2 Timotheus 3:10-17
Teneinde Timotheus te doen volharden in den weg, dien hij bewandelt, gaat de apostel over:
I. Om hem zijn eigen voorbeeld aan te tonen, dat Timotheus lang voor ogen gehad had, want hij was geruimen tijd bij Paulus geweest, vers 10. Maar gij hebt achtervolgd mijne leer. Hoe beter wij de leer van Christus en de apostelen kennen, des te meer zullen wij haar aanhangen, de reden waarom menigeen er zo los van is, is dat hij haar niet genoegzaam kent. De apostelen van Christus hadden geen andere vijanden dan mensen, die hen niet kenden of niet genoeg kenden, zij, die hen het best kenden, beminden en eerden hen het meest. Wat had Timotheus nu zo goed van Paulus gekend en achtervolgd?
1. De leer, die hij verkondigde. Paulus hield niets voor zijne hoorders terug, maar verkondigde hun den gehelen raad Gods, Handelingen 20:27, zodat het zijn schuld niet was als zij dien niet geheel kenden. Timotheus had het grote voorrecht gehad, dat hij opgeleid was door zulk een onderwijzer en doordrongen te zijn van de leer, die hij verkondigde.
2. Hij kende geheel zijne wijze van doen. Zijn levenswijze was een deel van zijne leer, en niet daarmee in tegenspraak. Zijn leven brak niet af wat zijne leer opgebouwd had. Die dienaren zullen waarschijnlijk het meeste goed doen en de beste blijvende vruchten van hun arbeid zien, wier leven overeenkomt met hun leer, terwijl daarentegen zij geen voordeel voor hun gemeente kunnen verwachten, die goed leren en slecht leven.
3. Timotheus kende geheel het grote doel, dat Paulus op het oog had, beide in zijn leer en in zijn wijze van doen. Gij hebt gekend mijn voornemen. waar ik op aanhoud, hoe ver dat is van enig werelds, vleselijk, zelfzuchtig plan, en hoe oprecht ik begeer de heerlijkheid Gods en de zaligheid der mensen.
4. Timotheus kende geheel Paulus' goed karakter, waartoe hij mocht besluiten uit zijn leer, wijze van doen en voornemen, want hij gaf bewijzen van zijn geloof (dat is van zijn oprechtheid en getrouwheid, of van zijn geloof in Christus, zijn geloof betreffende de toekomstige wereld, waarbij Paulus leefde), zijn lankmoedigheid, jegens de gemeenten, waar hij gepredikt had en die hij bestuurde, zijne liefde voor alle mensen, en zijne lijdzaamheid. Deze waren genadegaven, waardoor Paulus uitnemend was, en Timotheus wist dat.
5. Hij wist dat hem kwaad aangedaan was omdat hij goed gedaan had, vers 11. Mijne vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is, enz. (hij noemt die op, welke hij ondergaan had toen Timotheus bij hem was) te Antiochië, in Iconium en in Lystre, en hij moest dus niet verwonderd zijn wanneer vervolgingen over hem kwamen, het was niet meer dan hij zelf verduurd had.
6. Hij wist hoeveel zorg God voor hem gedragen had: En de Heere heeft mij uit alle verlost. Gelijk hij nooit de goede zaak verlaten had, zo had God hem niet verlaten. Gij weet ten volle mijne vervolgingen. Wanneer wij de droefenissen van godvrezende mensen slechts ten dele kennen, zijn zij voor ons verzoekingen om de zaak te verlaten, waarvoor zij lijden, wanneer wij alleen de moeiten kennen, die zij om Christus' wil verdragen, kunnen wij er toe komen om te zeggen: Wij laten de zaak, die ons waarschijnlijk zo duur zal komen te staan als wij haar omhelzen, voor hetgeen zij is. Maar wanneer wij ten volle kennen de vervolgingen, niet alleen wat zij lijden, maar ook hoe zij onder hun lijden ondersteund en vertroost worden, dan zullen wij, in plaats van er door ontmoedigd te worden, ons aangespoord gevoelen, voornamelijk omdat ons voorzegd is dat wij op zulke dingen rekenen moeten, vers 12. Allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. Niet allen evenveel, in dien tijd waren zij, die het geloof in Christus beleden, meer aan vervolging blootgesteld dan in andere tijden, maar in alle tijden zullen zij, die godzalig willen leven in Christus Jezus, meer of minder vervolgd worden. Zij moeten verwachten veracht te worden, en dat hun godsdienst hun voortdurend in de wereld zal in den weg staan, zij, die godzalig willen leven, moeten daarop rekenen, vooral zij die godzalig willen leven in Christus Jezus, dat is: overeenkomstig de strenge regelen van den Christelijken godsdienst, zij, die de livrei en den naam van hun goddelijken Verlosser dragen willen. Allen, die hun belijdenis in hun leven tonen willen, die niet alleen godzalig willen zijn, maar ook godzalig willen leven, moeten vervolging verwachten, vooral wanneer zij vastbesloten zijn. Merk hier op:
A. Het leven van den apostel was zeer voorbeeldig door drie dingen: door zijne leer, die was overeenkomstig den wil van God, door zijn leven, dat was overeenkomstig zijne leer, en door zijne vervolgingen en zijn lijden.
B. Zijn leven was een leven vol groot nut, maar ook vol groot lijden, en ik houd het er voor dat niemand den groten Meester zo nabij kwam in uitnemende diensten en in zwaar lijden als Paulus, hij leed bijna in alle plaatsen, de Heilige Geest getuigde hem dat banden en verdrukkingen aanstaande waren, Handelingen 20:23. Hier vermeldt hij zijne vervolgingen en zijn lijden in Antiochië, in Iconium en in Lystre, maar hoeveel leed hij buitendien!
C. De apostel zegt dat de Heere hem uit al deze verlost heeft, Timotheus en ons tot aanmoediging in al ons lijden.
D. Hier is de praktijk en de behandeling van alle ware Christenen: zij leven godzalig in Jezus Christus, dat is hun praktijk, en zij lijden vervolgingen, dat is de behandeling, die zij van de wereld moeten verwachten.
II. Hij waarschuwt Timotheus voor het vreeslijk einde van de verleiders, als een reden waarom wij ons dicht zullen houden bij de waarheid, zoals die in Jezus Christus is.
Doch de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid, vers 13. Gelijk goede mensen door de genade Gods van beter tot beter voortgaan, zo worden boze mensen, door de listigheid des Satans en door hun eigen verdorvenheid, al slechter en slechter. Het pad der zonde is een hellend vlak, het gaat van kwaad tot erger: verleidende en wordende verleid. Zij, die anderen verleiden, verleiden slechts zich zelven, die anderen in dwaling trekken, lopen zelf al meer en meer in hun verderf en zullen het aan het einde ondervinden.
III. Hij vermaant hem zich stipt te houden aan zijn goede opvoeding, en vooral aan hetgeen hij uit de Heilige Schrift geleerd heeft, vers 14, 15. Blijf in hetgeen gij geleerd hebt. Het is niet genoeg dat wij het goede geleerd hebben, wij moeten er in blijven en er vorderingen in maken. Dan eerst zijn wij waarlijk Christus' discipelen, Johannes 8:31. Wij moeten niet kinderen zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen, Efeze 4:14.
Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen, want het is goed dat het hart gesterkt worde door genade, Hebreeën 13:9. En daarom moeten wij blijven in de dingen, die wij van de Heilige Schriften geleerd hebben, wij moeten niet blijven vasthouden aan enige dwaling of vergissing, die wij wellicht in onze kindsheid en jeugd geleerd hebben, want deze moeten wij na betere inlichtingen met volle overtuiging verzaken, maar dit heeft niets uitstaan met ons blijven in de dingen, die wij uit de Heilige Schriften geleerd hebben. Indien Timotheus bleef hechten aan de waarheid, die hem onderwezen was, zou dit hem wapenen tegen de strikken en dwalingen der verleiders. Timotheus moest blijven in hetgeen hem geleerd was en waarvan hem verzekering gedaan was.
1. Het is een groot geluk de zekerheid te weten van de dingen, waarin wij onderwezen zijn, Lukas 1:4, niet alleen de waarheid te kennen, maar te weten dat zij van ontwijfelbare zekerheid zijn. Wij moeten trachten meer en meer verzekerd te worden van hetgeen wij geleerd hebben, opdat wij, gegrond in de waarheid, gewapend mogen zijn tegen dwaling, want zekerheid in den godsdienst is van groot belang en voordeel. Gij hebt geweten, enz.
A. Gij hebt goed onderwijs gehad. Denk er aan van wie gij het geleerd hebt, niet van slechte mensen en verleiders, maar van goede mensen, die zelf de macht der waarheid ondervonden hadden, welke zij onderwezen, en die geleerd hadden er voor te lijden en daardoor het sprekendste bewijs van hun geloof in die waarheid te leveren.
B. Wetende vooral het vaste fondament, waarop gij gebouwd hebt, namelijk dat der Schrift, vers 15 :Dat gij van kinds af de Heilige Schriften geweten hebt.
2. Zij, die bekend willen worden met de dingen Gods en er van verzekerd zijn, moeten de Heilige Schriften kennen, want die zijn de samenvatting van de goddelijke openbaring.
3. Het is een groot geluk de Heilige Schriften van kinds af te kennen, en kinderen behoren van jongs af met de Heilige Schriften bekend gemaakt te worden. De leeftijd der kinderen is de leertijd en zij, die goed onderwijs zullen genieten, moeten het ontvangen uit de Schriften.
4. De schriften, die wij moeten kennen, zijn de Heilige Schriften, zij komen van den heiligen God, zijn overgeleverd door heilige mensen, bevatten heilige voorschriften, handelen over heilige dingen en zijn bestemd om ons heilig te maken en ons te leiden op den weg der heiligheid en gelukzaligheid. Zij worden Heilige Schriften genoemd, en daardoor onderscheiden van ongewijde schriften van allerlei soort, ook van die, welke alleen handelen over zedelijkheid, burgerlijke rechtvaardigheid en eerlijkheid, maar niet over heiligheid spreken. Indien wij de heilige Schriften willen kennen, moeten wij ze dagelijks lezen en onderzoeken, zoals de edele Bereërs deden, Handelingen 17:11. Zij moeten niet bij ons liggen verzuimd en zelden gelezen of ingezien. Merk hier nu op:
A. Wat de voortreffelijkheid van deze Schriften is: Zij is ingegeven door God, vers 16, en daarom Zijn Woord. Zij is een goddelijke openbaring en wij kunnen op haar onfeilbaarheid staat maken. Dezelfde Schrift, die in ons van rede spreekt, overtuigt ons van haar onfeilbaarheid en openbaring. De profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken, 2 Petrus 1:21. De profeten en apostelen spraken niet uit zich zelven, maar wat zij van den Heere ontvingen, hebben zij ons overgeleverd. Dat de Schrift door goddelijke ingeving geschreven is, getuigt de majesteit van haar stijl, de waarheid, de voortreffelijkheid en de reinheid harer leer, de harmonie van haar verschillende delen, haar macht en invloed op de zielen der menigten, die haar gebruiken, de vervulling van vele profetieën betreffende de dingen, van welke geen mens iets vooruit weten kon, en de onvergelijkelijke wonderen, die verricht werden ten bewijze van haar goddelijken oorsprong. God bovendien mede getuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijnen wil, Hebreeën 2:4.
B. Welk nut het voor ons zal hebben.
a. Zij kunnen ons wijs maken tot zaligheid, dat is, zij zijn een zekere gids op onzen weg naar het eeuwige leven. Zij zijn waarlijk wijs, die wijs zijn tot zaligheid. Die Schriften zijn nuttig om ons waarlijk wijs te maken, wijs voor onze zielen en de toekomende wereld. Zij maken u wijs tot zaligheid door het geloof. De Schriften zullen ons wijs maken tot zaligheid, indien zij gemengd zijn met het geloof, anders niet, Hebreeën .4:2. Want indien wij haarwaarheid en goedheid niet geloven, zullen zij ons geen nut doen.
b. Zij zijn nuttig voor ons in alle dingen van het Christelijke leven, tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is. Zij beantwoorden aan elk deel van de goddelijke openbaring. Zij onderwijzen ons in de waarheid, zij bestraffen ons in hetgeen verkeerd is, zij leiden ons in hetgeen goed is. Zij zijn nuttig voor allen, want wij allen hebben behoefte aan lering, vermaning en verbetering. Zij zijn voornamelijk nuttig voor dienaren, want die moeten leren, vermanen en verbeteren, en hoe kunnen zij dat beter doen dan door de Schriften!
c. Opdat de mens Gods volmaakt zij, vers 17. De Christen en de dienaar zijn de mensen Gods. Een mens Gods wordt in deze wereld gevormd door de Schriften. Door haar worden wij tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. In de Schriften is in alle gevallen en toestanden voorzien. Welke plichten wij te vervullen hebben, welke diensten van ons vereist worden, in de Schriften vinden wij genoeg om er ons toe instaat te stellen.
C. Alles samen genomen zien wij hier:
a. Dat de Schriften verschillend nut hebben en beantwoorden aan verschillende doeleinden.
Zij zijn nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering van alle dwalingen in ons oordeel en in ons leven, en tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is.
b. De Schrift is een volmaakte regel voor geloof en leven, en is bedoeld voor den mens Gods, de dienaar zowel als de Christen, die Gode gewijd zijn, want zij is nuttig tot lering, enz.
c. Zo wij de Schrift raadplegen, die door God ingegeven is, en haar voorschriften volgen, zullen wij mensen Gods gemaakt worden, volmaakt en tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. d. Geen wijsgerige geschriften, geen rabbijnse fabelen, geen paapse legenden, geen ongeschreven overleveringen, kunnen ons volmaakte mensen Gods maken, alleen de Schrift is daartoe instaat. O, dat wij meer onzen Bijbel liefhebben, en dichter bij hem ons houden dan ooit! Dan zullen wij ondervinden welke zegen en welk voordeel daarin gelegen is, en eindelijk de gelukzaligheid verkrijgen, die ons in hem beloofd en verzekerd is.