Spreuken 6:12-19
Salomo beschrijft ons hier:
I. Het karakter van iemand, die boosaardig is voor de mens en gevaarlijk is in de omgang. De luiaards, die niets doen, moeten veroordeeld worden, veel meer nog moeten zij veroordeeld worden die kwaad doen, en er zich op toeleggen, om al het kwaad te doen, dat zij kunnen. Het is een ondeugend persoon van wie hier gesproken wordt, in het Hebreeuws wordt hij een Belialsmens genoemd. Die term moet in de overzetting behouden worden want hij wordt dikwijls in de Schrift gebruikt, en dit is er de verklaring van.
Merk op:
1. Hoe een Belialsmens hier beschreven wordt. Hij is een slecht man die er zijn handwerk van maakt om kwaad te doen, inzonderheid met zijn tong, hij gaat met verkeerdheden zijns monds om, en brengt aldus zijn plannen tot stand, vers 12, door liegen en lijnrecht in te gaan tegen God en de mens. Hij zegt en doet alles:
a. Zeer listiglijk en met bedoeling, hij heeft de listigheid van de slang, en voert zijn plannen uit met groot overleg en behendigheid, vers 13, met zijn ogen, met zijn voeten, met zijn vingeren drukt hij zijn boosaardigheid uit, als hij haar niet durft uit spreken, zo verstaan het sommigen, of liever: zo brengt hij zijn komplot ten uitvoer. Diegenen om hem heen, die hij als werktuigen gebruikt van zijn boosaardigheid, verstaan de betekenis van een wenk van zijn ogen, het stampen van zijn voeten, de minste bewegingen van zijn vingeren. Hij geeft orders voor kwaad doen, en wil toch niet dat men dit denken zal, hij heeft een manier om hetgeen hij doet te verbergen, zodat hij niet verdacht wordt. Hij is een gesloten, gereserveerd man, diegenen alleen zullen in het geheim worden gelaten, die bereid zijn alles te doen wat hij wil, hij is een listig man, hij houdt er een eigen taal op na, waarmee een eerlijk man niet bekend is, noch wenst bekend te worden gemaakt.
b. Zeer boosaardiglijk en met slechte bedoelingen. Het is niet zozeer eerzucht, of geldgierigheid, die in zijn hart is, als wel verkeerdheden, boosaardigheid en kwaadwilligheid. Het is niet zozeer zijn streven om zichzelf te verrijken en te verhogen, als wel om aan degenen, die om hem heen zijn, kwaad te doen, een ondienst te doen. Voortdurend smeedt hij kwaad, zuiver en alleen om kwaad te doen, een Belialsmens inderdaad, een duivelsmens, hem gelijkende, niet alleen in listigheid maar ook in boosaardigheid.
2. Wat zijn oordeel is, vers 15. Zijn verderf zal komen, hij zal verbroken worden, hij die kwaad heeft gesmeed zal in kwaad vallen. Zijn verderf zal komen:
a. Zonder voorafgaande waarschuwing, het zal haastelijk komen, hij zal schielijk verbroken worden, om hem te straffen voor al de boze kunstgrepen, die hij te werk heeft gesteld om de mensen in zijn strikken te vangen.
b. Zonder dat het te verhelpen zal zijn, hij zal onherstelbaar verbroken worden, en nooit meer kunnen geheeld worden, hij zal verbroken worden dat er geen genezen aan zij. Welke hulp of verlichting kan hij verwachten, die voor alle mensen onvriendelijk is geweest, aan iedereen slechte diensten heeft bewezen? Hij "zal tot zijn einde komen en zal geen helper hebben," Daniël 11:45.
II. Een lijst van de dingen, die zeer bijzonder hatelijk zijn voor God, welke alle over het algemeen gevonden worden in die Belialsmensen, welke hij in de vorige verzen heeft beschreven, het laatste ervan, het zevende schijnt inzonderheid bedoeld te zijn omdat hij zegt dat het zes, ja zeven zijn, het behoort tot zijn karakter, dat hij onenigheid werkt, God haat de zonde, Hij haat iedere zonde Hij kan er nooit mee verzoend worden, Hij haat niets anders dan de zonde. Maar er zijn sommige zonden, die Hij zeer bijzonder haat, en allen, die hier genoemd worden, zijn schadelijk voor onze naasten. Het is een blijk van Gods liefde voor het menselijk geslacht, dat die zonden zeer bijzonder tergend voor Hem zijn, die schadelijk zijn voor de aangenaamheid van het menselijk leven en de menselijke samenleving. Belialsmensen moeten daarom verwachten, dat hun verderf plotseling over hen zal komen zonder dat er genezing aan is, omdat hun praktijken van zodanige aard zijn, dat de Heere ze haat, ze Hem een gruwel zijn, vers 16. Er is ons geen dank verschuldigd, dat wij de dingen, die God haat, in anderen haten, wij moeten ze haten in onszelf.
1. Hoogmoed, verwaandheid, een hoge dunk van onszelf, en minachting van anderen. Hoge ogen, een trotse blik. Er zijn zeven dingen, die God haat, en hoogmoed is het eerste, omdat die op de bodem is van vele zonden, en ze doet ontstaan. God ziet de hoogmoed in het hart, en haat hem daar, maar als hij zo de overhand heeft, dat de uitdrukking van der mensen gelaat tegen hen getuigt, dat zij zichzelf overschatten, en allen om hen heen onderschatten, dan is dit zeer bijzonder hatelijk in Zijn ogen, want dan is de hoogmoed hoogmoedig op zichzelf, en trotseert hij de schande.
2. Leugen, bedrog en geveinsdheid. Na hoge ogen is niets meer een gruwel voor God dan een valse tong. Niets is heiliger dan de waarheid, niets is meer noodzakelijk voor de omgang dan de waarheid te spreken, God en alle goede mensen haten de leugen.
3. Wreedheid en bloeddorst. De duivel is van den beginne een leugenaar en moordenaar geweest, Johannes 8:44, en daarom zijn, evenals een valse tong, handen, die onschuldig bloed vergieten hatelijk voor God, omdat er des duivels beeld op is, en zij hem dienst doen.
4. List in het bedrijven van de zonde, wijsheid om kwaad te doen, een hart dat ondeugdzame gedachten smeedt, en een hoofd om ze uit te voeren, bekend is met de diepten van Satan, en een geldgierig, afgunstig, wraakzuchtig komplot ten uitvoer weet te brengen. Hoe meer list en overleg er is in de zonde, hoe meer zij een gruwel is voor God.
5. Kracht en ijver in het najagen van de zonde, voeten die zich haasten om tot kwaad te lopen, alsof zij bevreesd waren om tijd te verliezen, ongeduldig waren onder het uitstel ervan, daar zij er zozeer op belust zijn. Het beleid en de waakzaamheid, de gretigheid en de ijver, die de zondaars aan de dag leggen in hetgeen zij doen, kunnen ons wel beschaamd maken, die met zoveel onbedrevenheid en koudheid doen hetgeen goed is.
6. Vals getuigenis, en dat behoort tot het ergste kwaad, dat het boze hart kan bedenken, en waartegen men zich het minst verdedigen kan. Er kan geen groter belediging zijn van God, (op wie met een eed een beroep is gedaan) en geen groter schade worden toegebracht aan onze naaste (al wiens belangen in deze wereld, zelfs de dierbaarste, open en bloot liggen voor een aanval van die soort), dan willens en wetens een vals getuigenis af te leggen. Er zijn zeven dingen, die God haat, en in liegen zijn twee ervan begrepen, Hij haat het, haat het in dubbele mate.
7. Kwaad stichten tussen bloedverwanten en vrienden, alle mogelijke boze middelen gebruiken, niet alleen om de genegenheid tussen hen te doen verkoelen, maar om hun hartstochten tegen elkaar op te wekken. De God van de liefde en des vredes haat hem, die tussen broederen krakelen inwerpt, want Hij verlustigt zich in eendracht. Zij, die door oorblazen en laster, door kwaadwillige geruchten te verspreiden, waarbij zij alles wat gedaan en gezegd wordt overdrijven en in een hatelijk daglicht stellen, achterdocht wekken en het vuur van de twisting aanblazen, bereiden slechts een vuur van dezelfde aard voor zichzelf.