad, in een misvormde gestalte, in een omgeving, waardoor hij van alle kanten bedrukt en bekneld werd hier beneden, is de kostbaarste nardus niet altijd bewaard in een vaas van edel albast. Maar daar, zie, de harmonie is hersteld tussen het leven en zijn verschijningsvorm. De heerlijkheid van Christus, zij straalt niet slechts af van de Zijnen, zij stroomt ook op hun beurt van hen uit en in al de parels van zijn kroon weerspiegelt zich de glans van de Koning. O, als ons in een heilig uur reeds de levendige voorstelling van dat verschiet kan verrukken, wat zal het zijn als het heimwee van de kinderen van God ten volle bevredigd en deze werkelijkheid voor eeuwig gekomen zal zijn? Zalig wie haar tegengaat met het lied van een vroeg gestorven dichter in het hart:
Met Christus is mijn leven verborgen bij God, O ijdel werelds streven, O nietig aards genot. `k Houd oog en hart geheven, waarheen mijn zuchten zweven, Naar Christus, naar mijn leven, verborgen bij mijn God. Mijn lieven en mijn leven, mijn wensen en genot, Mijn strijden en mijn streven, mijn lijden en mijn lot, `k Heb alles Hem gegeven; nu word ik voortgedreven Verlangend naar mijn leven, in Christus bij mijn God.
.