Spreuken 8:22-31
Dat het een verstandelijk en Goddelijk persoon is, die hier spreekt, schijnt zeer duidelijk, en niet bedoeld is van een blote essentiële eigenschap van de Goddelijke natuur, want de wijsheid hier heeft persoonlijke eigenschappen en handelingen, en die verstandelijke, Goddelijke persoon kan geen ander zijn dan de Zoon van God zelf, aan wie de voornaamste dingen, die hier van de wijsheid gezegd worden, in andere plaatsen van de Schrift toegekend worden, en wij moeten de Schrift verklaren door haarzelve. Indien Salomo zelf slechts de lof van de wijsheid bedoelde, daar zij een eigenschap Gods is, door welke Hij de wereld heeft gemaakt, en haar regeert, om zo aan de mensen de studie van de wijsheid aan te bevelen, dan heeft toch de Geest van God, die hem ingaf wat hij schreef, hem, evenals dikwijls ook David, de uitdrukkingen doen gebruiken, die voor niemand anders gepast zijn dan voor de Zoon van God, en ons leiden in de kennis van grote dingen betreffende Hem. Alle Goddelijke openbaring is de openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft, en hier wordt ons gezegd wie en wat Hij is, als God, in de eeuwige raad bestemd om de Middelaar te zijn tussen God en de mens. De beste verklaring van deze verzen hebben wij in de eerste vier verzen van het Evangelie van Johannes. In den beginne was het Woord en verv.
Merk hier op betreffende de Zoon van God:
1. Zijn persoonlijkheid en onderscheiden bestaan, een met de Vader, en van hetzelfde wezen, en toch een persoon op zichzelf, die de Heere bezat, vers 22, die gezalfd is geweest vers 23, geboren is, vers 24. 25, Hij was bij Hem, vers 30, want Hij was het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid, Hebreeën 1:3.
2. Zijn eeuwigheid, Hij was gegenereerd van de Vader, want de Heere bezat Hem, als Zijn eigen Zoon, Zijn geliefde Zoon, had Hem in Zijn schoot, Hij was gegenereerd als de eengeborene des Vaders, en wel voordat de wereld was, waar hier zeer uitvoerig bij verwijld wordt. Het Woord was eeuwig, en was in wezen voordat de wereld bestond, voor het begin des tijds, en derhalve moet het van eeuwigheid zijn. De Heere bezat Hem in het begin Zijns wegs, in Zijn eeuwige raad, want die was voor Zijn werken: deze weg had in werkelijkheid geen begin, want Gods voornemens zijn eeuwig, gelijk Hij zelf is, maar God spreekt tot ons in onze taal. De wijsheid verklaart zich, vers 23, ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest. De Zoon van God was, in de eeuwige raad Gods, bestemd en verhoogd om de wijsheid en de kracht te zijn des Vaders, licht en leven, en alles in alles, beide in de schepping en in de verlossing van de wereld.
Dat Hij geboren en tot Zijn ambt gezalfd was voor de schepping van de wereld, wordt hier in een grote verscheidenheid van uitdrukkingen uitgesproken, in ongeveer dezelfde bewoordingen, als waarin de eeuwigheid van God zelf is uitgedrukt, Psalm 90:2..
a. Eer de aarde was, en die was gemaakt in den beginne, voordat de mens gemaakt was, daarom was de tweede Adam in wezen voor de eerste, want de eerste Adam was gemaakt uit de aarde, de tweede was in wezen voor de aarde en daarom is Hij niet uit de aarde, Johannes 3:31.
b. Voordat de zee was, vers 24, toen de afgronden nog niet waren, waarin de wateren bijeen vergaderd werden, geen fonteinen, uit welke die wateren konden voortkomen, toen nog niets bestond van de diepte van de wateren, waarop de Geest Gods zweefde ter voortbrenging van de zichtbare schepping Genesis 1:2.
c. Voordat de bergen, de eeuwige bergen er waren, vers 25. Om Job te overtuigen van zijn onbekwaamheid om over de Goddelijke raadsbesluiten te oordelen, vraagt Elifaz hem, Zijt gij voor de heuvelen voortgebracht? Job 15:7. Neen, dat zijt gij niet, maar het eeuwige Woord is voor de heuvelen geboren.
d. Voor de bewoonbare delen van de wereld, die de mensen bebouwen en waarvan zij de vruchten oogsten, vers 26, de velden in de dalen en vlakten, voor welke de bergen als een muur zijn, die de aanvang zijn van de stofjes van de wereld, het eerste gedeelte van het stof, zoals sommigen het lezen, de atomen, waaruit de onderscheidene delen van de wereld zijn samengesteld, het eerste of voornaamste deel van het stof zo kan het ook gelezen worden, en opgevat van de mens die uit het stof van de aarde gemaakt was, en stof is, maar het voornaamste deel van het stof is stof dat levend is gemaakt, verfijnd stof. Het eeuwige Woord bestond voordat de mens gemaakt was, want in Hem was het leven van de mensen.
3. Zijn werking in de schepping van de wereld.
a. Hij was niet slechts in wezen voordat de wereld was, maar Hij was, toen de wereld gemaakt werd, er bij tegenwoordig, niet als de toeschouwer, maar als de bouwmeester. God deed Job verlegen staan en verootmoedigd door hem te vragen "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde, wie heeft haar maten gezet?" Job 38:4 en verv. Waart gij dat eeuwige Woord, die eeuwige wijsheid, die dat grote werk heeft bestuurd en tot stand gebracht? Neen, gij zijt van gisteren." Maar de Zoon van God, naar het gesprek schijnende te verwijzen, dat God met Job heeft gehad, verklaart hier van zichzelf, dat Hij werkzaam is geweest in hetgeen, waarvan Job niet eens kon zeggen getuige te zijn geweest, namelijk in de schepping van de wereld. "Door Hem heeft God de wereld gemaakt," Efeziers 3:9, Hebreeën 1:2, Coloss. 1:16. Toen God op de eerste dag van de schepping, bij de aanvang des tijds, het licht heeft voortgebracht door een woord, is de eeuwige wijsheid dat almachtige woord geweest. Toen Hij de hemelen, de fontein van dat licht, bereidde, dat, wat het hier ook moge wezen, daar substantieel is was ik daar.
b. Niet minder bedrijvig werkzaam was Hij, toen Hij op de tweede dag het uitspansel heeft uitgespreid, een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef, vers 27, hem naar alle zijden met dat gewelf omgaf, of met dat gordijn. Het kan ook verwijzen naar de nauwkeurige orde en methode, waarmee God al de delen van het heelal heeft geformeerd, zoals de werkman zijn werk met lijn en passer aftekent. Het werk week in niets af van het plan dat in de eeuwige Geest er van gevormd was.
c. Hij werd ook gebruikt in het werk van de derde dag, toen de wateren boven het uitspansel bijeenvergaderd werden, toen Hij de opperwolken van boven vestigde, en die beneden het uitspansel door de fonteinen des afgronds vast te maken, die deze wateren uitzenden, vers 28, en door de perken in stand te houden van de zee, die de vergaderbak is van deze wateren, vers 29. Dit geeft de eer te kennen van de eeuwige wijsheid, want hierdoor heeft God zich bewezen een God te zijn, die grotelijks te vrezen is, Jeremia 5:22, dat Hij de zee het zand tot een paal gesteld heeft, opdat het droge boven de wateren gezien zou blijven, en geschikt zou zijn om een woning te wezen voor de mens en zo heeft Hij de grondvesten van de aarde gesteld. Hoe bekwaam, hoe geschikt is de Zoon van God om de Zaligmaker van de wereld te zijn, die er de schepper van is geweest.
4. Het oneindig welbehagen, dat de Vader in Hem, en Hij in de Vader heeft gehad, vers 30. Toen was ik een voedsterling bij Hem. Gelijk Hij door een eeuwige generatie voortgebracht was door de Vader, zo is Hij door de eeuwige raad een voedsterling bij Hem geweest, hetgeen te kennen geeft, niet alleen de oneindige liefde van de Vader voor de Zoon, die daarom de Zoon van Zijn liefde wordt genoemd, Coloss. 1:13, maar ook de wederzijdse goede verstandhouding, die er tussen hen bestond betreffende het werk van der mensen verlossing, dat de Zoon op zich ging nemen, en omtrent hetwelk de raad des vredes tussen hen was, Zacheria 6:13. Hij was "alumnus Patris des Vaders leerling," zoals ik mag zeggen, van eeuwigheid af opgeleid tot die dienst, die Hij in de volheid des tijds zou volbrengen, en die daarvoor onder het bijzonder opzicht en de bescherming van de Vader is gekomen, Hij is Mijn knecht, die Ik ondersteun, Jesaja 42:1. Hij deed wat Hij de Vader zag doen, Johannes 5:19, wat Zijn Vader behaagde, Hij had Zijn eer en heerlijkheid op het oog, deed naar het gebod, dat Hij van Zijn Vader had ontvangen, en dat alles als een, die een voedsterling bij Hem is geweest. Hij was dagelijks Zijns Vaders vermakingen, (Mijn Uitverkorene, in wie Mijn ziel een welbehagen heeft, zegt God, Jesaja 42:1, en Hij was te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende. Dit kan verstaan worden, hetzij:
a. Van de oneindige verlustiging, die de personen van de gezegende Drieëenheid hebben in elkaar, en waarin veel van de gelukzaligheid van de Goddelijke natuur bestaat. Of,
b. Van het welbehagen, dat de Vader had in de werkingen van de Zoon, toen Hij de wereld heeft gemaakt. God zag alles wat de Zoon gemaakt had, en zie, het was zeer goed, het behaagde Hem, en daarom was de Zoon dagelijks, dag aan dag, gedurende de zes dagen van de schepping, dieswege Zijn verlustiging, Exodus 39:43. En de Zoon zelf verlustigde zich voor Zijn aangezicht in de schoonheid en harmonie van geheel de schepping, Psalm 104:31. Of,
c. Van de voldoening, die zij hadden in elkaar met betrekking tot het grote werk van des mensen verlossing. De Vader verlustigde zich in de Zoon, als Middelaar tussen Hem en de mens, had een welbehagen in hetgeen Hij voorstelde, Mattheus 3:17, en beminde Hem, omdat Hij het ondernam, om Zijn leven te stellen voor de schapen, Hij stelde vertrouwen in Hem, dat Hij Zijn werk volbrengen, en er niet in falen zou. De Zoon heeft zich te allen tijde verlustigd voor Zijn aangezicht. Hij had lust om Zijn welbehagen te doen, Psalm 40:9, bleef getrouw en standvastig bij Zijn onderneming, als een, die er voldoening in vond, en toen het er op aankwam heeft Hij er even veel voldoening als ooit in te kennen gegeven, zeggende: Ik kom, om te doen wat in de rol des boeks van mij geschreven is.
5. De genadige zorgende belangstelling, die Hij had in het mensdom, vers 31. De wijsheid verblijdde zich, niet zozeer in de rijke voortbrengselen van de aarde, of in de schatten die in haar schoot zijn verborgen, als wel in de bewoonbare gedeelten ervan, Zich verblijdende in de bewoonbare delen van Zijn aarde, vers 31, want Zijn vermakingen waren met de mensenkinderen. Niet slechts van de schepping van de mens wordt als met een bijzonder genoegen gesproken, Genesis 1:26, maar van de verlossing en zaligheid van de mens. De Zoon van God was voor de grondlegging van de wereld verordineerd voor dat grote werk, 1 Petrus 1:20. Een overblijfsel van de kinderen van de mensen was Hem gegeven, om door Zijn genade tot Zijn heerlijkheid te worden gebracht, en deze waren het, in wie Hij zich verlustigde, met wie Zijn vermakingen waren, Zijn kerk was het bewoonbare deel Zijns aardrijks, bewoonbaar gemaakt voor Hem, opdat de Heere God onder hen zou wonen, die weerspannig zijn geweest, en hierin verblijdde Hij zich in het vooruitzicht van zaad te zullen zien. Hoewel Hij al de moeilijkheden voorzag, die Hij in Zijn werk zou ontmoeten, de dienst en het lijden, waar Hij door heen moest gaan, heeft Hij er toch, omdat het zou uitlopen en heerlijkheid Zijns Vaders, en de zaligheid van die kinderen van de mensen, die Hem gegeven waren, met de grootst mogelijke voldoening naar uitgezien, waarin voor ons al de aanmoediging ligt opgesloten, die wij kunnen verlangen om tot Hem te komen en op Hem te vertrouwen voor al de weldaden en voorrechten, die voor ons in Zijn glorierijke onderneming bedoeld zijn.